15 MEI 2026. - Omzendbrief CP 6 betreffende de
minderjarigenreflex
AI
Waar gaat deze nieuwe richtlijn over? De omzendbrief
(CP 6) introduceert de zogenaamde "minderjarigenreflex" bij de
politie. Dit is een praktisch kader dat de politie helpt om bij elk contact met
jongeren onder de 18 jaar de juiste balans te vinden tussen de
politieprocedures, de wet, en de rechten van het kind. De uitgangspunten kunnen
trouwens ook zinvol zijn bij jongvolwassenen of kwetsbare personen.
Waarom is deze aanpak nu zo belangrijk? De politie
komt dagelijks in contact met jongeren, of zij nu slachtoffer, dader of gewoon
een omstaander zijn. Dit politiewerk is complexer geworden. Zo waren er in 2024
maar liefst 183.412 nieuwe zaken bij de jeugdparketten. Dat is een record en
een stijging van 17% sinds 2010, vooral doordat de politie steeds vaker moet
ingrijpen in "verontrustende opvoedingssituaties". Om goed
politiewerk te leveren, is er een professionele aanpak nodig die wederzijds
vertrouwen opbouwt.
Hoe moet de politie naar de jongere en naar haar eigen
rol kijken? Een jongere wordt gezien als een volwaardig persoon met eigen
rechten, maar tegelijk ook als iemand die nog volop in ontwikkeling is (fysiek
en emotioneel) en daarom kwetsbaar is. Daarom mag de politie hen niet als
kleine volwassenen behandelen. De politie moet de rechten en vrijheden van
mensen beschermen en de openbare veiligheid bewaren. Daarbij hoort dat ze
onpartijdig werken en een goede samenwerking met burgers en partners nastreven.
Welke vier grote uitdagingen komt de politie tegen in de
praktijk? In de dagelijkse praktijk botst de theorie weleens, waardoor de
politie vier lastige afwegingen moet maken:
- Het
belang van het kind versus het algemeen belang: De politie moet
proberen de maatschappelijke veiligheid te bewaren én tegelijk het kind te
beschermen. Deze twee moeten worden samengebracht.
- Bescherming
versus wetshandhaving: Kinderen hebben recht op bescherming, maar soms
is de politie verplicht om dwang of geweld te gebruiken. Dit mag alleen
als uiterste redmiddel. Praten (de-escalatie) en doorverwijzen naar
hulpverlening krijgen waar mogelijk de voorkeur.
- Recht
om te spreken versus gezag: Minderjarigen hebben het recht om gehoord
te worden. Hun kijk op de zaak moet serieus worden genomen, maar de
politie moet nog steeds de uiteindelijke beslissing nemen in het belang
van de wet en de veiligheid.
- Recht
op zorg versus professioneel optreden: Kinderen hebben recht op zaken
als zorg of onderwijs. De politie moet hen hierover informeren en, indien
nodig, de toegang tot deze hulpdiensten makkelijker maken en hen op een
respectvolle manier begeleiden.
Hoe ziet dit eruit in een praktisch stappenplan voor de
agent? Het is vertaald in een stappenplan met vijf fases, waarbij respect,
integriteit en rechtvaardigheid altijd centraal staan:
- Aanleiding:
De agent moet extra alert zijn of er rechtstreeks contact is met een kind
of dat er signalen zijn dat er een kind aanwezig is (bijvoorbeeld: een
lege kinderstoel in de auto van een dronken chauffeur).
- Situering:
De agent verzamelt objectieve informatie, probeert het grotere plaatje (de
context) te zien en communiceert transparant en met inlevingsvermogen.
- Beoordeling:
Wat de politie gaat doen, hangt af van alle elementen, zoals de leeftijd,
de ontwikkeling en de leefsituatie van het kind. Bij twijfel pleegt de
agent overleg met collega's of met het parket.
- Actie:
Het optreden moet wettelijk zijn en niet zwaarder dan noodzakelijk. Ouders
worden altijd gewaarschuwd, tenzij dat de veiligheid in gevaar brengt.
Bescherming van het kind staat hierbij voorop.
- Nazorg:
Achteraf moet er een verslag komen en wordt het kind indien nodig
doorverwezen naar de juiste diensten. De agent stelt zichzelf ook de
vraag: "Heb ik gehandeld zoals ik zélf behandeld zou willen
worden?".
Aan welke praktische communicatieregels moeten agenten
zich houden? De richtlijn geeft heel concrete tips mee:
- Gebruik
begrijpelijke en eenvoudige taal.
- Probeer,
indien mogelijk, fysiek op ooghoogte te communiceren.
- Leg
altijd helder uit wat er gebeurt en waarom.
- Kijk
bij een jeugdige verdachte niet alleen naar het gepleegde feit, maar wees
ook bewust van zijn of haar achtergrond en de leefomgeving.
Wat is er nodig om dit ook op lange termijn te laten
slagen? Er worden drie grote aanbevelingen gedaan om dit succesvol in te
voeren:
- Opleiding:
Agenten moeten specifiek getraind worden. Ze moeten leren over de
leefwereld van jongeren, sociale media, interculturele verschillen en
psychische kwetsbaarheden (zoals trauma's). Zelfs in de training rond
'geweldsbeheersing' moet de theorie over jongeren worden meegenomen.
- Samenwerking:
Er is een nauwe samenwerking nodig met jeugdhulp, CLB's en scholen. In
elke politiezone komt er daarom een vaste contactpersoon (de 'PLP
41-referent') die fungeert als het directe aanspreekpunt voor deze
organisaties. Dit moet zorgen voor een snellere doorstroming van
informatie.
- Inzet
van jeugdinspecteurs: Deze gespecialiseerde inspecteurs handelen niet
zomaar één incident af, maar bekijken de situatie als een langer proces.
Zij hebben extra aandacht voor de schoolse en sociale context van de
jongere.
Wat is de conclusie? Minderjarigen zijn absoluut geen
volwassenen en hebben een aangepaste benadering nodig vanwege hun specifieke
kwetsbaarheden. Dat neemt niet weg dat de politie nog steeds heel kordaat kan
én mag optreden als dat nodig is. Door deze reflex echter consequent te
gebruiken, verhoogt de politie het welzijn van de jongere en vergroot ze
tegelijk het vertrouwen in de politie zelf.