zaterdag 8 augustus 2026

Arrest Hof van Beroep Gent - Waarom een nieuwe nummerplaat u duizenden euro’s aan verkeersbelasting kan kosten: De les van het Hof van Beroep

Waarom een nieuwe nummerplaat u duizenden euro’s aan verkeersbelasting kan kosten: De les van het Hof van Beroep

Arrest

1. Inleiding: Een dure administratieve handeling

Stelt u zich voor: u bezit al decennia hetzelfde voertuig. Om administratieve redenen, of misschien om eindelijk over te stappen naar een 'O-plaat' voor uw trouwe oldtimer, besluit u uw huidige nummerplaat in te leveren en een nieuwe aan te vragen. Voor de meeste automobilisten voelt dit als een loutere formaliteit. Voor de belastingplichtige J.C.B. draaide deze handeling echter uit op een financiële koude douche.

J.C.B. bezat een voertuig dat al sinds januari 1997 onafgebroken op zijn naam stond. In januari 2022 besloot hij de oude plaat te schrappen en een nieuwe nummerplaat aan te vragen. Hoewel de auto fysiek niet veranderde, stuurde de Vlaamse Belastingdienst (Vlabel) hem kort daarna een aanslagbiljet van maar liefst € 1.703,15. Hoe kan een wagen die al 25 jaar in bezit is, plotseling zo zwaar belast worden? De kern van het probleem ligt bij de vraag waarom de fiscus een herinschrijving van hetzelfde voertuig als een volledig nieuw, en dus anders belastbaar, feit beschouwt.

2. De inschrijving is de enige juridische 'trigger'

Binnen de Vlaamse belastingwetgeving is niet het loutere bezit van een auto het cruciale punt, maar de administratieve status ervan in het voertuigenrepertorium. Het Hof van Beroep te Gent verduidelijkte in het arrest van 21 april 2026 de wisselwerking tussen de verschillende artikelen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit (VCF). Waar Artikel 2.2.2.0.1 VCF het belastbaar feit zelf definieert, wijst Artikel 2.2.4.0.1 VCF de belastingplichtige aan op basis van de inschrijving.

Het Hof oordeelde dat de wettekst op dit punt "duidelijk en ondubbelzinnig" is. De juridische trigger voor de belasting is de inschrijving zelf, niet de historiek van de eigenaar. In het arrest stelde het Hof:

"Deze bepaling van het belastbaar feit is duidelijk. Ze houdt niets anders in dan dat het 'ontstaan' van de belasting wordt bepaald door de inschrijving en dat dit blijft duren tot 'zolang' die inschrijving bestaat of moet bestaan. De belasting is dus verschuldigd op grond van de bestaande inschrijving."

Zodra een specifieke inschrijving wordt stopgezet, eindigt de fiscale status die daaraan gekoppeld was. Elke nieuwe inschrijving wordt juridisch beschouwd als een vers moment waarop de belasting opnieuw ontstaat.

3. Het 'onderbroken' verleden – Waarom 25 jaar trouw niet telt

De eiser in deze zaak voerde aan dat de wagen al sinds 17 januari 1997 in zijn bezit was en dat deze historiek gerespecteerd moest worden. De fiscus en de rechter oordeelden echter dat deze fiscale historiek definitief werd gewist op 20 januari 2022, de dag dat J.C.B. zijn oorspronkelijke plaat officieel liet schrappen.

Hoewel de nieuwe inschrijving al volgde op 31 januari 2022, ontstond er een juridisch vacuüm van 11 dagen. Gedurende deze korte periode hield het voertuig op te bestaan in het fiscale repertorium. Er bestaat volgens het Hof geen enkele rechtsgrond om de gunstige belastingregels van 1997 over te hevelen naar een inschrijving uit 2022. Voor de wet is het voertuig op 31 januari 2022 als een "blanco blad" in het systeem verschenen, ongeacht de decennialange voorgeschiedenis.

4. De onverbiddelijke intrede van CO2 en Euronormen

Waarom is die nieuwe start zo pijnlijk? Dat heeft alles te maken met het Decreet van 18 december 2015, dat op 1 januari 2016 in werking trad. Dit decreet markeerde een fundamentele verschuiving in de Vlaamse verkeersbelasting: van een berekening louter gebaseerd op fiscale paardenkracht (PK), naar een systeem gebaseerd op milieu-impact.

Omdat de nieuwe inschrijving in 2022 plaatsvond, viel het voertuig onmiddellijk onder dit strengere regime. De belasting wordt sindsdien bij elke (her)inschrijving berekend op basis van:

  • CO2-uitstoot
  • Euronorm

De eiser probeerde dit te pareren met een technisch argument over 'homologatie'. Hij stelde dat voor de milieunormen gekeken moet worden naar de datum van de eerste ingebruikname (1997). Het Hof maakte hier echter een essentieel onderscheid: de technische homologatienormen die bepalen welke uitstoot een auto heeft, staan volledig los van de fiscale regels die bepalen wanneer en hoe die uitstoot belast wordt. De technische status van de wagen mag dan oud zijn, het belastbaar feit is splinternieuw.

5. De schrapping is definitief (furaat non dat)

Een cruciale les voor elke burger is de onomkeerbaarheid van een schrapping. Door de nummerplaat op 20 januari 2022 terug te sturen, activeerde de eigenaar zelf het einde van zijn oude fiscale status. Hij gaf daarmee onbewust zijn 'verworven rechten' op het oude, lagere tarief op.

De Vlaamse Belastingdienst (Vlabel) werkt hierbij niet met handmatige dossiers, maar met een geautomatiseerde koppeling aan de DIV-databank. Elke schrapping en elke nieuwe aanvraag fungeert als een digitaal signaal. Zodra het systeem een nieuwe inschrijving registreert, wordt de berekeningsmodule van na 2016 automatisch toegepast. Voor de computer van Vlabel is er geen verschil tussen een gloednieuwe wagen en een herinschrijving van een oud voertuig; beide zijn nieuwe belastbare feiten.

6. Conclusie: Kijk uit voordat u uw plaat vervangt

Het arrest van het Hof van Beroep is een krachtige herinnering aan de strikte interpretatie van de fiscale wetgeving: de fiscus belast de inschrijving, niet de fysieke wagen of de eigenaar. Een ogenschijnlijk kleine administratieve wijziging, zoals de overstap naar een 'O-plaat' of een gepersonaliseerde plaat, kan de fiscale status van uw voertuig volledig herstarten en u in het huidige, strengere milieuregime dwingen.

Voordat u uw oude plaat inlevert, doet u er dus goed aan om de fiscale gevolgen door een expert te laten berekenen. Is de esthetische of administratieve waarde van die nieuwe plaat u een mogelijke verhoging van de verkeersbelasting met factor tien wel waard? Voor J.C.B. bleek de administratieve wissel een bittere pil van meer dan 1.700 euro, een bedrag dat hij elk jaar opnieuw zal moeten betalen zolang de nieuwe inschrijving loopt.

woensdag 5 augustus 2026

Wet overbevolking gevangenissen

Bron

Wet en voorbereidende werkzaamheden downloaden

Wat is de directe aanleiding en het hoofddoel van deze nieuwe wet van 22 juli 2026?

De Belgische gevangenissen kampen met een diepe crisis en een aanhoudende structurele overbevolking, waardoor honderden gedetineerden op een matras op de grond moeten slapen. Het hoofddoel van de Wet van 22 juli 2026 is om deze mensonwaardige omstandigheden zo snel mogelijk en op een veilige, gecontroleerde manier af te bouwen door de gevangenispopulatie direct te verminderen.


Hoe werkt de maatregel rond het automatische elektronische toezicht?

Dit is een tijdelijke noodmaatregel waarbij bepaalde categorieën veroordeelden van rechtswege (automatisch) elektronisch toezicht (een enkelband) toegewezen krijgen zodra zij aan objectieve voorwaarden voldoen. Omdat de toekenning door de wet zelf is vastgelegd, heeft de gevangenisdirecteur hierin geen discretionaire beoordelingsruimte; hij verifieert enkel of de voorwaarden zijn vervuld.

