maandag 1 juni 2026

15 MEI 2026. - Omzendbrief CP 6 betreffende de minderjarigenreflex

 

15 MEI 2026. - Omzendbrief CP 6 betreffende de minderjarigenreflex

AI

https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article.pl?language=nl&sum_date=2026-06-01&lg_txt=n&numac_search=2026003859

Waar gaat deze nieuwe richtlijn over? De omzendbrief (CP 6) introduceert de zogenaamde "minderjarigenreflex" bij de politie. Dit is een praktisch kader dat de politie helpt om bij elk contact met jongeren onder de 18 jaar de juiste balans te vinden tussen de politieprocedures, de wet, en de rechten van het kind. De uitgangspunten kunnen trouwens ook zinvol zijn bij jongvolwassenen of kwetsbare personen.


Waarom is deze aanpak nu zo belangrijk? De politie komt dagelijks in contact met jongeren, of zij nu slachtoffer, dader of gewoon een omstaander zijn. Dit politiewerk is complexer geworden. Zo waren er in 2024 maar liefst 183.412 nieuwe zaken bij de jeugdparketten. Dat is een record en een stijging van 17% sinds 2010, vooral doordat de politie steeds vaker moet ingrijpen in "verontrustende opvoedingssituaties". Om goed politiewerk te leveren, is er een professionele aanpak nodig die wederzijds vertrouwen opbouwt.

Hoe moet de politie naar de jongere en naar haar eigen rol kijken? Een jongere wordt gezien als een volwaardig persoon met eigen rechten, maar tegelijk ook als iemand die nog volop in ontwikkeling is (fysiek en emotioneel) en daarom kwetsbaar is. Daarom mag de politie hen niet als kleine volwassenen behandelen. De politie moet de rechten en vrijheden van mensen beschermen en de openbare veiligheid bewaren. Daarbij hoort dat ze onpartijdig werken en een goede samenwerking met burgers en partners nastreven.

Welke vier grote uitdagingen komt de politie tegen in de praktijk? In de dagelijkse praktijk botst de theorie weleens, waardoor de politie vier lastige afwegingen moet maken:

  • Het belang van het kind versus het algemeen belang: De politie moet proberen de maatschappelijke veiligheid te bewaren én tegelijk het kind te beschermen. Deze twee moeten worden samengebracht.
  • Bescherming versus wetshandhaving: Kinderen hebben recht op bescherming, maar soms is de politie verplicht om dwang of geweld te gebruiken. Dit mag alleen als uiterste redmiddel. Praten (de-escalatie) en doorverwijzen naar hulpverlening krijgen waar mogelijk de voorkeur.
  • Recht om te spreken versus gezag: Minderjarigen hebben het recht om gehoord te worden. Hun kijk op de zaak moet serieus worden genomen, maar de politie moet nog steeds de uiteindelijke beslissing nemen in het belang van de wet en de veiligheid.
  • Recht op zorg versus professioneel optreden: Kinderen hebben recht op zaken als zorg of onderwijs. De politie moet hen hierover informeren en, indien nodig, de toegang tot deze hulpdiensten makkelijker maken en hen op een respectvolle manier begeleiden.

Hoe ziet dit eruit in een praktisch stappenplan voor de agent? Het is vertaald in een stappenplan met vijf fases, waarbij respect, integriteit en rechtvaardigheid altijd centraal staan:

  1. Aanleiding: De agent moet extra alert zijn of er rechtstreeks contact is met een kind of dat er signalen zijn dat er een kind aanwezig is (bijvoorbeeld: een lege kinderstoel in de auto van een dronken chauffeur).
  2. Situering: De agent verzamelt objectieve informatie, probeert het grotere plaatje (de context) te zien en communiceert transparant en met inlevingsvermogen.
  3. Beoordeling: Wat de politie gaat doen, hangt af van alle elementen, zoals de leeftijd, de ontwikkeling en de leefsituatie van het kind. Bij twijfel pleegt de agent overleg met collega's of met het parket.
  4. Actie: Het optreden moet wettelijk zijn en niet zwaarder dan noodzakelijk. Ouders worden altijd gewaarschuwd, tenzij dat de veiligheid in gevaar brengt. Bescherming van het kind staat hierbij voorop.
  5. Nazorg: Achteraf moet er een verslag komen en wordt het kind indien nodig doorverwezen naar de juiste diensten. De agent stelt zichzelf ook de vraag: "Heb ik gehandeld zoals ik zélf behandeld zou willen worden?".

Aan welke praktische communicatieregels moeten agenten zich houden? De richtlijn geeft heel concrete tips mee:

  • Gebruik begrijpelijke en eenvoudige taal.
  • Probeer, indien mogelijk, fysiek op ooghoogte te communiceren.
  • Leg altijd helder uit wat er gebeurt en waarom.
  • Kijk bij een jeugdige verdachte niet alleen naar het gepleegde feit, maar wees ook bewust van zijn of haar achtergrond en de leefomgeving.

Wat is er nodig om dit ook op lange termijn te laten slagen? Er worden drie grote aanbevelingen gedaan om dit succesvol in te voeren:

  • Opleiding: Agenten moeten specifiek getraind worden. Ze moeten leren over de leefwereld van jongeren, sociale media, interculturele verschillen en psychische kwetsbaarheden (zoals trauma's). Zelfs in de training rond 'geweldsbeheersing' moet de theorie over jongeren worden meegenomen.
  • Samenwerking: Er is een nauwe samenwerking nodig met jeugdhulp, CLB's en scholen. In elke politiezone komt er daarom een vaste contactpersoon (de 'PLP 41-referent') die fungeert als het directe aanspreekpunt voor deze organisaties. Dit moet zorgen voor een snellere doorstroming van informatie.
  • Inzet van jeugdinspecteurs: Deze gespecialiseerde inspecteurs handelen niet zomaar één incident af, maar bekijken de situatie als een langer proces. Zij hebben extra aandacht voor de schoolse en sociale context van de jongere.

Wat is de conclusie? Minderjarigen zijn absoluut geen volwassenen en hebben een aangepaste benadering nodig vanwege hun specifieke kwetsbaarheden. Dat neemt niet weg dat de politie nog steeds heel kordaat kan én mag optreden als dat nodig is. Door deze reflex echter consequent te gebruiken, verhoogt de politie het welzijn van de jongere en vergroot ze tegelijk het vertrouwen in de politie zelf.