Deze tekst bespreekt de wettelijke verplichtingen van staten, met name Nederland, onder het Genocideverdrag van 1948 in de context van de situatie in Gaza. De auteur legt uit dat, hoewel een formele vaststelling van genocide uitsluitend door internationale rechtbanken zoals het ICJ kan worden gedaan en een hoge bewijslast vereist, staten een preventieplicht hebben zodra er een ernstig risico op genocide bestaat. Deze plicht is een inspanningsverplichting en vereist dat staten redelijke maatregelen treffen om genocide te voorkomen, waarbij de beïnvloedingscapaciteit van de staat relevant is. De tekst benadrukt dat de afwezigheid van een definitief oordeel over genocide geen reden is voor passiviteit en dat passieve staten of staten die actief bijdragen onder omstandigheden aansprakelijk kunnen zijn.