woensdag 19 augustus 2026

15 JULI 2026. — Koninklijk besluit betreffende de permanente vormingen voor gerechtsdeskundigen en beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken bedoeld in artikel 555/9, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek

Bron

Wat is het doel van de verplichte permanente vorming? De permanente vorming is bedoeld voor personen die zijn opgenomen in het nationaal register voor gerechtsdeskundigen en beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken. Het doel is het op peil houden en ontwikkelen van hun taalkundige kennis, competentiegebieden, technische vaardigheden en de noodzakelijke juridische kennis.

Wanneer moeten de bewijzen en documenten worden ingediend? Zowel gerechtsdeskundigen als vertalers en tolken moeten hun dossiers uiterlijk zes maanden vóór het verstrijken van de periode van zes jaar van hun opname bezorgen aan de dienst nationaal register van de Federale Overheidsdienst Justitie.

Wat moeten gerechtsdeskundigen precies doen en indienen? Om de verlenging van hun opname in het register te verkrijgen, moeten zij de volgende documenten en bewijzen bezorgen:

  1. Een bijgewerkt cv.
  2. Een activiteitenverslag waaruit blijkt dat zij hun activiteit als gerechtsdeskundige regelmatig hebben uitgeoefend en waarin zij vermelden hoe zij hun kennis en bekwaamheid verder hebben ontwikkeld in hun expertisedomeinen.
  3. Een lijst van de burgerrechtelijke en administratieve opdrachten die hen in de loop van de zes jaar zijn toevertrouwd (deze mogen desgewenst geanonimiseerd worden).
  4. Een lijst van de gevolgde vormingen die verband houden met hun deskundigheidsgebieden of met juridische kennis.
  5. Het bewijs van het minimale aantal uren vorming dat is vereist door de beroepsorde of het instituut waarvan zij deel uitmaken. Indien zij geen deel uitmaken van een beroepsorde of instituut, moeten zij het bewijs leveren dat zij in de loop van de zes jaar minstens zestig uur aan hun permanente vorming hebben besteed.

Bestaat er een uitzondering op de verplichte 60 uur vorming voor gerechtsdeskundigen? Ja. Gerechtsdeskundigen die geen uren meer moeten volgen van hun orde of die geen deel uitmaken van een orde of instituut, kunnen een afwijking aanvragen. Zij moeten dan bewijzen dat zij hun kennis en methodologische vaardigheden regelmatig hebben ontwikkeld en onderhouden dankzij de regelmatige beoefening van hun activiteiten. Hiervoor moeten zij een onderbouwd dossier indienen met een lijst van verrichte opdrachten, uitleg over de uitgevoerde acties of onderzoeken, en een verantwoording waarom de zestig uur vorming niet is gevolgd.

Wat moeten beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken precies doen en indienen? Zij moeten voor hun verlenging de volgende documenten overmaken:

  1. Een bijgewerkt cv.
  2. Een activiteitenverslag waaruit de regelmatige uitoefening van hun activiteit blijkt en waarin zij vermelden hoe zij hun taalkundige kennis en kennis van tolk- en vertaaltechnieken hebben onderhouden of verder hebben ontwikkeld.
  3. Een lijst van de burgerrechtelijke en administratieve opdrachten van de afgelopen zes jaar (mag geanonimiseerd worden).
  4. Een lijst van de gevolgde vormingen die verband houden met de gevalideerde talen, vertaal- of tolktechnieken, of juridische kennis.
  5. Het bewijs dat zij in de loop van de zes jaar minstens zestig uur aan hun permanente vorming hebben besteed.

Kunnen vertalers en tolken ook afwijken van de verplichte 60 uur vorming? Ja. Zij kunnen een afwijking krijgen als zij bewijzen dat zij hun taalkundige en juridische kennis regelmatig hebben onderhouden door hun activiteiten feitelijk uit te oefenen. Hiervoor moeten zij een onderbouwd dossier bezorgen met daarin het aantal verrichte prestaties, de onderwerpen waarover werd vertaald, een raming van het aantal vertaalde bladzijden of een raming van het aantal uren dat is besteed aan tolkopdrachten, inclusief een verantwoording waarom de zestig uur permanente vorming niet is gevolgd.

Aan welke voorwaarden moet een gevolgde vorming voldoen om erkend te worden? Om in aanmerking te komen voor erkenning, moeten de vormingen aan de volgende cumulatieve eisen voldoen:

  • Inhoudelijk doel: De vorming moet tot doel hebben de specifieke kennis, competenties of theoretische, technische, methodologische en juridische vaardigheden te onderhouden of te ontwikkelen die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de functie.
  • Gedetailleerde inhoud en deelnameattest: De betrokkene moet de gedetailleerde inhoud van de gevolgde vorming bezorgen, samen met een attest van deelname.
  • Ondertekening: De bewijzen moeten behoorlijk zijn ingevuld en ondertekend door de instanties die de activiteit en de deelname kunnen bevestigen.
  • Motivering: De deskundige, vertaler of tolk moet het verband tussen de gevolgde vormingsactiviteit en het vereiste doel kunnen uitleggen.

Welke specifieke activiteiten kunnen als permanente vorming worden erkend? Dit is vastgelegd in de bijlagen van het koninklijk besluit:

  • Voor gerechtsdeskundigen: Het volgen van een academische opleiding (inclusief e-learning), het verzorgen van een doceeropdracht aan een universiteit, hogeschool of beroepsvereniging, het maken van een (post)doctoraatsproefschrift, deelnemen aan conferenties/seminars (als spreker of toehoorder), meewerken aan een onderzoeksproject, het schrijven van een wetenschappelijk artikel als hoofdauteur of het volbrengen van een stage.
  • Voor vertalers en tolken: Vormingen over juridische terminologie (zoals strafrecht of burgerlijk recht), specifieke niet-juridische terminologie (geneeskunde, techniek, bank- en financiewezen), verdieping van de talen (Nederlands, Frans, Duits of een andere gevalideerde taal), vertaaltechnieken voor procedurele handelingen, vormen van vertolking (consecutief, simultaan, vertalen van het blad, verbindingstolken in strafprocedures), technologische hulpmiddelen (videoconferentie, telefoontaps, vertaalsoftware/computerondersteund vertalen), doceeropdrachten, proefschriften, deelname aan conferenties/colloquia, meewerken aan onderzoek, het schrijven van wetenschappelijke artikelen of een vertaal- en/of tolkstage.


dinsdag 18 augustus 2026

Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - toestand Afghanistan

In de uitspraak van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (van 30 juni 2026) schetst de rechter een gedetailleerd beeld van de algemene, socio-economische en veiligheidssituatie in Afghanistan onder het huidige talibanregime. De belangrijkste bevindingen van de rechter over de toestand in het land zijn als volgt samen te vatten:

Bron: https://www.rvv-cce.be/sites/default/files/arr/a349613.an_.pdf

1. Het regime, sharia en de theocratische politiestaat

  • Repressief klimaat: Sinds de machtsovername door de taliban in augustus 2021 is de algemene mensenrechtensituatie gradueel verslechterd. De rechter stelt vast dat de de facto-administratie zich ontwikkelt naar een theocratische politiestaat die regeert in een sfeer van angst en misbruik.
  • Invoering van de sharia: De grondwet is opgeschort en de taliban-versie van de sharia is volledig ingevoerd. Dit rechtssysteem is gebaseerd op de conservatieve soennitische Hanafi-school, maar is ook sterk beïnvloed door lokale tribale tradities. Het gezag van de opperste leider Haibatullah Akhundzada is hierbij steeds dwingender geworden.
  • Inperking van burgerlijke vrijheden: Politieke partijen zijn verboden, de "civic space" is nagenoeg gesloten en critici of journalisten worden gearresteerd. Er heerst een klimaat van systematische intimidatie en zelfcensuur. Ook de toegang van de VN Speciale Rapporteur tot het land werd in augustus 2024 ontzegd.
  • Controle en censuur: Om de morele regels af te dwingen is het 'Ministerie voor de Bevordering van Deugd en de Voorkoming van Ondeugd' (MPVPV) samen met de geheime dienst (GDI) actief. Daarnaast controleren de taliban sociale media en telefoongesprekken (ook met het buitenland) en worden telefoons gecontroleerd bij controleposten. In september 2025 werd zelfs de internettoegang in heel het land tijdelijk afgesloten om "immorele inhoud" te bestrijden.

2. De positie van vrouwen en "genderapartheid"

  • Structurele uitsluiting: Vrouwen en meisjes ondervinden een uitzonderlijk zware repressie. Hun toegang tot secundair en universitair onderwijs, werk (inclusief voor VN-organisaties en NGO's) en de publieke ruimte is structureel ontzegd of extreem ingeperkt. Schoonheidssalons moesten sluiten en het openbaar leven is strikt gesegregeerd.
  • Sociaal isolement: De wetgeving en decreten hebben geleid tot het institutionaliseren van een genderapartheid.