De belangrijkste regels hiervoor zijn:

  • Doelgroep: Veroordeelden met een straftotaal tot 18 maanden komen onmiddellijk in aanmerking. Veroordeelden met een straf van meer dan 18 maanden tot 10 jaar komen in aanmerking zodra ze zich op 18 maanden voor hun strafeinde bevinden én de toelaatbaarheidsdatum voor voorwaardelijke invrijheidstelling hebben bereikt.
  • Objectieve voorwaarden: De veroordeelde moet over een verblijfplaats beschikken en de meerderjarige huisgenoten op dat adres moeten zich akkoord verklaren. Het mag onder geen beding gaan om het adres waar een slachtoffer verblijft (bijvoorbeeld bij intrafamiliaal geweld).
  • Verlof: De toekenning omvat automatisch het wettelijke minimum aan penitentiair verlof (viermaal 36 uur per trimester).
  • Controle: Voor straffen tot 3 jaar wordt de strafuitvoering geschorst in afwachting van de aansluiting. Voor straffen boven de 3 jaar blijft de veroordeelde in de cel tot de aansluiting, om de veiligheid te garanderen. Achteraf (binnen twee maanden) toetst de strafuitvoeringsrechter (SUR/SURB) of de toekenning aan alle wettelijke voorwaarden voldeed.

Welke veroordeelden zijn uitgesloten van dit automatische elektronische toezicht?

Om de maatschappelijke veiligheid te garanderen, gelden er strikte uitsluitingsgronden. Er is geen recht op een automatische enkelband voor:

  • Veroordeelden voor terroristische misdrijven, zedenfeiten of personen die tekenen vertonen van gewelddadig extremisme.
  • Veroordeelden voor zware geweldsdelicten of inbreuken op de drugswetgeving.
  • Veroordeelden die onderworpen zijn aan een terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank (TBS).
  • Vorenoemde personen zonder wettig verblijfsrecht in België (tenzij de Dienst Vreemdelingenzaken binnen 10 dagen laat weten dat zij niet direct gerepatrieerd of naar een gesloten centrum gebracht kunnen worden).
  • Veroordeelden wiens enkelband of eerdere strafuitvoeringsmodaliteit zeer recent (binnen 2 maanden) is herroepen.

Wat zijn de belangrijkste verschillen tussen de eerste ontwerpen en de uiteindelijke wet die nu telt?

Tijdens de parlementaire behandeling zijn er via amendementen cruciale wijzigingen aangebracht in het oorspronkelijke wetsontwerp. Omdat alleen de uiteindelijke wet van 22 juli 2026 rechtskracht heeft, moeten we rekening houden met deze verschillen:

  • Uitgestelde inwerkingtreding: Het oorspronkelijke ontwerp ging uit van een onmiddellijke inwerkingtreding bij publicatie. De definitieve wet bepaalt in artikel 23 dat de wet pas in werking treedt op 1 oktober 2026. Dit uitstel werd besloten om de justitiehuizen, gemeenschappen en ICT-diensten de nodige voorbereidingstijd te geven om alles organisatorisch op te zetten.
  • Expliciete uitsluiting van TBS-veroordeelden: In het eerste wetsontwerp waren TBS-veroordeelden niet expliciet uitgesloten. De definitieve wet voegt deze uitsluiting in artikel 8 expliciet toe om de maatschappelijke veiligheid te bewaken en de lijn met andere noodprocedures door te trekken.
  • Verduidelijking van de ministerraadsmachtiging: De oorspronkelijke tekst bevatte een vage "en/of"-formulering over de bevoegdheid van de Koning om uitsluitingen (zoals voor drugs- en geweldsdelicten) tijdelijk op te schorten bij aanhoudende beddennood. De definitieve wet verduidelijkt dat de Koning de keuze heeft om één of beide uitsluitingsbepalingen geheel of gedeeltelijk niet toe te passen.
  • Eenduidige terminologie: De term "beschikbare detentiecapaciteit" uit de voorbereidende documenten is in de wet overal vervangen door "beschikbare penitentiaire capaciteit" ter wille van de rechtszekerheid.

Welke maatregelen zijn er genomen voor de versnelde terugkeer van vreemdelingen zonder verblijfsrecht?

De wet versnelt en versterkt het repatriëringsproces om te voorkomen dat gedetineerden zonder verblijfsrecht onnodig lang gevangeniscapaciteit bezetten:

  • Permanente uitbreiding: De termijn waarbinnen een illegaal verblijvende gedetineerde kan worden gerepatrieerd zonder tussenkomst van de strafuitvoeringsrechter, is permanent verruimd van 6 naar 12 maanden voor het einde van de straf.
  • Tijdelijke noodmaatregel: Veroordeelden met een straftotaal van 3 jaar of minder kunnen, zodra zij één derde van hun straf hebben uitgezeten, direct worden gerepatrieerd zodra hun herkomstland een laissez-passer aflevert, zonder dat de strafuitvoeringsrechter een beslissing hoeft te nemen. Dit geldt tot 1 juni 2030 en sluit zeden- en terrorismeplegers uit.

Hoe wordt de vervroegde invrijheidstelling wegens overbevolking (VIO) aangepast?

De bestaande VIO-regeling (waarbij gevangenen tot 6 maanden voor strafeinde vervroegd kunnen vrijkomen) wordt als noodmaatregel verlengd tot en met 31 december 2027. Tegelijkertijd wordt de regeling echter strenger ingeperkt: zij geldt voortaan uitsluitend voor gedetineerden met een straftotaal van maximaal 3 jaar. Voor veroordeelden met een langere gevangenisstraf is de regeling stopgezet om de veiligheid te garanderen. Reeds toegekende vrijlatingen aan personen met een langere straf behouden wel hun geldigheid.


Op welke manier verandert het risicokader van de strafuitvoeringsrechter?

In de reguliere noodprocedures is het beoordelingskader voor de strafuitvoeringsrechter objectiever gemaakt. Het vage criterium "direct waarneembaar risico" voor de fysieke integriteit van derden is vervangen door "concreet waarneembaar risico". Dit risico moet gebaseerd zijn op een actuele inschatting van recente gedragingen gesteld sinds de veroordeling. De rechter mag zijn weigering dus niet meer baseren op louter oude strafregisters of het ontbreken van reclasseringsplannen. Om dit zorgvuldig te kunnen doen, is de adviestermijn voor het Openbaar Ministerie verlengd van 5 naar 10 werkdagen zodat politieverslagen tijdig opgevraagd kunnen worden.


Welke specifieke wijzigingen zijn er voor geïnterneerden doorgevoerd?

Om de instroom en heropname van geïnterneerden in gevangenissen te beperken, gelden er nieuwe regels:

  • Een geïnterneerde mag niet langer onmiddellijk worden opgesloten of na herroeping naar een gevangenis worden gestuurd louter omdat men vreest dat hij een gevaar vormt voor zichzelf (zoals suïcidaal gedrag). Zorgbehoeften moeten therapeutisch in een zorginstelling worden behandeld.
  • Opname in of terugkeer naar een penitentiaire instelling na herroeping of schorsing van de proeftijd is alleen nog toegestaan als de geïnterneerde een ernstig gevaar vormt voor de fysieke of psychische integriteit van derden. In alle andere gevallen moet hij worden ondergebracht in een zorginstelling buiten de gevangenis.
  • Wanneer een modaliteit wordt herroepen, moet er binnen een termijn van maximaal 3 maanden (voorheen 1 jaar) een nieuw advies worden uitgebracht, zodat het zorg- en reclasseringstraject zo min mogelijk wordt onderbroken.

.

Hieronder vind je de vergelijkingstabel waarin de belangrijkste verschillen tussen het initiële wetsontwerp en de definitieve, bekrachtigde wet van 22 juli 2026 helder naast elkaar staan. Deze wijzigingen zijn tijdens de parlementaire behandeling via amendementen aangebracht om de wet juridisch robuuster te maken en tegemoet te komen aan praktische bezwaren van de deelstaten.

Initiële Wetsontwerp vs. Uiteindelijke Wet van 22 juli 2026

Onderwerp / Artikel

Initieel Wetsontwerp (16 juni 2026)

Uiteindelijke Wet (22 juli 2026)

Toelichting & Context

Datum van Inwerkingtreding *(Artikel 23)*

De wet zou onmiddellijk in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.

De inwerkingtreding is uitgesteld naar 1 oktober 2026.

Dit uitstel is besloten op expliciete vraag van de gemeenschappen om de justitiehuizen, ICT-diensten en het terrein de nodige tijd te geven voor organisatorische en materiële aanpassingen.

Uitsluiting TBS-veroordeelden *(Artikel 8 / Art. 98/27/1, § 2)*

Veroordeelden met een terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank (TBS) waren niet expliciet uitgesloten van het elektronisch toezicht van rechtswege.

TBS-veroordeelden zijn expliciet uitgesloten onder paragraaf 2, eerste lid, 4°.

Toegevoegd via een aangenomen amendement om de maatschappelijke veiligheid te garanderen. Deze uitsluiting trekt de lijn door met de bestaande noodprocedures en de vervroegde invrijheidstelling wegens overbevolking.