3. De Moraliteitswet en de herinvoering van lijfstraffen

  • Moraliteitswet (31 juli 2024): Deze wet codificeert strikte gedrags- en kledingvoorschriften. Vrouwen moeten hun hele lichaam en gezicht bedekken (bij voorkeur met een burka) en mannen mogen hun baard niet korter scheren dan een bepaalde lengte. Ook zaken als muziek, het niet deelnemen aan gezamenlijke gebeden en vriendschap sluiten met niet-moslims zijn expliciet verboden.
  • Lijfstraffen en executies: Sinds de instructie van de opperste leider in november 2022 worden 'hudud'- en 'qisas'-straffen (zoals openbare executies, steniging, amputatie van ledematen en geseling) weer op grote schaal toegepast. De rechter wijst erop dat het aantal geregistreerde openbare lijfstraffen in 2025 is toegenomen ten opzichte van de periode daarvoor, waarbij vaak zeer soepele bewijsstandaarden of ad-hocbeslissingen zonder rechterlijke procedure worden gehanteerd.

4. Socio-economische en humanitaire crisis

  • Multimensionale armoede: De socio-economische situatie in Afghanistan is uiterst precair en wordt gekenmerkt door een liquiditeitscrisis, een instortend banksysteem, hoge voedselprijzen en massale werkloosheid. 17 miljoen mensen worden bedreigd door de honger.
  • Oorzaken van de crisis: De crisis is het gevolg van een complexe wisselwerking tussen structurele problemen van vóór de machtsovername (zoals droogte), het stopzetten van buitenlandse hulp en sancties na de machtsovername, de Amerikaanse stopzetting van financiering voor humanitaire programma's in april 2025, en de massale instroom van 2,5 miljoen terugkeerders uit Pakistan en Iran in 2025.
  • Geen opzettelijke toebrenging: Hoewel de situatie ernstig is, oordeelt de rechter dat de humanitaire crisis en de extreme armoede het gevolg zijn van deze complexe objectieve en multidimensionale factoren. Omdat de armoede niet overwegend voortvloeit uit een opzettelijke handeling of nalatigheid van de taliban, valt deze algemene humanitaire situatie volgens de rechter niet onder de definitie van subsidiaire bescherming.

5. Veiligheidssituatie en willekeurig geweld

  • Daling van het conflictgeweld: Sinds augustus 2021 is het niveau van willekeurig geweld en het aantal burgerslachtoffers in Afghanistan significant gedaald vergeleken met de periode van actieve strijd vóór de machtsovername. Ook de conflict-gerelateerde ontheemding binnen het land is nagenoeg gestopt.
  • Doelgericht geweld en grensconflicten: Geweldsincidenten zijn tegenwoordig voornamelijk doelgericht van aard (viseren van ex-veiligheidstroepen, oud-overheidsmedewerkers en vermeende verzetsleden). Hoewel er grensconfrontaties en Pakistaanse luchtaanvallen waren in oktober 2025 (wat leidde tot tientallen burgerslachtoffers en duizenden ontheemden in grensdistricten zoals Spin Boldak), werd er op 19 oktober 2025 een tijdelijk staakt-het-vuren afgesloten.
  • Geen algemeen risico: De rechter concludeert dat er in Afghanistan geen sprake (meer) is van een uitzonderlijke situatie waarin de mate van willekeurig geweld zo hoog is dat een burger louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op ernstige schade.

6. Behandeling van terugkeerders (uit het Westen)

  • Geen systematische vervolging: Hoewel terugkeerders uit Europa vaak argwanend worden bekeken, stigmatisering kunnen ervaren en verdacht kunnen worden van "verwestering" of verlies van islamitische waarden, stelt de rechter vast dat er geen bewijzen zijn van systematische vervolging of intimidatie louter omdat iemand een terugkeerder is.
  • Gerichte risicoprofielen: De repressieve focus van de taliban en de GDI ligt specifiek op het opsporen van actieve tegenstanders (zoals leden van het NRF of AFF) of voormalige medewerkers van de veiligheidsdiensten van de vorige republiek. Er is dus geen sprake van groepsvervolging van alle Afghaanse mannen die terugkeren uit Europa.

maandag 10 augustus 2026

Schriftelijke vragen en antwoorden Minister van Justitie - 31 maart 2026

Bron

Enkel de vragen ivm Justitie

1. Verkeersveiligheid, Digitalisering & Privacy

  • Vraag 954 (gesteld door Anthony Dufrane op 19 februari 2026):
    • Vraag: Waarom zijn er zulke grote verschillen tussen gerechtelijke arrondissementen bij de afhandeling van gsm-gebruik achter het stuur (intrekking rijbewijs vs. onmiddellijke inning), en hoe wordt dit aangepakt?
    • Antwoord: Parketten voeren geen systematisch beleid om iedereen te dagvaarden of rijbewijzen in te trekken. De wet stelt de boetes vast (sinds 1 februari 2026: €300 tot €5.000 en facultatief rijverbod; onmiddellijke inning is €174). Procureurs des Konings bepalen zelf het vervolgingsbeleid op basis van lokale/menselijke realiteiten en andere prioritaire misdrijven, waardoor een volledig uniform beleid niet wenselijk of mogelijk is.
  • Vraag 955 (gesteld door Patrick Prévot op 19 februari 2026):
    • Vraag: Welke maatregelen overweegt de regering om de privacy en persoonsgegevens van gebruikers van Femtech-apps te beschermen?
    • Antwoord: De minister van Justitie verwijst voor deze thematiek naar het antwoord van de bevoegde minister van Digitale Zaken en Privacy.
  • Vraag 956 (gesteld door Kristien Van Vaerenbergh op 23 februari 2026):
    • Vraag: Wat is de status van de lopende federale digitaliseringscontracten met Sopra Steria na het stopzetten van het i-Police-project, en hoe worden risico's beheerd?
    • Antwoord: FOD Justitie heeft geen rechtstreekse contracten met Sopra Steria, maar wel met de overgenomen firma Ordina. Deze consultants werken in gemengde teams op basis van time and means, wat totale afhankelijkheid uitsluit. Voor algemene federale overzichten en i-Police-recuperatie wordt verwezen naar de ministers van Digitalisering en Binnenlandse Zaken.
  • Vraag 967 (gesteld door Vincent Van Quickenborne op 24 februari 2026):
    • Vraag: Welke overheidsdiensten binnen Justitie zijn verplicht het Peppol-netwerk te gebruiken voor uitgaande facturen, en welke zijn daartoe al effectief in staat?
    • Antwoord: FOD Justitie (Toevallige ontvangsten) en Cellmade zijn volledig operationeel via Peppol. De Kansspelcommissie en het Belgisch Staatsblad kunnen momenteel nog geen uitgaande facturen sturen via Peppol wegens technische belemmeringen; er wordt gewerkt aan een oplossing. Het NICC is niet btw-plichtig, maar kan het wel op verzoek.

2. Justitiehuizen

  • Vraag 972 (gesteld door Marijke Dillen op 24 februari 2026):
    • Vraag: Wat is het gedetailleerde overzicht van het aantal federale opdrachten voor de justitiehuizen over de afgelopen vijf jaar?
    • Antwoord: De dotatie voor justitiehuizen wordt elke drie jaar door het Rekenhof berekend op basis van de uitgevoerde federale opdrachten. Registratie is complex wegens de grote variëteit aan opdrachten. Het Rekenhof baseerde de berekening voor de periode 2019-2024 op specifieke aantallen per gemeenschap (bijvoorbeeld in 2024: 41.089 opdrachten voor de Vlaamse, 41.998 voor de Franse en 474 voor de Duitstalige Gemeenschap).

3. Gevangenisproblematiek & Overbevolking

  • Vraag 957 (gesteld door Marijke Dillen op 23 februari 2026):
    • Vraag: Hoeveel gedetineerden met een dubbele nationaliteit verblijven er in de gevangenissen, opgesplitst per jaar en gevangenis?
    • Antwoord: De databank van Justitie laat niet toe om een dubbele nationaliteit te identificeren, waardoor deze cijfers niet beschikbaar zijn.
  • Vraag 958 (gesteld door Marijke Dillen op 23 februari 2026):
    • Vraag: Welke gevangenissen heeft de minister bezocht, welke problemen (buiten overbevolking en personeelstekort) zijn daar aangekaart en wat zijn de geplande bezoeken?
    • Antwoord: De minister bezocht 16 inrichtingen (waaronder Mons, Gent, Lantin, etc.). Specifieke problemen zijn onder meer de veranderende populatie, incidenten, camerabewaking in Wortel en leegstaande kamers in FPC Gent. Er wordt structureel dialoog gevoerd; bezoeken aan Haren en Marche-en-Famenne staan op de planning.
  • Vraag 960 (gesteld door Marijke Dillen op 23 februari 2026):
    • Vraag: Wat zijn de recidivecijfers van ex-gedetineerden sinds 2023?
    • Antwoord: Recente cijfers per arrondissement sinds 2023 zijn momenteel niet beschikbaar. Het NICC werkt momenteel aan nieuwe databases en monitors (zoals het project DOT en de Recidivemonitor 1.0), waarvan de resultaten in de loop van 2026 worden verwacht.
  • Vraag 962 (gesteld door Marijke Dillen op 23 februari 2026):
    • Vraag: Wat is het gedetailleerde overzicht van de uitbreiding van de gevangeniscapaciteit sinds 2020 en de planning tot het einde van de legislatuur?
    • Antwoord: Sinds 2020 zijn onder andere de nieuwe gevangenissen van Dendermonde (444 plaatsen) en Haren (1.187 plaatsen) geopend, evenals diverse transitie- en detentiehuizen. Voor de komende jaren gepland: FPC Waver (250), FPC Paifve (250), de nieuwe gevangenis van Antwerpen (440 in 2026), Vresse-sur-Semois (312), extra detentiehuizen (Genk, Antwerpen, Oostende, etc.) en tijdelijke modulaire units (330 plaatsen).
  • Vraag 963 (gesteld door Marijke Dillen op 24 februari 2026):
    • Vraag: Hoe vaak is België sinds 2020 door het EHRM veroordeeld wegens gevangenisoverbevolking en welke schadevergoedingen zijn betaald?
    • Antwoord: Er zijn twee veroordelingen geweest: de zaak-Detry (53 verzoekers wegens de stakingen in 2016; €3.500 per verzoeker, in totaal €206.713,20 betaald) en de zaak-Pirjoleanu (staking in Antwerpen in 2018; €4.200 betaald). Alle vergoedingen zijn voldaan.
  • Vraag 965 (gesteld door Marijke Dillen op 24 februari 2026):
    • Vraag: Hoeveel gedetineerden zijn in 2025 betrapt op druggebruik en wat waren de gevolgen?
    • Antwoord: Deze gegevens worden niet centraal geregistreerd. Drugs worden overgedragen aan de lokale politie. Er wordt momenteel gewerkt aan een nieuwe incidentenmodule om dit in de toekomst centraal te registreren.
  • Vraag 966 (gesteld door Marijke Dillen op 24 februari 2026):
    • Vraag: Hoeveel gedetineerden zonder verblijfsrecht zijn sinds 2020 uitgewezen en welke landen weigerden hen terug te nemen?
    • Antwoord: Deze vraag valt onder de bevoegdheid van de minister van Asiel en Migratie.
  • Vraag 968 (gesteld door Marijke Dillen op 24 februari 2026):
    • Vraag: Hoe vaak werd de voorlopige hechtenis uitgesproken voor feiten die kunnen leiden tot een straf van minder dan één jaar?
    • Antwoord: De wet van 11 maart 2026 behoudt de drempel door de omzetting naar niveau 2-straffen (status quo). De dossierbeheersystemen (MaCH en HBCA) registreren strafmaten niet systematisch, waardoor het leveren van cijfers onmogelijk is.
  • Vraag 970 (gesteld door Marijke Dillen op 24 februari 2026):
    • Vraag: Hoe vaak is de Belgische Staat sinds 2020 door Belgische rechtbanken veroordeeld wegens overbevolking en welke schadevergoedingen zijn betaald?
    • Antwoord: Sinds 2020 leidde dit tot meerdere veroordelingen (2 in 2020, 3 in 2021, 1 in 2022, 1 in 2023 en 1 in 2025). In 2026 lopen er nog 2 procedures. Schadevergoedingen liepen uiteen van €300 tot €6.400 (soms per verzoeker). Alle schadevergoedingen zijn betaald.

4. Vragen rechtstreeks beantwoord (Niet in het Bulletin opgenomen wegens omvang)

Bij de volgende vragen is het gedetailleerde antwoord vanwege de grote omvang rechtstreeks naar het Kamerlid gestuurd en niet in het Bulletin gepubliceerd. De documenten zijn opvraagbaar bij de griffie van de Kamer:

  • Vraag 959 (Marijke Dillen): Cijfers en nationaliteiten van illegalen in de gevangenissen gedurende 2025.
  • Vraag 961 (Anthony Dufrane): Gedetailleerde statistieken over partnergeweld, agressie in partnerrelaties en femicide sinds 2020.
  • Vraag 964 (Marijke Dillen): Cijfers over zelfdoding en pogingen tot zelfdoding in gevangenissen sinds 2020.
  • Vraag 969 (Marijke Dillen): Gedetailleerde cijfers over de uitstroom van geïnterneerden naar zorginstellingen (zoals FPC's) sinds 2020.
  • Vraag 971 (Marijke Dillen): Overzicht van aanwervingen en vertrokken personeelsleden in gevangenissen sinds 2023.
  • Vraag 973 (Marijke Dillen): Cijfers en nationaliteiten van gedetineerden met een buitenlandse nationaliteit in 2025.
  • Vraag 974 (Marijke Dillen): Cijfers over het aantal grondslapers per gevangenis sinds 2023.


zaterdag 8 augustus 2026

Arrest Hof van Beroep Gent - Waarom een nieuwe nummerplaat u duizenden euro’s aan verkeersbelasting kan kosten: De les van het Hof van Beroep

Waarom een nieuwe nummerplaat u duizenden euro’s aan verkeersbelasting kan kosten: De les van het Hof van Beroep

Arrest

1. Inleiding: Een dure administratieve handeling

Stelt u zich voor: u bezit al decennia hetzelfde voertuig. Om administratieve redenen, of misschien om eindelijk over te stappen naar een 'O-plaat' voor uw trouwe oldtimer, besluit u uw huidige nummerplaat in te leveren en een nieuwe aan te vragen. Voor de meeste automobilisten voelt dit als een loutere formaliteit. Voor de belastingplichtige J.C.B. draaide deze handeling echter uit op een financiële koude douche.

J.C.B. bezat een voertuig dat al sinds januari 1997 onafgebroken op zijn naam stond. In januari 2022 besloot hij de oude plaat te schrappen en een nieuwe nummerplaat aan te vragen. Hoewel de auto fysiek niet veranderde, stuurde de Vlaamse Belastingdienst (Vlabel) hem kort daarna een aanslagbiljet van maar liefst € 1.703,15. Hoe kan een wagen die al 25 jaar in bezit is, plotseling zo zwaar belast worden? De kern van het probleem ligt bij de vraag waarom de fiscus een herinschrijving van hetzelfde voertuig als een volledig nieuw, en dus anders belastbaar, feit beschouwt.

2. De inschrijving is de enige juridische 'trigger'

Binnen de Vlaamse belastingwetgeving is niet het loutere bezit van een auto het cruciale punt, maar de administratieve status ervan in het voertuigenrepertorium. Het Hof van Beroep te Gent verduidelijkte in het arrest van 21 april 2026 de wisselwerking tussen de verschillende artikelen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit (VCF). Waar Artikel 2.2.2.0.1 VCF het belastbaar feit zelf definieert, wijst Artikel 2.2.4.0.1 VCF de belastingplichtige aan op basis van de inschrijving.

Het Hof oordeelde dat de wettekst op dit punt "duidelijk en ondubbelzinnig" is. De juridische trigger voor de belasting is de inschrijving zelf, niet de historiek van de eigenaar. In het arrest stelde het Hof:

"Deze bepaling van het belastbaar feit is duidelijk. Ze houdt niets anders in dan dat het 'ontstaan' van de belasting wordt bepaald door de inschrijving en dat dit blijft duren tot 'zolang' die inschrijving bestaat of moet bestaan. De belasting is dus verschuldigd op grond van de bestaande inschrijving."

Zodra een specifieke inschrijving wordt stopgezet, eindigt de fiscale status die daaraan gekoppeld was. Elke nieuwe inschrijving wordt juridisch beschouwd als een vers moment waarop de belasting opnieuw ontstaat.

3. Het 'onderbroken' verleden – Waarom 25 jaar trouw niet telt

De eiser in deze zaak voerde aan dat de wagen al sinds 17 januari 1997 in zijn bezit was en dat deze historiek gerespecteerd moest worden. De fiscus en de rechter oordeelden echter dat deze fiscale historiek definitief werd gewist op 20 januari 2022, de dag dat J.C.B. zijn oorspronkelijke plaat officieel liet schrappen.