Machtiging van de Koning *(Artikel 8 / Art. 98/27/1, § 3)*

Bevatte een onduidelijke "en/of"-formulering bij de machtiging aan de Koning om uitsluitingen (zoals voor drugs- of geweldsdelicten) tijdelijk niet toe te passen bij aanhoudende beddennood.

De formulering is verduidelijkt naar "één of beide uitsluitingsbepalingen".

De Juridische Dienst wees erop dat "en/of" verwarring schiep over de vraag of de uitsluitingen alleen als pakket of ook afzonderlijk konden worden opgeschort. Het amendement bevestigt dat de Koning de keuze heeft om één van beide of beide bepalingen niet toe te passen.

Terminologie Capaciteit *(Artikel 8 / Art. 98/27/1, § 3)*

Er werd in de tekst gesproken over de beschikbare "detentiecapaciteit".

Dit is uniform gewijzigd naar de beschikbare "penitentiaire capaciteit".

Deze wijziging werd doorgevoerd ter bevordering van de rechtszekerheid, zodat de wet overal dezelfde eenduidige terminologie gebruikt als elders in de strafuitvoeringswetgeving.

 

De definitieve Wet van 22 juli 2026 voorziet in een aantal zeer strikte en specifieke uitsluitingsgronden voor de toekenning van het automatische elektronische toezicht (de enkelband van rechtswege):

  1. Gespecialiseerd advies vereist (art. 32 WERP): Veroordeelden voor wie een gespecialiseerd advies verplicht is, zijn uitgesloten. Dit betreft:
    • Veroordeelden voor zedendelicten.
    • Veroordeelden voor terroristische misdrijven.
    • Personen die tekenen vertonen van gewelddadig extremisme.
  2. Zware geweldsdelicten: Veroordeelden die een gevangenisstraf uitzitten voor ernstige geweldsfeiten (als bedoeld in artikel 98/19, tweede lid van de wet).
  3. Inbreuken op de drugswetgeving: Personen die een straf ondergaan voor drugsgerelateerde misdrijven onder de wet van 24 februari 1921.
  4. Terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank (TBS): Veroordeelden die het voorwerp uitmaken van een TBS zijn expliciet uitgesloten. Let op: Dit was een cruciaal verschil met het initiële wetsontwerp, waarin deze groep nog niet was uitgesloten. Dit is via een parlementair amendement in de definitieve wet verankerd om de openbare veiligheid extra te waarborgen.
  5. Geen wettig verblijfsrecht: Veroordeelden zonder recht op verblijf in België zijn in principe uitgesloten. Zij komen er enkel voor in aanmerking indien de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) binnen 10 dagen na de kennisgeving door de gevangenisdirecteur meedeelt dat de betrokkene niet onmiddellijk kan worden verwijderd of overgebracht naar een gesloten centrum.
  6. Recente herroeping, voorlopige aanhouding of schorsing:
    • Veroordeelden van wie een eerdere strafuitvoeringsmodaliteit is herroepen, zijn gedurende twee maanden na de tenuitvoerlegging van dat herroepingsvonnis uitgesloten van een automatische enkelband.
    • Deze uitsluiting geldt ook al tijdens de periode van voorlopige aanhouding of schorsing die voorafgaat aan een eventuele herroeping.
  7. Verblijfsadres bij het slachtoffer: Hoewel dit strikt genomen een toekenningsvoorwaarde is en geen persoonsgebonden uitsluiting, blokkeert het verblijfsadres de toekenning van rechtswege indien het slachtoffer van de feiten (bijvoorbeeld bij intrafamiliaal geweld) op dat adres verblijft. De veroordeelde kan dan enkel aanspraak maken op de enkelband als hij een ander, veilig verblijfsadres voorstelt.

De Kern van de Maatregel

De versnelde repatriëring is een tijdelijke bijkomende noodmaatregel (vastgelegd in hoofdstuk III van titel XIIquater van de wet). Deze regeling is specifiek ontworpen voor verwijderbare gedetineerden (vreemdelingen zonder wettig verblijfsrecht) met een straftotaal van maximaal drie jaar.

Onder deze regeling kunnen zij al effectief uit het land worden verwijderd zodra zij één derde van hun gevangenisstraf(fen) hebben ondergaan.


Geen tussenkomst van de Strafuitvoeringsrechter (SUR)

De essentie van het "versnelde" karakter ligt in het feit dat de normale rechterlijke procedures worden omzeild om snelheid te winnen:

  • Directe invrijheidstelling: Er hoeft geen formele beslissing tot voorlopige invrijheidstelling door de strafuitvoeringsrechter te worden genomen. De minister van Justitie (of diens gemachtigde) verleent rechtstreeks de invrijheidstelling met het oog op verwijdering.
  • Administratieve vereisten: De veroordeelde moet wel het voorwerp uitmaken van een reeds uitvoerbaar koninklijk besluit tot uitzetting, een uitvoerbaar ministerieel besluit tot terugwijzing, of een uitvoerbaar bevel tot verlaten van het grondgebied met het bewijs van effectieve verwijdering.
  • Snellere procedure: De feitelijke verwijdering kan direct worden uitgevoerd zodra het land van herkomst een laissez-passer (reisdocument) heeft afgeleverd. Dit zorgt ervoor dat diplomatiek overleg, identificatie en de opmaak van documenten veel sneller en vroeger dan voorheen kunnen worden opgestart.

Strikte Uitsluitingen

Om de maatschappelijke veiligheid te waarborgen, gelden voor deze noodmaatregel strenge uitsluitingscriteria. Veroordeelden voor wie op grond van artikel 32 van de wet een gespecialiseerd advies vereist is, zijn volledig uitgesloten van deze versnelde regeling. Dit betreft:

  • Veroordeelden voor zedenfeiten.
  • Veroordeelden voor terroristische misdrijven.
  • Personen die tekenen vertonen van gewelddadig extremisme.

Geldigheidsduur van de Noodmaatregel

Omdat het om een uitzonderlijke noodmaatregel gaat om de acute beddennood op te lossen, is de geldigheidsduur wettelijk begrensd:

  • De regeling is in principe van toepassing tot 1 juni 2030.
  • De Koning heeft echter de bevoegdheid om deze maatregel vervroegd stop te zetten via een in de Ministerraad overlegd koninklijk besluit, nadat de beschikbare penitentiaire capaciteit en de instroom van de gedetineerdenbevolking zijn geëvalueerd.

Wat gebeurt er bij een illegale terugkeer naar België?

De wet bevat een strenge achtervang om te voorkomen dat de maatregel tot straffeloosheid leidt voor wie probeert terug te keren:

  • Als de veroordeelde binnen twee jaar na de invrijheidstelling terugkeert naar België zonder in regel te zijn met de verblijfswetgeving, kan de procureur des Konings diens voorlopige aanhouding bevelen.
  • De minister (of gemachtigde) moet vervolgens binnen zeven dagen na deze aanhouding een beslissing nemen om de betrokkene het resterende gedeelte van de straf alsnog te laten uitzitten. Deze beslissing wordt binnen één werkdag schriftelijk meegedeeld aan de veroordeelde, de procureur des Konings en de gevangenisdirecteur.

 

donderdag 23 juli 2026

Circulaire meerwaardebelasting Fisconet

Bron:

Deze gids legt de complexe regelgeving van de nieuwe Belgische meerwaardebelasting op financiële activa (de zogenaamde "solidariteitsbijdrage") op een eenvoudige en gestructureerde manier uit, zodat u exact weet waar u aan toe bent.


1. Wat is de nieuwe meerwaardebelasting?

De belasting is ingevoerd naar aanleiding van het regeerakkoord van 4 februari 2025 en definitief verankerd in de wet van 6 april 2026. Sinds 1 januari 2026 betaalt u als particulier in bepaalde gevallen belastingen op de winst (meerwaarde) die u maakt bij de verkoop van financiële activa (zoals aandelen, obligaties, crypto of goud).

De belangrijkste circulaire hierover (Circulaire 2026/C/74) focust uitsluitend op de regels binnen de personenbelasting. De vennootschapsbelasting blijft ongewijzigd en niet-inwoners vallen buiten schot.


2. Wie moet deze belasting betalen?

De belasting is in principe verschuldigd door de volle eigenaar of de blote eigenaar van de financiële activa.