Hoewel de nieuwe inschrijving al volgde op 31 januari 2022, ontstond er een juridisch vacuüm van 11 dagen. Gedurende deze korte periode hield het voertuig op te bestaan in het fiscale repertorium. Er bestaat volgens het Hof geen enkele rechtsgrond om de gunstige belastingregels van 1997 over te hevelen naar een inschrijving uit 2022. Voor de wet is het voertuig op 31 januari 2022 als een "blanco blad" in het systeem verschenen, ongeacht de decennialange voorgeschiedenis.

4. De onverbiddelijke intrede van CO2 en Euronormen

Waarom is die nieuwe start zo pijnlijk? Dat heeft alles te maken met het Decreet van 18 december 2015, dat op 1 januari 2016 in werking trad. Dit decreet markeerde een fundamentele verschuiving in de Vlaamse verkeersbelasting: van een berekening louter gebaseerd op fiscale paardenkracht (PK), naar een systeem gebaseerd op milieu-impact.

Omdat de nieuwe inschrijving in 2022 plaatsvond, viel het voertuig onmiddellijk onder dit strengere regime. De belasting wordt sindsdien bij elke (her)inschrijving berekend op basis van:

  • CO2-uitstoot
  • Euronorm

De eiser probeerde dit te pareren met een technisch argument over 'homologatie'. Hij stelde dat voor de milieunormen gekeken moet worden naar de datum van de eerste ingebruikname (1997). Het Hof maakte hier echter een essentieel onderscheid: de technische homologatienormen die bepalen welke uitstoot een auto heeft, staan volledig los van de fiscale regels die bepalen wanneer en hoe die uitstoot belast wordt. De technische status van de wagen mag dan oud zijn, het belastbaar feit is splinternieuw.

5. De schrapping is definitief (furaat non dat)

Een cruciale les voor elke burger is de onomkeerbaarheid van een schrapping. Door de nummerplaat op 20 januari 2022 terug te sturen, activeerde de eigenaar zelf het einde van zijn oude fiscale status. Hij gaf daarmee onbewust zijn 'verworven rechten' op het oude, lagere tarief op.

De Vlaamse Belastingdienst (Vlabel) werkt hierbij niet met handmatige dossiers, maar met een geautomatiseerde koppeling aan de DIV-databank. Elke schrapping en elke nieuwe aanvraag fungeert als een digitaal signaal. Zodra het systeem een nieuwe inschrijving registreert, wordt de berekeningsmodule van na 2016 automatisch toegepast. Voor de computer van Vlabel is er geen verschil tussen een gloednieuwe wagen en een herinschrijving van een oud voertuig; beide zijn nieuwe belastbare feiten.

6. Conclusie: Kijk uit voordat u uw plaat vervangt

Het arrest van het Hof van Beroep is een krachtige herinnering aan de strikte interpretatie van de fiscale wetgeving: de fiscus belast de inschrijving, niet de fysieke wagen of de eigenaar. Een ogenschijnlijk kleine administratieve wijziging, zoals de overstap naar een 'O-plaat' of een gepersonaliseerde plaat, kan de fiscale status van uw voertuig volledig herstarten en u in het huidige, strengere milieuregime dwingen.

Voordat u uw oude plaat inlevert, doet u er dus goed aan om de fiscale gevolgen door een expert te laten berekenen. Is de esthetische of administratieve waarde van die nieuwe plaat u een mogelijke verhoging van de verkeersbelasting met factor tien wel waard? Voor J.C.B. bleek de administratieve wissel een bittere pil van meer dan 1.700 euro, een bedrag dat hij elk jaar opnieuw zal moeten betalen zolang de nieuwe inschrijving loopt.

woensdag 5 augustus 2026

Wet overbevolking gevangenissen

Bron

Wet en voorbereidende werkzaamheden downloaden

Wat is de directe aanleiding en het hoofddoel van deze nieuwe wet van 22 juli 2026?

De Belgische gevangenissen kampen met een diepe crisis en een aanhoudende structurele overbevolking, waardoor honderden gedetineerden op een matras op de grond moeten slapen. Het hoofddoel van de Wet van 22 juli 2026 is om deze mensonwaardige omstandigheden zo snel mogelijk en op een veilige, gecontroleerde manier af te bouwen door de gevangenispopulatie direct te verminderen.


Hoe werkt de maatregel rond het automatische elektronische toezicht?

Dit is een tijdelijke noodmaatregel waarbij bepaalde categorieën veroordeelden van rechtswege (automatisch) elektronisch toezicht (een enkelband) toegewezen krijgen zodra zij aan objectieve voorwaarden voldoen. Omdat de toekenning door de wet zelf is vastgelegd, heeft de gevangenisdirecteur hierin geen discretionaire beoordelingsruimte; hij verifieert enkel of de voorwaarden zijn vervuld.

De belangrijkste regels hiervoor zijn:

  • Doelgroep: Veroordeelden met een straftotaal tot 18 maanden komen onmiddellijk in aanmerking. Veroordeelden met een straf van meer dan 18 maanden tot 10 jaar komen in aanmerking zodra ze zich op 18 maanden voor hun strafeinde bevinden én de toelaatbaarheidsdatum voor voorwaardelijke invrijheidstelling hebben bereikt.
  • Objectieve voorwaarden: De veroordeelde moet over een verblijfplaats beschikken en de meerderjarige huisgenoten op dat adres moeten zich akkoord verklaren. Het mag onder geen beding gaan om het adres waar een slachtoffer verblijft (bijvoorbeeld bij intrafamiliaal geweld).
  • Verlof: De toekenning omvat automatisch het wettelijke minimum aan penitentiair verlof (viermaal 36 uur per trimester).
  • Controle: Voor straffen tot 3 jaar wordt de strafuitvoering geschorst in afwachting van de aansluiting. Voor straffen boven de 3 jaar blijft de veroordeelde in de cel tot de aansluiting, om de veiligheid te garanderen. Achteraf (binnen twee maanden) toetst de strafuitvoeringsrechter (SUR/SURB) of de toekenning aan alle wettelijke voorwaarden voldeed.

Welke veroordeelden zijn uitgesloten van dit automatische elektronische toezicht?

Om de maatschappelijke veiligheid te garanderen, gelden er strikte uitsluitingsgronden. Er is geen recht op een automatische enkelband voor:

  • Veroordeelden voor terroristische misdrijven, zedenfeiten of personen die tekenen vertonen van gewelddadig extremisme.
  • Veroordeelden voor zware geweldsdelicten of inbreuken op de drugswetgeving.
  • Veroordeelden die onderworpen zijn aan een terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank (TBS).
  • Vorenoemde personen zonder wettig verblijfsrecht in België (tenzij de Dienst Vreemdelingenzaken binnen 10 dagen laat weten dat zij niet direct gerepatrieerd of naar een gesloten centrum gebracht kunnen worden).
  • Veroordeelden wiens enkelband of eerdere strafuitvoeringsmodaliteit zeer recent (binnen 2 maanden) is herroepen.

Wat zijn de belangrijkste verschillen tussen de eerste ontwerpen en de uiteindelijke wet die nu telt?

Tijdens de parlementaire behandeling zijn er via amendementen cruciale wijzigingen aangebracht in het oorspronkelijke wetsontwerp. Omdat alleen de uiteindelijke wet van 22 juli 2026 rechtskracht heeft, moeten we rekening houden met deze verschillen:

  • Uitgestelde inwerkingtreding: Het oorspronkelijke ontwerp ging uit van een onmiddellijke inwerkingtreding bij publicatie. De definitieve wet bepaalt in artikel 23 dat de wet pas in werking treedt op 1 oktober 2026. Dit uitstel werd besloten om de justitiehuizen, gemeenschappen en ICT-diensten de nodige voorbereidingstijd te geven om alles organisatorisch op te zetten.
  • Expliciete uitsluiting van TBS-veroordeelden: In het eerste wetsontwerp waren TBS-veroordeelden niet expliciet uitgesloten. De definitieve wet voegt deze uitsluiting in artikel 8 expliciet toe om de maatschappelijke veiligheid te bewaken en de lijn met andere noodprocedures door te trekken.
  • Verduidelijking van de ministerraadsmachtiging: De oorspronkelijke tekst bevatte een vage "en/of"-formulering over de bevoegdheid van de Koning om uitsluitingen (zoals voor drugs- en geweldsdelicten) tijdelijk op te schorten bij aanhoudende beddennood. De definitieve wet verduidelijkt dat de Koning de keuze heeft om één of beide uitsluitingsbepalingen geheel of gedeeltelijk niet toe te passen.
  • Eenduidige terminologie: De term "beschikbare detentiecapaciteit" uit de voorbereidende documenten is in de wet overal vervangen door "beschikbare penitentiaire capaciteit" ter wille van de rechtszekerheid.

Welke maatregelen zijn er genomen voor de versnelde terugkeer van vreemdelingen zonder verblijfsrecht?

De wet versnelt en versterkt het repatriëringsproces om te voorkomen dat gedetineerden zonder verblijfsrecht onnodig lang gevangeniscapaciteit bezetten:

  • Permanente uitbreiding: De termijn waarbinnen een illegaal verblijvende gedetineerde kan worden gerepatrieerd zonder tussenkomst van de strafuitvoeringsrechter, is permanent verruimd van 6 naar 12 maanden voor het einde van de straf.
  • Tijdelijke noodmaatregel: Veroordeelden met een straftotaal van 3 jaar of minder kunnen, zodra zij één derde van hun straf hebben uitgezeten, direct worden gerepatrieerd zodra hun herkomstland een laissez-passer aflevert, zonder dat de strafuitvoeringsrechter een beslissing hoeft te nemen. Dit geldt tot 1 juni 2030 en sluit zeden- en terrorismeplegers uit.

Hoe wordt de vervroegde invrijheidstelling wegens overbevolking (VIO) aangepast?

De bestaande VIO-regeling (waarbij gevangenen tot 6 maanden voor strafeinde vervroegd kunnen vrijkomen) wordt als noodmaatregel verlengd tot en met 31 december 2027. Tegelijkertijd wordt de regeling echter strenger ingeperkt: zij geldt voortaan uitsluitend voor gedetineerden met een straftotaal van maximaal 3 jaar. Voor veroordeelden met een langere gevangenisstraf is de regeling stopgezet om de veiligheid te garanderen. Reeds toegekende vrijlatingen aan personen met een langere straf behouden wel hun geldigheid.


Op welke manier verandert het risicokader van de strafuitvoeringsrechter?

In de reguliere noodprocedures is het beoordelingskader voor de strafuitvoeringsrechter objectiever gemaakt. Het vage criterium "direct waarneembaar risico" voor de fysieke integriteit van derden is vervangen door "concreet waarneembaar risico". Dit risico moet gebaseerd zijn op een actuele inschatting van recente gedragingen gesteld sinds de veroordeling. De rechter mag zijn weigering dus niet meer baseren op louter oude strafregisters of het ontbreken van reclasseringsplannen. Om dit zorgvuldig te kunnen doen, is de adviestermijn voor het Openbaar Ministerie verlengd van 5 naar 10 werkdagen zodat politieverslagen tijdig opgevraagd kunnen worden.


Welke specifieke wijzigingen zijn er voor geïnterneerden doorgevoerd?

Om de instroom en heropname van geïnterneerden in gevangenissen te beperken, gelden er nieuwe regels:

  • Een geïnterneerde mag niet langer onmiddellijk worden opgesloten of na herroeping naar een gevangenis worden gestuurd louter omdat men vreest dat hij een gevaar vormt voor zichzelf (zoals suïcidaal gedrag). Zorgbehoeften moeten therapeutisch in een zorginstelling worden behandeld.
  • Opname in of terugkeer naar een penitentiaire instelling na herroeping of schorsing van de proeftijd is alleen nog toegestaan als de geïnterneerde een ernstig gevaar vormt voor de fysieke of psychische integriteit van derden. In alle andere gevallen moet hij worden ondergebracht in een zorginstelling buiten de gevangenis.
  • Wanneer een modaliteit wordt herroepen, moet er binnen een termijn van maximaal 3 maanden (voorheen 1 jaar) een nieuw advies worden uitgebracht, zodat het zorg- en reclasseringstraject zo min mogelijk wordt onderbroken.

.

Hieronder vind je de vergelijkingstabel waarin de belangrijkste verschillen tussen het initiële wetsontwerp en de definitieve, bekrachtigde wet van 22 juli 2026 helder naast elkaar staan. Deze wijzigingen zijn tijdens de parlementaire behandeling via amendementen aangebracht om de wet juridisch robuuster te maken en tegemoet te komen aan praktische bezwaren van de deelstaten.

Initiële Wetsontwerp vs. Uiteindelijke Wet van 22 juli 2026

Onderwerp / Artikel

Initieel Wetsontwerp (16 juni 2026)

Uiteindelijke Wet (22 juli 2026)

Toelichting & Context

Datum van Inwerkingtreding *(Artikel 23)*

De wet zou onmiddellijk in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.

De inwerkingtreding is uitgesteld naar 1 oktober 2026.

Dit uitstel is besloten op expliciete vraag van de gemeenschappen om de justitiehuizen, ICT-diensten en het terrein de nodige tijd te geven voor organisatorische en materiële aanpassingen.

Uitsluiting TBS-veroordeelden *(Artikel 8 / Art. 98/27/1, § 2)*

Veroordeelden met een terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank (TBS) waren niet expliciet uitgesloten van het elektronisch toezicht van rechtswege.

TBS-veroordeelden zijn expliciet uitgesloten onder paragraaf 2, eerste lid, 4°.

Toegevoegd via een aangenomen amendement om de maatschappelijke veiligheid te garanderen. Deze uitsluiting trekt de lijn door met de bestaande noodprocedures en de vervroegde invrijheidstelling wegens overbevolking.

Machtiging van de Koning *(Artikel 8 / Art. 98/27/1, § 3)*

Bevatte een onduidelijke "en/of"-formulering bij de machtiging aan de Koning om uitsluitingen (zoals voor drugs- of geweldsdelicten) tijdelijk niet toe te passen bij aanhoudende beddennood.

De formulering is verduidelijkt naar "één of beide uitsluitingsbepalingen".

De Juridische Dienst wees erop dat "en/of" verwarring schiep over de vraag of de uitsluitingen alleen als pakket of ook afzonderlijk konden worden opgeschort. Het amendement bevestigt dat de Koning de keuze heeft om één van beide of beide bepalingen niet toe te passen.

Terminologie Capaciteit *(Artikel 8 / Art. 98/27/1, § 3)*

Er werd in de tekst gesproken over de beschikbare "detentiecapaciteit".

Dit is uniform gewijzigd naar de beschikbare "penitentiaire capaciteit".

Deze wijziging werd doorgevoerd ter bevordering van de rechtszekerheid, zodat de wet overal dezelfde eenduidige terminologie gebruikt als elders in de strafuitvoeringswetgeving.

 

De definitieve Wet van 22 juli 2026 voorziet in een aantal zeer strikte en specifieke uitsluitingsgronden voor de toekenning van het automatische elektronische toezicht (de enkelband van rechtswege):

  1. Gespecialiseerd advies vereist (art. 32 WERP): Veroordeelden voor wie een gespecialiseerd advies verplicht is, zijn uitgesloten. Dit betreft:
    • Veroordeelden voor zedendelicten.
    • Veroordeelden voor terroristische misdrijven.
    • Personen die tekenen vertonen van gewelddadig extremisme.
  2. Zware geweldsdelicten: Veroordeelden die een gevangenisstraf uitzitten voor ernstige geweldsfeiten (als bedoeld in artikel 98/19, tweede lid van de wet).
  3. Inbreuken op de drugswetgeving: Personen die een straf ondergaan voor drugsgerelateerde misdrijven onder de wet van 24 februari 1921.
  4. Terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank (TBS): Veroordeelden die het voorwerp uitmaken van een TBS zijn expliciet uitgesloten. Let op: Dit was een cruciaal verschil met het initiële wetsontwerp, waarin deze groep nog niet was uitgesloten. Dit is via een parlementair amendement in de definitieve wet verankerd om de openbare veiligheid extra te waarborgen.
  5. Geen wettig verblijfsrecht: Veroordeelden zonder recht op verblijf in België zijn in principe uitgesloten. Zij komen er enkel voor in aanmerking indien de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) binnen 10 dagen na de kennisgeving door de gevangenisdirecteur meedeelt dat de betrokkene niet onmiddellijk kan worden verwijderd of overgebracht naar een gesloten centrum.
  6. Recente herroeping, voorlopige aanhouding of schorsing:
    • Veroordeelden van wie een eerdere strafuitvoeringsmodaliteit is herroepen, zijn gedurende twee maanden na de tenuitvoerlegging van dat herroepingsvonnis uitgesloten van een automatische enkelband.
    • Deze uitsluiting geldt ook al tijdens de periode van voorlopige aanhouding of schorsing die voorafgaat aan een eventuele herroeping.
  7. Verblijfsadres bij het slachtoffer: Hoewel dit strikt genomen een toekenningsvoorwaarde is en geen persoonsgebonden uitsluiting, blokkeert het verblijfsadres de toekenning van rechtswege indien het slachtoffer van de feiten (bijvoorbeeld bij intrafamiliaal geweld) op dat adres verblijft. De veroordeelde kan dan enkel aanspraak maken op de enkelband als hij een ander, veilig verblijfsadres voorstelt.