  • Vruchtgebruikers (die bijvoorbeeld enkel recht hebben op de dividenden) worden niet belast. Als een gesplitst aandeel (blote eigendom + vruchtgebruik) wordt verkocht, wordt de volledige meerwaarde toegerekend aan de blote eigenaar.
  • Gehuwden: Als de activa gemeenschappelijk zijn volgens uw huwelijksstelsel, moet de meerwaarde 50/50 door beide echtgenoten worden aangegeven. Zijn de activa uw eigen bezit, dan geeft u ze voor 100% zelf aan (ook al heeft uw partner bij een eventuele echtscheiding later een 'vermogensaanspraak' op de waarde ervan).
  • Minderjarigen: Als een minderjarig kind eigenaar is van activa, is de belasting in zijn of haar eigen hoofde verschuldigd. Het kind kan dan wel zelfstandig gebruikmaken van de belastingvrije som en de vrijstellingen.

3. Wanneer is een meerwaarde "verwezenlijkt"?

De belasting is van toepassing op alle winsten die worden gemaakt vanaf 1 januari 2026.

  • Het moment van verkoop is bepalend, niet de betaling. Zodra het actief uw vermogen verlaat in ruil voor een tegenwaarde, is de meerwaarde "verwezenlijkt". Als de koper u pas later (gespreid) betaalt, heeft dat geen invloed op het jaar waarin u belast wordt.
  • Uitgestelde betalingen van verkopen die vóór 2026 zijn gebeurd, zijn dus volledig belastingvrij.
  • Voor beurstransacties geldt de transactiedatum ("trade date") als de datum van verkoop, en niet de latere afwikkelingsdatum ("settlement date").

4. De drie types van overdrachten

De fiscus verdeelt de belastbare verkopen onder in drie categorieën. Een verkoop kan slechts in één categorie vallen, waarbij de specifieke categorieën (Type A en B) altijd voorrang hebben op de restcategorie (Type C):

🅰️ Type A: Interne meerwaarden (Tarief: 33%)

Dit type viseert specifieke interne herstructureringen waarbij u aandelen verkoopt of inbrengt in een vennootschap die u zelf (of samen met uw naaste familie) controleert.

  • Tarief: 33% (exclusief gemeentelijke opcentiemen).
  • Uitzondering: Een inbreng van aandelen (bijvoorbeeld in een holding) is onder specifieke voorwaarden tijdelijk vrijgesteld van belasting.
  • Aangifte: Er wordt geen bronheffing (roerende voorheffing) ingehouden aan de bron; u moet deze meerwaarde verplicht zelf aangeven in uw personenbelasting.

🇧 Type B: Aanmerkelijk belang (Tarief: progressief van 1,25% tot 10%)

Dit gunstige regime geldt wanneer u een groot pakket aandelen (een participatie van minstens 20% van de rechten in een vennootschap) verkoopt.

  • Vrijstelling tot 1 miljoen euro: De eerste 1.000.000 euro aan cumulatieve meerwaarde is volledig vrijgesteld van belasting. Dit werkt via een "rugzaksysteem" dat u flexibel kunt opgebruiken over een periode van 5 opeenvolgende jaren.
  • Getrapt tarief: Op het deel boven de 1 miljoen euro betaalt u een zeer lage, progressieve belasting:
    • Schijf van 0 tot 2,5 miljoen euro: 1,25%
    • Schijf van 2,5 tot 5 miljoen euro: 2,5%
    • Schijf van 5 tot 10 miljoen euro: 5%
    • Schijf boven 10 miljoen euro: 10%
  • Aangifte: Ook hier is er geen automatische inhouding aan de bron; u geeft dit zelf aan in uw belastingaangifte.

🇨 Type C: Het algemeen regime / de restcategorie (Tarief: 10%)

Dit is de categorie waar de meeste burgers mee te maken krijgen. Ze omvat alle overige financiële activa, waaronder reguliere aandelen, obligaties, cryptoactiva en beleggingsgoud.

  • Tarief: Een vast tarief van 10%.
  • De Basisvrijstelling: Elk jaar heeft u recht op een belastingvrije drempel. De wettelijke basisvrijstelling bedraagt 4.855 euro, maar door de indexering is de vrijstelling voor het aanslagjaar 2027 vastgelegd op 10.000 euro. Maakt u in een jaar minder dan 10.000 euro winst? Dan betaalt u 0 euro belasting.
  • De Aanvullende Vrijstelling: Naast de basisvrijstelling kunt u elk jaar een extra korfje opbouwen. Dit basisbedrag van 480 euro is voor het aanslagjaar 2028 geïndexeerd naar 1.000 euro. De opgebouwde aanvullende vrijstelling kan in één jaar tot maximaal 2.426 euro (basisbedrag, ook te indexeren) worden opgebruikt.
  • Aangifte: In sommige gevallen kan er een roerende voorheffing van 10% worden ingehouden aan de bron. Als burger kunt u er echter voor kiezen om dit niet te laten doen (een opt-out) en de winst zelf op te nemen in uw belastingaangifte. Cryptoactiva en beleggingsgoud moeten altijd verplicht via de aangifte worden aangegeven.

5. Het "Fotomoment" op 31 december 2025

Een van de belangrijkste spelregels is dat historische meerwaarden volledig zijn vrijgesteld. Winsten die u vóór 2026 heeft opgebouwd, worden dus nooit belast.

  • Om dit praktisch mogelijk te maken, is er een "fotomoment" op 31 december 2025 ingevoerd. De waarde van uw financiële activa op die specifieke dag geldt als uw nieuwe "aanschaffingswaarde".
  • Voorbeeld: Heeft u in 2020 een aandeel gekocht voor € 100, stond dit op 31 december 2025 op € 150, en verkoopt u het in 2027 voor € 180? Dan is de belastbare meerwaarde slechts € 30 (€ 180 - € 150). De € 50 winst van vóór 2026 is definitief veiliggesteld.
  • Uitzondering (aanschaffingswaarde op verzoek): Voor activa die u vóór 2026 heeft gekocht en die u uiterlijk op 31 december 2030 verkoopt, kunt u op verzoek de werkelijke (historische) aankoopprijs gebruiken in plaats van de waarde op het fotomoment. Dit is uiterst interessant als de koers op 31 december 2025 historisch laag stond en uw oorspronkelijke aankoopprijs veel hoger lag, zodat u de belastbare meerwaarde tot nul kunt herleiden.

6. Wat als u verlies maakt? (Minderwaarden)

Als u na 1 januari 2026 verlies maakt bij een verkoop, mag u dit verlies onder strikte voorwaarden aftrekken van uw belastbare meerwaarden.

  • De voorwaarden: Het verlies (de minderwaarde) kan enkel worden verrekend als:
    1. Het verlies is geleden in hetzelfde belastbare tijdperk (hetzelfde jaar);
    2. Het verlies is geleden door dezelfde belastingplichtige;
    3. Het verlies valt binnen dezelfde categorie van activa. Voorbeeld: Een verlies op cryptoactiva kan enkel worden gecompenseerd met winsten uit andere cryptoactiva, en niet met winsten uit reguliere aandelen of obligaties.

7. Exit taks: Wat als u emigreert?

Als u als Belgische rijksinwoner besluit om uw woonplaats of vermogen naar het buitenland over te brengen, kan er een exit taks van 10% worden geheven op de latente (nog niet gerealiseerde) meerwaarden van uw activa.

  • Automatisch uitstel van betaling: Gelukkig voorziet de wet in een automatisch uitstel van betaling als u verhuist naar een andere lidstaat van de Europese Unie (EU) of de Europese Economische Ruimte (EER), of een land waarmee België een verdrag heeft gesloten.
  • Behoud van het uitstel: U behoudt dit uitstel zolang u gedurende een "verdachte" periode van 24 maanden na uw vertrek aan de voorwaarden blijft voldoen (zoals het permanent aanhouden van de activa en het indienen van een jaarlijks attest). Keert u daarna terug of verkoopt u de activa niet, dan vervalt de betalingsverplichting uiteindelijk definitief.

Om de werking van de nieuwe Belgische meerwaardebelasting op financiële activa volledig te begrijpen, volgen hieronder gedetailleerde en concrete cijfervoorbeelden voor elk van de drie categorieën (Type A, B en C), gebaseerd op de officiële richtlijnen van Circulaire 2026/C/74.


🅰️ Categorie A: Interne meerwaarden

Deze categorie is van toepassing wanneer u aandelen van uw eigen vennootschap (waarin u of uw familie controle uitoefent) overdraagt of verkoopt aan bijvoorbeeld uw eigen holding.

  • De spelregels: De meerwaarde wordt belast tegen een vast tarief van 33%. Er is geen roerende voorheffing aan de bron; u moet deze winst verplicht zelf opnemen in uw belastingaangifte. Er worden hierop geen gemeentelijke opcentiemen geheven.

🧮 Cijfervoorbeeld:

U heeft in 2020 aandelen van uw werkvennootschap opgericht of gekocht voor € 50.000. Op het fotomoment van 31 december 2025 stonden deze aandelen gewaardeerd op € 120.000. In mei 2026 verkoopt u deze aandelen aan uw nieuw opgerichte familiale holding voor € 200.000.