De Kern van de Maatregel

De versnelde repatriëring is een tijdelijke bijkomende noodmaatregel (vastgelegd in hoofdstuk III van titel XIIquater van de wet). Deze regeling is specifiek ontworpen voor verwijderbare gedetineerden (vreemdelingen zonder wettig verblijfsrecht) met een straftotaal van maximaal drie jaar.

Onder deze regeling kunnen zij al effectief uit het land worden verwijderd zodra zij één derde van hun gevangenisstraf(fen) hebben ondergaan.


Geen tussenkomst van de Strafuitvoeringsrechter (SUR)

De essentie van het "versnelde" karakter ligt in het feit dat de normale rechterlijke procedures worden omzeild om snelheid te winnen:

  • Directe invrijheidstelling: Er hoeft geen formele beslissing tot voorlopige invrijheidstelling door de strafuitvoeringsrechter te worden genomen. De minister van Justitie (of diens gemachtigde) verleent rechtstreeks de invrijheidstelling met het oog op verwijdering.
  • Administratieve vereisten: De veroordeelde moet wel het voorwerp uitmaken van een reeds uitvoerbaar koninklijk besluit tot uitzetting, een uitvoerbaar ministerieel besluit tot terugwijzing, of een uitvoerbaar bevel tot verlaten van het grondgebied met het bewijs van effectieve verwijdering.
  • Snellere procedure: De feitelijke verwijdering kan direct worden uitgevoerd zodra het land van herkomst een laissez-passer (reisdocument) heeft afgeleverd. Dit zorgt ervoor dat diplomatiek overleg, identificatie en de opmaak van documenten veel sneller en vroeger dan voorheen kunnen worden opgestart.

Strikte Uitsluitingen

Om de maatschappelijke veiligheid te waarborgen, gelden voor deze noodmaatregel strenge uitsluitingscriteria. Veroordeelden voor wie op grond van artikel 32 van de wet een gespecialiseerd advies vereist is, zijn volledig uitgesloten van deze versnelde regeling. Dit betreft:

  • Veroordeelden voor zedenfeiten.
  • Veroordeelden voor terroristische misdrijven.
  • Personen die tekenen vertonen van gewelddadig extremisme.

Geldigheidsduur van de Noodmaatregel

Omdat het om een uitzonderlijke noodmaatregel gaat om de acute beddennood op te lossen, is de geldigheidsduur wettelijk begrensd:

  • De regeling is in principe van toepassing tot 1 juni 2030.
  • De Koning heeft echter de bevoegdheid om deze maatregel vervroegd stop te zetten via een in de Ministerraad overlegd koninklijk besluit, nadat de beschikbare penitentiaire capaciteit en de instroom van de gedetineerdenbevolking zijn geëvalueerd.

Wat gebeurt er bij een illegale terugkeer naar België?

De wet bevat een strenge achtervang om te voorkomen dat de maatregel tot straffeloosheid leidt voor wie probeert terug te keren:

  • Als de veroordeelde binnen twee jaar na de invrijheidstelling terugkeert naar België zonder in regel te zijn met de verblijfswetgeving, kan de procureur des Konings diens voorlopige aanhouding bevelen.
  • De minister (of gemachtigde) moet vervolgens binnen zeven dagen na deze aanhouding een beslissing nemen om de betrokkene het resterende gedeelte van de straf alsnog te laten uitzitten. Deze beslissing wordt binnen één werkdag schriftelijk meegedeeld aan de veroordeelde, de procureur des Konings en de gevangenisdirecteur.

 

donderdag 23 juli 2026

Circulaire meerwaardebelasting Fisconet

Bron:

Deze gids legt de complexe regelgeving van de nieuwe Belgische meerwaardebelasting op financiële activa (de zogenaamde "solidariteitsbijdrage") op een eenvoudige en gestructureerde manier uit, zodat u exact weet waar u aan toe bent.


1. Wat is de nieuwe meerwaardebelasting?

De belasting is ingevoerd naar aanleiding van het regeerakkoord van 4 februari 2025 en definitief verankerd in de wet van 6 april 2026. Sinds 1 januari 2026 betaalt u als particulier in bepaalde gevallen belastingen op de winst (meerwaarde) die u maakt bij de verkoop van financiële activa (zoals aandelen, obligaties, crypto of goud).

De belangrijkste circulaire hierover (Circulaire 2026/C/74) focust uitsluitend op de regels binnen de personenbelasting. De vennootschapsbelasting blijft ongewijzigd en niet-inwoners vallen buiten schot.


2. Wie moet deze belasting betalen?

De belasting is in principe verschuldigd door de volle eigenaar of de blote eigenaar van de financiële activa.

  • Vruchtgebruikers (die bijvoorbeeld enkel recht hebben op de dividenden) worden niet belast. Als een gesplitst aandeel (blote eigendom + vruchtgebruik) wordt verkocht, wordt de volledige meerwaarde toegerekend aan de blote eigenaar.
  • Gehuwden: Als de activa gemeenschappelijk zijn volgens uw huwelijksstelsel, moet de meerwaarde 50/50 door beide echtgenoten worden aangegeven. Zijn de activa uw eigen bezit, dan geeft u ze voor 100% zelf aan (ook al heeft uw partner bij een eventuele echtscheiding later een 'vermogensaanspraak' op de waarde ervan).
  • Minderjarigen: Als een minderjarig kind eigenaar is van activa, is de belasting in zijn of haar eigen hoofde verschuldigd. Het kind kan dan wel zelfstandig gebruikmaken van de belastingvrije som en de vrijstellingen.

3. Wanneer is een meerwaarde "verwezenlijkt"?

De belasting is van toepassing op alle winsten die worden gemaakt vanaf 1 januari 2026.

  • Het moment van verkoop is bepalend, niet de betaling. Zodra het actief uw vermogen verlaat in ruil voor een tegenwaarde, is de meerwaarde "verwezenlijkt". Als de koper u pas later (gespreid) betaalt, heeft dat geen invloed op het jaar waarin u belast wordt.
  • Uitgestelde betalingen van verkopen die vóór 2026 zijn gebeurd, zijn dus volledig belastingvrij.
  • Voor beurstransacties geldt de transactiedatum ("trade date") als de datum van verkoop, en niet de latere afwikkelingsdatum ("settlement date").

4. De drie types van overdrachten

De fiscus verdeelt de belastbare verkopen onder in drie categorieën. Een verkoop kan slechts in één categorie vallen, waarbij de specifieke categorieën (Type A en B) altijd voorrang hebben op de restcategorie (Type C):

🅰️ Type A: Interne meerwaarden (Tarief: 33%)

Dit type viseert specifieke interne herstructureringen waarbij u aandelen verkoopt of inbrengt in een vennootschap die u zelf (of samen met uw naaste familie) controleert.

  • Tarief: 33% (exclusief gemeentelijke opcentiemen).
  • Uitzondering: Een inbreng van aandelen (bijvoorbeeld in een holding) is onder specifieke voorwaarden tijdelijk vrijgesteld van belasting.
  • Aangifte: Er wordt geen bronheffing (roerende voorheffing) ingehouden aan de bron; u moet deze meerwaarde verplicht zelf aangeven in uw personenbelasting.

🇧 Type B: Aanmerkelijk belang (Tarief: progressief van 1,25% tot 10%)

Dit gunstige regime geldt wanneer u een groot pakket aandelen (een participatie van minstens 20% van de rechten in een vennootschap) verkoopt.

  • Vrijstelling tot 1 miljoen euro: De eerste 1.000.000 euro aan cumulatieve meerwaarde is volledig vrijgesteld van belasting. Dit werkt via een "rugzaksysteem" dat u flexibel kunt opgebruiken over een periode van 5 opeenvolgende jaren.
  • Getrapt tarief: Op het deel boven de 1 miljoen euro betaalt u een zeer lage, progressieve belasting:
    • Schijf van 0 tot 2,5 miljoen euro: 1,25%
    • Schijf van 2,5 tot 5 miljoen euro: 2,5%
    • Schijf van 5 tot 10 miljoen euro: 5%
    • Schijf boven 10 miljoen euro: 10%
  • Aangifte: Ook hier is er geen automatische inhouding aan de bron; u geeft dit zelf aan in uw belastingaangifte.

🇨 Type C: Het algemeen regime / de restcategorie (Tarief: 10%)

Dit is de categorie waar de meeste burgers mee te maken krijgen. Ze omvat alle overige financiële activa, waaronder reguliere aandelen, obligaties, cryptoactiva en beleggingsgoud.