  1. Berekening van de fiscale meerwaarde: De historische winst van vóór 2026 (€ 120.000 - € 50.000 = € 70.000) is volledig vrijgesteld. We rekenen vanaf de waarde op het fotomoment: \[\text{Belastbare meerwaarde} = € 200.000 \text{ (verkoopprijs)} - € 120.000 \text{ (fotomoment)} = € 80.000\]
  2. Berekening van de belasting: \[\text{Verschuldigde belasting (33%)} = € 80.000 \times 33% = € 26.400 \text{}\] U geeft dit bedrag aan in uw belastingaangifte en betaalt uiteindelijk € 26.400 belasting.

🇧 Categorie B: Meerwaardebepaling op aanmerkelijke belangen (participatie van \(\ge\) 20%)

Deze categorie treedt in werking wanneer u aandelen verkoopt waarin u rechtstreeks (of onrechtstreeks) een belang van minstens 20% heeft in de vennootschap.

  • De spelregels:
    • U geniet van een vrijstelling op de eerste € 1.000.000 aan gecumuleerde meerwaarden. Deze vrijstelling is een "rugzak" die u kunt opgebruiken over een rollende periode van 5 opeenvolgende jaren.
    • Op het deel boven de € 1.000.000 betaalt u progressieve (zeer lage) getrapte tarieven:
      • Schijf tot € 2.500.000: 1,25%
      • Schijf van € 2.500.000 tot € 5.000.000: 2,5%
      • Schijf van € 5.000.000 tot € 10.000.000: 5%
      • Schijf boven € 10.000.000: 10%

🧮 Cijfervoorbeeld 1: Het rollende "rugzaksysteem" over meerdere jaren

U bezit 30% van de aandelen van een familiale KMO en verkoopt delen hiervan over een aantal jaren met de volgende meerwaarden (gerekend vanaf de aanschaffingswaarde of het fotomoment):

  • Jaar X: Meerwaarde van € 500.000.
  • Jaar X+1: Meerwaarde van € 500.000.
  • Jaar X+2: Meerwaarde van € 500.000.
  • Jaar X+5: Meerwaarde van € 1.000.000.

De belastingafhandeling per jaar:

  1. Jaar X: De meerwaarde van € 500.000 is volledig vrijgesteld. (In uw rugzak zit nu nog € 500.000 aan vrijstelling).
  2. Jaar X+1: De meerwaarde van € 500.000 is volledig vrijgesteld. (De totale vrijstelling van € 1.000.000 is nu volledig opgebruikt).
  3. Jaar X+2: U kunt geen vrijstelling meer toepassen. De € 500.000 wordt belast tegen het basistarief van 1,25%: \[\text{Belasting Jaar X+2} = € 500.000 \times 1,25% = € 6.250\]
  4. Jaar X+5: Dit jaar valt buiten de periode van 5 opeenvolgende belastbare tijdperken vanaf Jaar X (die liep van Jaar X t.e.m. Jaar X+4). Hierdoor vervalt de in Jaar X gebruikte vrijstelling (€ 500.000) voor de lopende berekening, waardoor er opnieuw € 500.000 aan vrijstellingsruimte vrijkomt in uw rugzak.
    • Van de € 1.000.000 meerwaarde in Jaar X+5 is € 500.000 vrijgesteld.
    • De resterende € 500.000 wordt belast tegen 1,25%: \[\text{Belasting Jaar X+5} = € 500.000 \times 1,25% = € 6.250 \text{}\]

🧮 Cijfervoorbeeld 2: Grote transactie met de progressieve tariefschijven

U verkoopt uw grote participatie van 40% in één keer. Dit levert in het belastbaar tijdperk X een gecumuleerde meerwaarde op van € 4.000.000.

  1. Toepassing van de vrijstelling: De eerste € 1.000.000 is volledig vrijgesteld.
  2. Belastbare basis: Er blijft een te belasten saldo over van € 3.000.000 (€ 4.000.000 - € 1.000.000).
  3. Toepassing progressieve schijven:
    • Schijf 1 (tot € 2.500.000): € 2.500.000 wordt belast tegen 1,25%: \[€ 2.500.000 \times 1,25% = € 31.250 \text{}\]
    • Schijf 2 (van € 2.500.000 tot € 5.000.000): Het resterende deel van de meerwaarde bedraagt € 500.000 (€ 3.000.000 - € 2.500.000). Dit deel wordt belast tegen 2,5%: \[€ 500.000 \times 2,5% = € 12.500 \text{}\]
  4. Totale verschuldigde belasting: \[\text{Totale belasting} = € 31.250 + € 12.500 = € 43.750 \text{}\] (Dit is een effectieve belastingdruk van amper 1,09% op uw totale winst van € 4.000.000).

🇨 Categorie C: Het algemeen regime / de restcategorie

Dit geldt voor alle reguliere particuliere beleggingen (aandelen op de beurs, obligaties, cryptoactiva, goud, enz.).

  • De spelregels:
    • Het belastingtarief bedraagt 10%.
    • U heeft elk jaar recht op een basisvrijstelling (voor inkomstenjaar 2026 / aanslagjaar 2027 bedraagt deze € 10.000).
    • Als u in een jaar uw basisvrijstelling niet (volledig) opgebruikt, bouwt u voor het volgende jaar een aanvullende vrijstelling op (voor aanslagjaar 2028 vastgelegd op € 1.000).

🧮 Cijfervoorbeeld 1: Basisvrijstelling en opbouw van de aanvullende vrijstelling

  • Jaar 2026: U belegt op de beurs maar verkoopt niets. U heeft dit jaar dus € 0 meerwaarde gerealiseerd.
    • Gevolg: Omdat u in 2026 geen gebruik heeft gemaakt van uw basisvrijstelling, mag u in het volgende jaar (2027) genieten van de aanvullende vrijstelling van € 1.000.
  • Jaar 2027: Uw totale vrijstellingspot bedraagt nu € 11.200 (€ 10.200 geïndexeerde basisvrijstelling + € 1.000 aanvullende vrijstelling).
    • U realiseert in 2027 een beursmeerwaarde van € 1.000.
    • Verrekening: Deze € 1.000 wordt eerst volledig afgezet tegen uw aanvullende vrijstelling van € 1.000. Uw belastbare winst is € 0.
    • Gevolg voor volgend jaar: Omdat uw basisvrijstelling (€ 10.200) volledig onaangeroerd is gebleven, bouwt u voor het jaar 2028 opnieuw de volledige aanvullende vrijstelling op (geïndexeerd naar € 1.020).
    • Uw budget voor 2028: € 10.400 (basis) + € 1.020 (aanvullende) = € 11.420.

🧮 Cijfervoorbeeld 2: Gedeeltelijke opmenging van vrijstellingen

We vertrekken opnieuw met een opgebouwde aanvullende vrijstelling van € 1.000 in het inkomstenjaar 2027 (totaal budget: € 11.200).

  • U realiseert in 2027 een meerwaarde van € 1.500.
  • Verrekening:
    1. De eerste € 1.000 van de winst wordt gedekt door de aanvullende vrijstelling (deze is nu volledig opgebruikt).
    2. De resterende € 500 (€ 1.500 - € 1.000) wordt gedekt door de basisvrijstelling van € 10.200. Er blijft € 9.700 aan basisvrijstelling ongebruikt.
    3. U betaalt € 0 belasting.
  • Gevolg voor het volgende jaar (2028): Omdat u een deel van de basisvrijstelling (€ 500) heeft moeten aanspreken, wordt de aanvullende vrijstelling voor 2028 (normaal € 1.020) pro rata verminderd: \[\text{Nieuwe aanvullende vrijstelling 2028} = € 1.020 - € 500 \text{ (gebruikt deel basisvrijstelling)} = € 520 \text{}\] Uw totale vrijstellingspot voor 2028 bedraagt dus € 10.400 (basis) + € 520 (aanvullende) = € 10.920.

🧮 Cijfervoorbeeld 3: Volledige overschrijding en effectieve belasting

Stel dat u in het inkomstenjaar 2028 (totaal budget: € 10.920) een grote winst realiseert op uw cryptoportefeuille van € 25.000.