  • Tarief: Een vast tarief van 10%.
  • De Basisvrijstelling: Elk jaar heeft u recht op een belastingvrije drempel. De wettelijke basisvrijstelling bedraagt 4.855 euro, maar door de indexering is de vrijstelling voor het aanslagjaar 2027 vastgelegd op 10.000 euro. Maakt u in een jaar minder dan 10.000 euro winst? Dan betaalt u 0 euro belasting.
  • De Aanvullende Vrijstelling: Naast de basisvrijstelling kunt u elk jaar een extra korfje opbouwen. Dit basisbedrag van 480 euro is voor het aanslagjaar 2028 geïndexeerd naar 1.000 euro. De opgebouwde aanvullende vrijstelling kan in één jaar tot maximaal 2.426 euro (basisbedrag, ook te indexeren) worden opgebruikt.
  • Aangifte: In sommige gevallen kan er een roerende voorheffing van 10% worden ingehouden aan de bron. Als burger kunt u er echter voor kiezen om dit niet te laten doen (een opt-out) en de winst zelf op te nemen in uw belastingaangifte. Cryptoactiva en beleggingsgoud moeten altijd verplicht via de aangifte worden aangegeven.

5. Het "Fotomoment" op 31 december 2025

Een van de belangrijkste spelregels is dat historische meerwaarden volledig zijn vrijgesteld. Winsten die u vóór 2026 heeft opgebouwd, worden dus nooit belast.

  • Om dit praktisch mogelijk te maken, is er een "fotomoment" op 31 december 2025 ingevoerd. De waarde van uw financiële activa op die specifieke dag geldt als uw nieuwe "aanschaffingswaarde".
  • Voorbeeld: Heeft u in 2020 een aandeel gekocht voor € 100, stond dit op 31 december 2025 op € 150, en verkoopt u het in 2027 voor € 180? Dan is de belastbare meerwaarde slechts € 30 (€ 180 - € 150). De € 50 winst van vóór 2026 is definitief veiliggesteld.
  • Uitzondering (aanschaffingswaarde op verzoek): Voor activa die u vóór 2026 heeft gekocht en die u uiterlijk op 31 december 2030 verkoopt, kunt u op verzoek de werkelijke (historische) aankoopprijs gebruiken in plaats van de waarde op het fotomoment. Dit is uiterst interessant als de koers op 31 december 2025 historisch laag stond en uw oorspronkelijke aankoopprijs veel hoger lag, zodat u de belastbare meerwaarde tot nul kunt herleiden.

6. Wat als u verlies maakt? (Minderwaarden)

Als u na 1 januari 2026 verlies maakt bij een verkoop, mag u dit verlies onder strikte voorwaarden aftrekken van uw belastbare meerwaarden.

  • De voorwaarden: Het verlies (de minderwaarde) kan enkel worden verrekend als:
    1. Het verlies is geleden in hetzelfde belastbare tijdperk (hetzelfde jaar);
    2. Het verlies is geleden door dezelfde belastingplichtige;
    3. Het verlies valt binnen dezelfde categorie van activa. Voorbeeld: Een verlies op cryptoactiva kan enkel worden gecompenseerd met winsten uit andere cryptoactiva, en niet met winsten uit reguliere aandelen of obligaties.

7. Exit taks: Wat als u emigreert?

Als u als Belgische rijksinwoner besluit om uw woonplaats of vermogen naar het buitenland over te brengen, kan er een exit taks van 10% worden geheven op de latente (nog niet gerealiseerde) meerwaarden van uw activa.

  • Automatisch uitstel van betaling: Gelukkig voorziet de wet in een automatisch uitstel van betaling als u verhuist naar een andere lidstaat van de Europese Unie (EU) of de Europese Economische Ruimte (EER), of een land waarmee België een verdrag heeft gesloten.
  • Behoud van het uitstel: U behoudt dit uitstel zolang u gedurende een "verdachte" periode van 24 maanden na uw vertrek aan de voorwaarden blijft voldoen (zoals het permanent aanhouden van de activa en het indienen van een jaarlijks attest). Keert u daarna terug of verkoopt u de activa niet, dan vervalt de betalingsverplichting uiteindelijk definitief.

Om de werking van de nieuwe Belgische meerwaardebelasting op financiële activa volledig te begrijpen, volgen hieronder gedetailleerde en concrete cijfervoorbeelden voor elk van de drie categorieën (Type A, B en C), gebaseerd op de officiële richtlijnen van Circulaire 2026/C/74.


🅰️ Categorie A: Interne meerwaarden

Deze categorie is van toepassing wanneer u aandelen van uw eigen vennootschap (waarin u of uw familie controle uitoefent) overdraagt of verkoopt aan bijvoorbeeld uw eigen holding.

  • De spelregels: De meerwaarde wordt belast tegen een vast tarief van 33%. Er is geen roerende voorheffing aan de bron; u moet deze winst verplicht zelf opnemen in uw belastingaangifte. Er worden hierop geen gemeentelijke opcentiemen geheven.

🧮 Cijfervoorbeeld:

U heeft in 2020 aandelen van uw werkvennootschap opgericht of gekocht voor € 50.000. Op het fotomoment van 31 december 2025 stonden deze aandelen gewaardeerd op € 120.000. In mei 2026 verkoopt u deze aandelen aan uw nieuw opgerichte familiale holding voor € 200.000.

  1. Berekening van de fiscale meerwaarde: De historische winst van vóór 2026 (€ 120.000 - € 50.000 = € 70.000) is volledig vrijgesteld. We rekenen vanaf de waarde op het fotomoment: \[\text{Belastbare meerwaarde} = € 200.000 \text{ (verkoopprijs)} - € 120.000 \text{ (fotomoment)} = € 80.000\]
  2. Berekening van de belasting: \[\text{Verschuldigde belasting (33%)} = € 80.000 \times 33% = € 26.400 \text{}\] U geeft dit bedrag aan in uw belastingaangifte en betaalt uiteindelijk € 26.400 belasting.

🇧 Categorie B: Meerwaardebepaling op aanmerkelijke belangen (participatie van \(\ge\) 20%)

Deze categorie treedt in werking wanneer u aandelen verkoopt waarin u rechtstreeks (of onrechtstreeks) een belang van minstens 20% heeft in de vennootschap.

  • De spelregels:
    • U geniet van een vrijstelling op de eerste € 1.000.000 aan gecumuleerde meerwaarden. Deze vrijstelling is een "rugzak" die u kunt opgebruiken over een rollende periode van 5 opeenvolgende jaren.
    • Op het deel boven de € 1.000.000 betaalt u progressieve (zeer lage) getrapte tarieven:
      • Schijf tot € 2.500.000: 1,25%
      • Schijf van € 2.500.000 tot € 5.000.000: 2,5%
      • Schijf van € 5.000.000 tot € 10.000.000: 5%
      • Schijf boven € 10.000.000: 10%

🧮 Cijfervoorbeeld 1: Het rollende "rugzaksysteem" over meerdere jaren

U bezit 30% van de aandelen van een familiale KMO en verkoopt delen hiervan over een aantal jaren met de volgende meerwaarden (gerekend vanaf de aanschaffingswaarde of het fotomoment):

  • Jaar X: Meerwaarde van € 500.000.
  • Jaar X+1: Meerwaarde van € 500.000.
  • Jaar X+2: Meerwaarde van € 500.000.
  • Jaar X+5: Meerwaarde van € 1.000.000.

De belastingafhandeling per jaar:

  1. Jaar X: De meerwaarde van € 500.000 is volledig vrijgesteld. (In uw rugzak zit nu nog € 500.000 aan vrijstelling).
  2. Jaar X+1: De meerwaarde van € 500.000 is volledig vrijgesteld. (De totale vrijstelling van € 1.000.000 is nu volledig opgebruikt).
  3. Jaar X+2: U kunt geen vrijstelling meer toepassen. De € 500.000 wordt belast tegen het basistarief van 1,25%: \[\text{Belasting Jaar X+2} = € 500.000 \times 1,25% = € 6.250\]
  4. Jaar X+5: Dit jaar valt buiten de periode van 5 opeenvolgende belastbare tijdperken vanaf Jaar X (die liep van Jaar X t.e.m. Jaar X+4). Hierdoor vervalt de in Jaar X gebruikte vrijstelling (€ 500.000) voor de lopende berekening, waardoor er opnieuw € 500.000 aan vrijstellingsruimte vrijkomt in uw rugzak.
    • Van de € 1.000.000 meerwaarde in Jaar X+5 is € 500.000 vrijgesteld.
    • De resterende € 500.000 wordt belast tegen 1,25%: \[\text{Belasting Jaar X+5} = € 500.000 \times 1,25% = € 6.250 \text{}\]

🧮 Cijfervoorbeeld 2: Grote transactie met de progressieve tariefschijven

U verkoopt uw grote participatie van 40% in één keer. Dit levert in het belastbaar tijdperk X een gecumuleerde meerwaarde op van € 4.000.000.