  1. Verrekening van de vrijstellingen: \[\text{Belastbaar saldo} = € 25.000 \text{ (winst)} - € 10.920 \text{ (totale vrijstelling)} = € 14.080\]
  2. Berekening van de belasting (10%): \[\text{Verschuldigde belasting} = € 14.080 \times 10% = € 1.408 \text{}\] U betaalt op uw totale winst van € 25.000 dus slechts € 1.408 belasting (een effectief tarief van 5,6%).
  3. Gevolg voor het volgende jaar (2029): Omdat u uw basisvrijstelling dit jaar volledig heeft opgebruikt, bouwt u voor het volgende jaar geen enkele aanvullende vrijstelling op. U start in 2029 dus enkel met de standaard basisvrijstelling.

Om u een perfect beeld te geven van de impact van deze belasting op een gemiddelde portefeuille, bekijken we een concreet en herkenbaar scenario van een particuliere belegger met een gemengde portefeuille.

Stel, u belegt in beursgenoteerde aandelen (via een traditionele bank of broker) en u bezit daarnaast een hoeveelheid crypto-activa.

In dit voorbeeld realiseren we in een jaar de volgende netto-meerwaarden (winsten) bij de verkoop van uw posities:

  • Winst op beursgenoteerde aandelen: € 12.000
  • Winst op crypto-activa: € 3.000
  • Totale netto-meerwaarde: € 15.000

We simuleren hoe de fiscus deze € 15.000 belast in twee verschillende situaties onder de regels van Type C (het algemeen regime):


📊 Situatie 1: U heeft deze winst behaald in het inkomstenjaar 2026 (Aanslagjaar 2027)

Dit is het eerste jaar dat de belasting van kracht is. Omdat het regime pas start, heeft u nog geen "historische inactiviteit" kunnen opbouwen. U heeft dit jaar dus enkel recht op de standaard basisvrijstelling.

  • Uw vrijstelling: Voor het aanslagjaar 2027 bedraagt de geïndexeerde basisvrijstelling exact € 10.000.
  • Berekening van de belasting:
    1. Totale winst: € 15.000
    2. Afgetrokken basisvrijstelling: - € 10.000
    3. Belastbaar saldo: € 5.000
    4. Verschuldigde belasting (10%): € 5.000 × 10% = € 500

Het resultaat: Op uw totale winst van € 15.000 betaalt u uiteindelijk € 500 belasting (een effectieve belastingdruk van slechts 3,3%).


📊 Situatie 2: U behaalt deze winst in het inkomstenjaar 2027 (Aanslagjaar 2028) en was in 2026 inactief

In dit scenario heeft u in het voorgaande jaar (2026) uw portefeuille onaangeroerd gelaten (u heeft geen enkele verkoop gedaan en dus € 0 meerwaarde gerealiseerd). Hierdoor heeft u voor het inkomstenjaar 2027 recht op de aanvullende vrijstelling.

  • Uw vrijstellingen-budget: Volgens de officiële barema's van de circulaire beschikt u in het aanslagjaar 2028 over:
    • Basisvrijstelling: € 10.200
    • Aanvullende vrijstelling: € 1.000
    • Totale vrijstelling: € 11.200
  • De verplichte volgorde van aanrekening: De fiscus schrijft voor dat u eerst uw aanvullende vrijstelling moet opgebruiken, en daarna pas uw basisvrijstelling.
  • Berekening van de belasting:
    1. Totale winst: € 15.000
    2. Verbruik aanvullende vrijstelling: - € 1.000 (volledig opgebruikt, stand = € 0)
    3. Resterende winst: € 14.000
    4. Verbruik basisvrijstelling: - € 10.200 (volledig opgebruikt)
    5. Belastbaar saldo: € 14.000 - € 10.200 = € 3.800
    6. Verschuldigde belasting (10%): € 3.800 × 10% = € 380

Het resultaat: Door uw inactiviteit in 2026 daalt uw verschuldigde belasting op dezelfde winst van € 500 naar € 380 (een effectieve belastingdruk van slechts 2,53%).


⚠️ Belangrijk gevolg voor uw volgende belastbare jaar (2028)

Omdat u in Situatie 2 uw basisvrijstelling van € 10.200 volledig heeft opgebruikt om uw winst te dekken, heeft u in het daaropvolgende inkomstenjaar (2028) geen recht op een nieuwe aanvullende vrijstelling. In 2028 start u dus weer met uitsluitend de standaard basisvrijstelling (geïndexeerd op € 10.400).

dinsdag 14 juli 2026

Plaatsverbod door de burgemeester

Wettekst

Artikel




Er werd gebruikt gemaakt van AI voor de samenvatting.

Wat is het gemeentelijk administratief plaatsverbod 'nieuwe stijl' en wat is de wettelijke basis hiervoor?

Het plaatsverbod nieuwe stijl is een specifieke bestuurlijke politiebevoegdheid van de burgemeester. Het houdt in dat de burgemeester aan één of meerdere personen een tijdelijk verbod kan opleggen om zich te bevinden binnen een of meer duidelijke perimeters van publiek toegankelijke plaatsen binnen de gemeente.

De wettelijke basis hiervoor is artikel 134sexies van de Nieuwe Gemeentewet (NGW), dat in de wet is ingevoegd door de Wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties (de GAS-wet). Met deze expliciete wettelijke verankering wilde de wetgever de burgemeester een duidelijke grondslag bieden, zodat hij zich niet langer hoefde te baseren op de ongeschreven bevoegdheden van het oude stelsel.


Is het plaatsverbod nieuwe stijl een administratieve sanctie of een administratieve maatregel?

De wetgever heeft er bewust voor gekozen om het plaatsverbod nieuwe stijl te kwalificeren als een administratieve maatregel en niet als een sanctie. Het doel van de maatregel is namelijk niet om te bestraffen, maar om preventief op te treden en de openbare orde te beveiligen of te herstellen.

Het Grondwettelijk Hof heeft dit karakter in zijn rechtspraak (het arrest van 23 april 2015) bevestigd: het tijdelijk plaatsverbod is een maatregel van bestuurlijke politie en geen strafsanctie in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).


In welke situaties mag de burgemeester een plaatsverbod nieuwe stijl opleggen?

De burgemeester kan tot dit plaatsverbod beslissen in twee specifieke scenario's:

  1. Bij verstoring van de openbare orde veroorzaakt door individueel of collectief gedrag.
  2. Bij herhaaldelijke inbreuken op de reglementen en verordeningen van de gemeenteraad die op eenzelfde plaats of bij gelijkaardige evenementen worden gepleegd, en die een verstoring van de openbare orde of overlast met zich meebrengen.

Onder overlast vallen lichte vormen van verstoring van de openbare rust, veiligheid, gezondheid of zindelijkheid (zoals hardnekkig nachtlawaai, hinderlijk bedelen, tippelen of overlast door alcohol- en druggebruik) die door hun herhaaldelijke karakter de leefkwaliteit ernstig aantasten en neigen naar een ordeverstoring.


Wat is de maximale duurtijd van het plaatsverbod en hoe zit het met verlengingen?

  • Initiële termijn: Het plaatsverbod kan worden opgelegd voor een periode van maximaal één maand.
  • Hernieuwing: Het verbod is tweemaal hernieuwbaar.
  • Evenredigheid van de termijn: De opgelegde termijn is een maximum; de burgemeester moet de duur altijd afstemmen op wat strikt noodzakelijk is om de ordeverstoring tegen te gaan (het proportionaliteitsbeginsel). Hij kan een lopend verbod ook tussentijds wijzigen of intrekken als de omstandigheden veranderen.
  • Aansluiting van de hernieuwing:
    • Als het verbod is opgelegd wegens een acute openbare ordeverstoring, moet een eventuele hernieuwing onmiddellijk aansluiten op de einddatum van het vorige verbod om het dringende karakter te verantwoorden.
    • Als het verbod voortvloeit uit herhaaldelijke inbreuken (overlast), hoeft de hernieuwing niet direct aan te sluiten. De tussenliggende termijn mag echter niet onredelijk lang zijn (24 maanden is bijvoorbeeld te lang).

Op wie mag het plaatsverbod worden toegepast en kan het ook aan minderjarigen worden opgelegd?

Het plaatsverbod kan worden opgelegd aan de feitelijke dader of daders van de ordeverstorende gedragingen.

  • Minderjarigen: Ja, het verbod kan ook aan minderjarigen worden opgelegd. Volgens het Grondwettelijk Hof is hiervoor geen tussenkomst van de jeugdrechter vereist, omdat het om een bestuurlijke maatregel gaat en niet om een jeugdbeschermingsmaatregel of straf.
  • Keerzijde voor minderjarigen: Omdat het plaatsverbod als een maatregel (en niet als sanctie) wordt beschouwd, gelden de specifieke, strenge rechtswaarborgen die de GAS-wet aan minderjarige overtreders biedt (zoals verplichte voorafgaande procedures) hier niet rechtstreeks. Minderjarigen moeten zich bij betwisting, via hun vertegenwoordigers, wenden tot de Raad van State.