  1. Toepassing van de vrijstelling: De eerste € 1.000.000 is volledig vrijgesteld.
  2. Belastbare basis: Er blijft een te belasten saldo over van € 3.000.000 (€ 4.000.000 - € 1.000.000).
  3. Toepassing progressieve schijven:
    • Schijf 1 (tot € 2.500.000): € 2.500.000 wordt belast tegen 1,25%: \[€ 2.500.000 \times 1,25% = € 31.250 \text{}\]
    • Schijf 2 (van € 2.500.000 tot € 5.000.000): Het resterende deel van de meerwaarde bedraagt € 500.000 (€ 3.000.000 - € 2.500.000). Dit deel wordt belast tegen 2,5%: \[€ 500.000 \times 2,5% = € 12.500 \text{}\]
  4. Totale verschuldigde belasting: \[\text{Totale belasting} = € 31.250 + € 12.500 = € 43.750 \text{}\] (Dit is een effectieve belastingdruk van amper 1,09% op uw totale winst van € 4.000.000).

🇨 Categorie C: Het algemeen regime / de restcategorie

Dit geldt voor alle reguliere particuliere beleggingen (aandelen op de beurs, obligaties, cryptoactiva, goud, enz.).

  • De spelregels:
    • Het belastingtarief bedraagt 10%.
    • U heeft elk jaar recht op een basisvrijstelling (voor inkomstenjaar 2026 / aanslagjaar 2027 bedraagt deze € 10.000).
    • Als u in een jaar uw basisvrijstelling niet (volledig) opgebruikt, bouwt u voor het volgende jaar een aanvullende vrijstelling op (voor aanslagjaar 2028 vastgelegd op € 1.000).

🧮 Cijfervoorbeeld 1: Basisvrijstelling en opbouw van de aanvullende vrijstelling

  • Jaar 2026: U belegt op de beurs maar verkoopt niets. U heeft dit jaar dus € 0 meerwaarde gerealiseerd.
    • Gevolg: Omdat u in 2026 geen gebruik heeft gemaakt van uw basisvrijstelling, mag u in het volgende jaar (2027) genieten van de aanvullende vrijstelling van € 1.000.
  • Jaar 2027: Uw totale vrijstellingspot bedraagt nu € 11.200 (€ 10.200 geïndexeerde basisvrijstelling + € 1.000 aanvullende vrijstelling).
    • U realiseert in 2027 een beursmeerwaarde van € 1.000.
    • Verrekening: Deze € 1.000 wordt eerst volledig afgezet tegen uw aanvullende vrijstelling van € 1.000. Uw belastbare winst is € 0.
    • Gevolg voor volgend jaar: Omdat uw basisvrijstelling (€ 10.200) volledig onaangeroerd is gebleven, bouwt u voor het jaar 2028 opnieuw de volledige aanvullende vrijstelling op (geïndexeerd naar € 1.020).
    • Uw budget voor 2028: € 10.400 (basis) + € 1.020 (aanvullende) = € 11.420.

🧮 Cijfervoorbeeld 2: Gedeeltelijke opmenging van vrijstellingen

We vertrekken opnieuw met een opgebouwde aanvullende vrijstelling van € 1.000 in het inkomstenjaar 2027 (totaal budget: € 11.200).

  • U realiseert in 2027 een meerwaarde van € 1.500.
  • Verrekening:
    1. De eerste € 1.000 van de winst wordt gedekt door de aanvullende vrijstelling (deze is nu volledig opgebruikt).
    2. De resterende € 500 (€ 1.500 - € 1.000) wordt gedekt door de basisvrijstelling van € 10.200. Er blijft € 9.700 aan basisvrijstelling ongebruikt.
    3. U betaalt € 0 belasting.
  • Gevolg voor het volgende jaar (2028): Omdat u een deel van de basisvrijstelling (€ 500) heeft moeten aanspreken, wordt de aanvullende vrijstelling voor 2028 (normaal € 1.020) pro rata verminderd: \[\text{Nieuwe aanvullende vrijstelling 2028} = € 1.020 - € 500 \text{ (gebruikt deel basisvrijstelling)} = € 520 \text{}\] Uw totale vrijstellingspot voor 2028 bedraagt dus € 10.400 (basis) + € 520 (aanvullende) = € 10.920.

🧮 Cijfervoorbeeld 3: Volledige overschrijding en effectieve belasting

Stel dat u in het inkomstenjaar 2028 (totaal budget: € 10.920) een grote winst realiseert op uw cryptoportefeuille van € 25.000.

  1. Verrekening van de vrijstellingen: \[\text{Belastbaar saldo} = € 25.000 \text{ (winst)} - € 10.920 \text{ (totale vrijstelling)} = € 14.080\]
  2. Berekening van de belasting (10%): \[\text{Verschuldigde belasting} = € 14.080 \times 10% = € 1.408 \text{}\] U betaalt op uw totale winst van € 25.000 dus slechts € 1.408 belasting (een effectief tarief van 5,6%).
  3. Gevolg voor het volgende jaar (2029): Omdat u uw basisvrijstelling dit jaar volledig heeft opgebruikt, bouwt u voor het volgende jaar geen enkele aanvullende vrijstelling op. U start in 2029 dus enkel met de standaard basisvrijstelling.

Om u een perfect beeld te geven van de impact van deze belasting op een gemiddelde portefeuille, bekijken we een concreet en herkenbaar scenario van een particuliere belegger met een gemengde portefeuille.

Stel, u belegt in beursgenoteerde aandelen (via een traditionele bank of broker) en u bezit daarnaast een hoeveelheid crypto-activa.

In dit voorbeeld realiseren we in een jaar de volgende netto-meerwaarden (winsten) bij de verkoop van uw posities:

  • Winst op beursgenoteerde aandelen: € 12.000
  • Winst op crypto-activa: € 3.000
  • Totale netto-meerwaarde: € 15.000

We simuleren hoe de fiscus deze € 15.000 belast in twee verschillende situaties onder de regels van Type C (het algemeen regime):


📊 Situatie 1: U heeft deze winst behaald in het inkomstenjaar 2026 (Aanslagjaar 2027)

Dit is het eerste jaar dat de belasting van kracht is. Omdat het regime pas start, heeft u nog geen "historische inactiviteit" kunnen opbouwen. U heeft dit jaar dus enkel recht op de standaard basisvrijstelling.

  • Uw vrijstelling: Voor het aanslagjaar 2027 bedraagt de geïndexeerde basisvrijstelling exact € 10.000.
  • Berekening van de belasting:
    1. Totale winst: € 15.000
    2. Afgetrokken basisvrijstelling: - € 10.000
    3. Belastbaar saldo: € 5.000
    4. Verschuldigde belasting (10%): € 5.000 × 10% = € 500

Het resultaat: Op uw totale winst van € 15.000 betaalt u uiteindelijk € 500 belasting (een effectieve belastingdruk van slechts 3,3%).


📊 Situatie 2: U behaalt deze winst in het inkomstenjaar 2027 (Aanslagjaar 2028) en was in 2026 inactief

In dit scenario heeft u in het voorgaande jaar (2026) uw portefeuille onaangeroerd gelaten (u heeft geen enkele verkoop gedaan en dus € 0 meerwaarde gerealiseerd). Hierdoor heeft u voor het inkomstenjaar 2027 recht op de aanvullende vrijstelling.

  • Uw vrijstellingen-budget: Volgens de officiële barema's van de circulaire beschikt u in het aanslagjaar 2028 over:
    • Basisvrijstelling: € 10.200
    • Aanvullende vrijstelling: € 1.000
    • Totale vrijstelling: € 11.200
  • De verplichte volgorde van aanrekening: De fiscus schrijft voor dat u eerst uw aanvullende vrijstelling moet opgebruiken, en daarna pas uw basisvrijstelling.
  • Berekening van de belasting:
    1. Totale winst: € 15.000
    2. Verbruik aanvullende vrijstelling: - € 1.000 (volledig opgebruikt, stand = € 0)
    3. Resterende winst: € 14.000
    4. Verbruik basisvrijstelling: - € 10.200 (volledig opgebruikt)
    5. Belastbaar saldo: € 14.000 - € 10.200 = € 3.800
    6. Verschuldigde belasting (10%): € 3.800 × 10% = € 380

Het resultaat: Door uw inactiviteit in 2026 daalt uw verschuldigde belasting op dezelfde winst van € 500 naar € 380 (een effectieve belastingdruk van slechts 2,53%).


⚠️ Belangrijk gevolg voor uw volgende belastbare jaar (2028)

Omdat u in Situatie 2 uw basisvrijstelling van € 10.200 volledig heeft opgebruikt om uw winst te dekken, heeft u in het daaropvolgende inkomstenjaar (2028) geen recht op een nieuwe aanvullende vrijstelling. In 2028 start u dus weer met uitsluitend de standaard basisvrijstelling (geïndexeerd op € 10.400).