Wat is het territoriale bereik van het plaatsverbod en welke locaties zijn absoluut uitgezonderd?

Het verbod is territoriaal beperkt tot het grondgebied van de desbetreffende gemeente en mag nooit het gehele grondgebied van de gemeente beslaan. Het moet gaan om een of meer specifiek en duidelijk omschreven perimeters van plaatsen die toegankelijk zijn voor het publiek.

Er gelden drie absolute wettelijke uitzonderingen. Het plaatsverbod mag zich nooit uitstrekken tot:

  1. De woonplaats van de betrokkene.
  2. De plaats van het werk van de betrokkene.
  3. De onderwijs- of opleidingsinstelling die de betrokkene bezoekt.

Deze uitzonderingen zijn noodzakelijk om te voorkomen dat grondrechten zoals het recht op arbeid of het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven onevenredig zwaar worden aangetast.


Welke stappen en rechtswaarborgen moeten worden gevolgd in de procedure van de burgemeester?

De burgemeester moet een strikte wettelijke procedure doorlopen, aangevuld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur:

  1. Bestuurlijk verslag: De burgemeester start de procedure op basis van een dossier (veelal een bestuurlijk verslag met pv's en meldingen van de politie).
  2. Voorafgaande schriftelijke verwittiging (waarschuwing): De burgemeester moet de betrokkene eerst schriftelijk waarschuwen dat een nieuwe inbreuk op een identieke plaats of bij soortgelijke gebeurtenissen tot een plaatsverbod zal leiden.
    • Uitzondering: De burgemeester mag zonder waarschuwing direct een plaatsverbod opleggen als dit direct noodzakelijk is met het oog op de ordehandhaving (bijvoorbeeld bij zeer ernstige incidenten).
  3. Hoorplicht: Voordat het definitieve besluit wordt genomen, moet de betrokkene de kans krijgen om te worden gehoord, zijn dossier in te kijken en zijn verdedigingsmiddelen (mondeling of schriftelijk) naar voren te brengen, eventueel met bijstand van een raadsman.
  4. Formele motiveringsplicht: Het besluit moet formeel en schriftelijk worden gemotiveerd. De burgemeester moet concreet verwijzen naar de feiten en de specifieke hinder die verband houdt met de openbare orde.

Waarom is de rol van het College van Burgemeester en Schepenen (CBS) cruciaal bij het plaatsverbod?

Nadat de burgemeester het besluit heeft genomen, is er een verplichte politieke controle ingebouwd:

  • Bevestiging: Het besluit van de burgemeester moet worden bevestigd door het College van Burgemeester en Schepenen (of het gemeentecollege) tijdens de eerstvolgende vergadering na het besluit.
  • Hoorplicht bij het College: Het College moet de betrokkene of diens raadsman opnieuw uitnodigen en horen, zodat zij hun verdediging mondeling of schriftelijk kunnen voeren.
  • Gevolgen van niet-bevestiging: Als het College de beslissing van de burgemeester niet (tijdig) bevestigt tijdens die eerstvolgende vergadering, verliest het plaatsverbod onmiddellijk zijn uitwerking. De bevestiging is dus een harde voorwaarde voor het voortbestaan van het verbod.

Wat gebeurt er als iemand het opgelegde plaatsverbod overtreedt?

Indien de betrokkene de perimeter van het tijdelijke plaatsverbod toch betreedt, kan hij worden bestraft met een administratieve geldboete (GAS-boete).

  • Boetebedragen: De boete bedraagt maximaal € 350 voor een meerderjarige overtreder en maximaal € 175 voor een minderjarige overtreder.
  • Procedure: Deze boete wordt opgelegd door een onafhankelijke sanctionerend ambtenaar (en dus niet door de burgemeester zelf) na een afzonderlijke verweerprocedure.
  • Alternatieve maatregelen: De geldboete kan eventueel worden vervangen door alternatieven zoals lokale bemiddeling of een gemeenschapsdienst, mits de gemeenteraad dit in de politieverordening heeft voorzien. Voor minderjarigen is het aanbieden van een lokale bemiddeling verplicht.

Welke bezwaren werden door het Grondwettelijk Hof behandeld in het arrest van 23 april 2015?

Het nieuwe plaatsverbod werd door diverse mensenrechten- en jeugdorganisaties aangevochten. Het Grondwettelijk Hof verwierp de bezwaren op basis van de volgende argumenten:

  1. Is het een verdkapte straf (strafsanctie in de zin van art. 6 EVRM)? Nee. Het Hof oordeelde dat het plaatsverbod een preventieve, bestuurlijke veiligheidsmaatregel is om toekomstige ordeverstoringen te verminderen, en geen strafrechtelijke sanctie.
  2. Is de wettelijke omschrijving te vaag? Nee. Hoewel er vage termen worden gebruikt (zoals "collectieve gedragingen"), oordeelde het Hof dat de wet in samenhang met de Memorie van Toelichting voldoende duidelijk is om te bepalen wanneer de maatregel kan worden opgelegd.
  3. Mag het zomaar op minderjarigen worden toegepast zonder tussenkomst van de jeugdrechter? Ja. De noodzaak tot snelle rechtsbescherming en ordehandhaving via een politiemaatregel verschilt wezenlijk van de Jeugdbeschermingswet; tussenkomst van de jeugdrechter is daarom niet vereist.
  4. Is het plaatsverbod in strijd met het recht op bewegingsvrijheid (vrijheidsberoving onder art. 5 EVRM)? Nee. Het verbod houdt geen fysieke opsluiting of aanhouding in. Het is een toegestane, proportionele beperking van de bewegingsvrijheid, mits de perimeter en de duur niet groter of langer zijn dan strikt noodzakelijk.

Hoe verhoudt het gemeentelijk plaatsverbod zich tot andere specifieke plaatsverboden (samenloop)?

In de praktijk kan er sprake zijn van samenloop met andere (gerechtelijke of administratieve) verboden die aan een persoon zijn opgelegd. De auteurs noemen verschillende voorbeelden:

  • Huisarrest / Elektronisch toezicht: Een arrest van de Raad van State (25 maart 2015) toonde aan dat wanneer een persoon onder elektronisch toezicht staat en zijn woning niet mag verlaten, een schorsingsprocedure tegen een gemeentelijk plaatsverbod onwerkdadig wordt, omdat de betrokkene door de gerechtelijke maatregel toch al niet op straat mag komen.
  • Stadionverbod (Voetbalwet): Dit kan worden opgelegd als administratieve sanctie (door een ambtenaar voor 3 maanden tot 5 jaar), als gerechtelijke straf (tot 10 jaar), of als onmiddellijke beveiligingsmaatregel door de politie (maximaal 3 maanden).
  • Voertuigverbod (De Lijn): Een (nog niet operationeel) decretaal verbod om voertuigen of lijnen van De Lijn te betreden voor een duur van 3 maanden tot 3 jaar.
  • Tijdelijk huisverbod (Wet van 15 mei 2012): Een preventieve maatregel bij huiselijk geweld waarbij de Procureur des Konings een meerderjarige dader voor maximaal 10 dagen de toegang tot de gezamenlijke woning ontzegt.

Al deze overlappende bevoegdheden vereisen een uiterst fijnmazige coördinatie tussen de burgemeester, gerechtelijke overheden en andere administratieve actoren.


Is het opleggen van een plaatsverbod 'oude stijl' (op basis van de algemene artikelen 133-135 NGW) nog toegestaan?

Nee, dat is in de praktijk niet langer verdedigbaar.

Sommige juristen stelden dat de burgemeester bij gaten in de wetgeving zou kunnen terugvallen op zijn algemene, zelfstandige politiebevoegdheid (art. 133-135 NGW) om een "officieus" plaatsverbod op te leggen. De auteurs en de bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hier echter heel duidelijk in: de Raad van State laat nagenoeg geen ruimte aan burgemeesters om de strikte voorwaarden en rechtswaarborgen van artikel 134sexies NGW te omzeilen door terug te grijpen naar de algemene bevoegdheid. Omdat deze materie zo nauw raakt aan fundamentele grondrechten, is het "oude" plaatsverbod verleden tijd.



Beroep tegen het plaatsverbod zelf

Omdat het plaatsverbod 'nieuwe stijl' (artikel 134sexies NGW) door de wetgever en het Grondwettelijk Hof is gekwalificeerd als een preventieve administratieve maatregel (en niet als een strafsanctie), is er geen beroep mogelijk bij de gewone politie- of strafrechter.

  • Beroep bij de Raad van State: Het beroep tegen het plaatsverbod van de burgemeester verloopt via een procedure tot schorsing en/of nietigverklaring bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
  • Volwaardige toetsing: De Raad van State voert een volwaardige jurisdictionele toetsing uit. De rechter beoordeelt hierbij:
    • Of het besluit de juiste feitelijke grondslag heeft (vinden de feiten steun in het dossier?).
    • Of de burgemeester de correcte juridische kwalificaties heeft gebruikt.
    • Of de maatregel niet onevenredig (proportioneel) is met de vastgestelde feiten en overlast.
  • Minderjarigen: Omdat het om een bestuurlijke ordemaatregel gaat en niet om een jeugdbeschermingsmaatregel, is er geen tussenkomst van de jeugdrechter voorzien. Een minderjarige moet zich, vertegenwoordigd door de ouders, eveneens rechtstreeks richten tot de Raad van State om het plaatsverbod aan te vechten.

Beroep tegen de geldboete bij overtreding (GAS-boete)

Als u het opgelegde plaatsverbod schendt, kan de onafhankelijke sanctionerend ambtenaar u een administratieve geldboete (GAS-boete) opleggen.

  • Verweerprocedure: Voordat de boete definitief wordt opgelegd, heeft u het recht om een schriftelijk of mondeling verweer in te dienen bij de sanctionerend ambtenaar.
  • Beroep bij de rechter: Tegen de uiteindelijke beslissing van de sanctionerend ambtenaar om een GAS-boete op te leggen, kan beroep worden aangetekend volgens de reguliere beroepsmogelijkheden van de GAS-wet (dit verloopt via de politierechtbank, of de jeugdrechtbank als het om een minderjarige gaat).

Stappenplan: Schorsingsprocedure bij de Raad van State

Stap 1: Het opstarten van de procedure (Indienen verzoekschrift)

Als u (of uw cliënt) het niet eens bent met het plaatsverbod dat door de burgemeester is opgelegd en door het College van Burgemeester en Schepenen is bevestigd, kunt u een procedure starten bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

  • Vertegenwoordiging: U kunt zich tijdens de hele procedure laten bijstaan door een advocaat (raadsman).
  • Minderjarigen: Omdat het plaatsverbod een bestuurlijke ordemaatregel is (en geen straf), is er geen tussenkomst van de jeugdrechter. Minderjarigen moeten de procedure bij de Raad van State starten via wettelijke vertegenwoordiging (meestal de ouders).

Stap 2: Bepalen van de spoedeisendheid (Gewone schorsing vs. Uiterst Dringende Noodzakelijkheid)

Omdat een plaatsverbod vaak een korte looptijd heeft (maximaal één maand per keer), heeft een normale, langdurige annulatieprocedure soms weinig nut. U kunt daarom vragen om de schorsing van de maatregel.

  • Uiterst Dringende Noodzakelijkheid (UDN): Als het verbod onmiddellijk grote impact heeft en u de uitspraak niet kunt afwachten, kan een UDN-procedure worden gestart.
  • De 'belang'-toets: De Raad van State beoordeelt hierbij streng of de spoedprocedure wel "werkdadig" is. Als u bijvoorbeeld door een andere (gerechtelijke) maatregel, zoals huisarrest of elektronisch toezicht, uw woning sowieso al niet mag verlaten, zal de Raad het verzoek bij uiterst dringende noodzakelijkheid verwerpen omdat er geen acute spoed is om het plaatsverbod op te heffen.

Stap 3: De inhoudelijke beoordeling (Volwaardige jurisdictionele toetsing)

Wanneer de zaak voorkomt, voert de Raad van State een volwaardige inhoudelijke controle uit. De rechter beoordeelt de beslissing van de burgemeester en het College op de volgende drie aspecten:

  1. De feitelijke grondslag: De rechter controleert of de feiten waarop de burgemeester zich baseert (meestal samengevat in een bestuurlijk verslag of politie-pv's) daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Zijn de beschuldigingen van ordeverstoring of overlast feitelijk aantoonbaar?
  2. De juridische kwalificatie: Heeft de burgemeester de wet correct toegepast? Is er daadwerkelijk sprake van een situatie die valt onder artikel 134sexies NGW (acute ordeverstoring of herhaaldelijke overlast op een specifieke plaats)?
  3. De proportionaliteit (evenredigheid): De rechter weegt het doel (ordehandhaving) af tegen het middel (het plaatsverbod).
    • Duur: Is de opgelegde termijn (bijvoorbeeld direct de maximale maand) niet overdreven lang in verhouding tot de feiten?
    • Perimeter: Is de perimeter niet groter dan strikt noodzakelijk? Een perimeter mag bijvoorbeeld nooit de eigen woning, werkplek of onderwijsinstelling van de betrokkene omvatten.

Stap 4: Toetsing aan de beginselen van behoorlijk bestuur

Naast de wet toetst de Raad van State ook of de gemeente de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gerespecteerd:

  • Is de hoorplicht correct nageleefd door zowel de burgemeester (voorafgaand aan het besluit) als het College (voorafgaand aan de bevestiging)? Als u niet de kans heeft gekregen uw verdediging effectief te voeren, is de beslissing onwettig.
  • Is de beslissing formeel en schriftelijk gemotiveerd op basis van de specifieke hinder voor de openbare orde?
  • Is het besluit tijdig bevestigd door het College van Burgemeester en Schepenen tijdens de eerstvolgende vergadering? Zo niet, dan heeft het plaatsverbod in de tussentijd al zijn uitwerking verloren.

Stap 5: De uitspraak en het gevolg

Als de Raad van State oordeelt dat het plaatsverbod onwettig is (bijvoorbeeld door een procedurefout of een gebrek aan proportionaliteit), zal de Raad de beslissing van de burgemeester en het bevestigingsbesluit van het College schorsen of vernietigen.

  • Gevolg: De gemeentelijke overheid is wettelijk verplicht om zich onmiddellijk te schikken naar dit arrest van de Raad van State. Het plaatsverbod is hiermee van de baan.

Als u een opgelegd gemeentelijk administratief plaatsverbod niet naleeft, heeft dit verschillende juridische en praktische gevolgen:

1. De administratieve geldboete (GAS-boete) De directe wettelijke sanctie op het schenden van het plaatsverbod is een gemeentelijke administratieve geldboete (GAS-boete).

  • Maximale bedragen: De boete bedraagt maximaal € 350 voor een meerderjarige overtreder en maximaal € 175 voor een minderjarige overtreder.
  • De procedure: De boete wordt opgelegd door een onafhankelijke sanctionerend ambtenaar (en dus niet door de burgemeester die het verbod heeft uitgevaardigd). Voordat de boete definitief wordt opgelegd, krijgt de overtreder altijd de kans om een schriftelijk of mondeling verweer in te dienen.
  • Lokale verankering: Om deze boete daadwerkelijk te kunnen opleggen, moet de gemeenteraad de overtreding van het plaatsverbod uitdrukkelijk hebben opgenomen in de lokale politieverordening.

2. Alternatieve maatregelen In plaats van een geldboete kan de sanctionerend ambtenaar ook kiezen voor alternatieve maatregelen, mits de gemeenteraad dit in de politieverordening heeft voorzien:

  • Lokale bemiddeling: Dit is een traject onder leiding van een onafhankelijke bemiddelaar om tot een onderhandelde oplossing voor het conflict te komen. Dit kan bijvoorbeeld nuttig zijn wanneer het plaatsverbod te maken had met overlast door bedelgedrag. Voor minderjarigen is het aanbieden van zo'n bemiddelingstraject verplicht.
  • Gemeenschapsdienst: Dit is het uitvoeren van een prestatie van algemeen belang ten gunste van de collectiviteit.

3. Praktische knelpunten bij de handhaving De auteurs merken op dat gemeenten in de praktijk vaak terughoudend zijn met het opleggen van GAS-boetes na een overtreding van het plaatsverbod vanwege diverse praktische drempels:

  • Problemen met de identificatie van de overtreder.
  • Het ontbreken van een vaste of wettelijke verblijfplaats van de betrokkene.
  • De onvermogendheid (het gebrek aan financiële middelen) van de overtreder om de boete te betalen.
  • Juridische complexiteit rondom de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van ouders voor de boetes van hun minderjarige kinderen.

4. Andere mogelijke politie-interventies Als alternatief voor de GAS-boete kan de politie bij acute overlast of herhaaldelijke overtreding (zoals bij openbare dronkenschap of drugsoverlast) overgaan tot een bestuurlijke aanhouding (van respectievelijk maximaal 12 of 6 uur) op basis van de Wet op het Politieambt. Dit kan eventueel worden gekoppeld aan een nazorg- of hulpverleningstraject bij de vrijlating.