14 MEI 2026. - Ministeriële omzendbrief PLP 41 tot
versterking en/of bijsturing van het lokaal veiligheidsbeleid en de specifieke
aanpak van de jeugddelicten en jongeren in een verontrustende
opvoedingssituatie, met in het bijzonder een aanspreekpunt voor de scholen
Waarover gaat deze nieuwe tekst precies?
Deze tekst beschrijft de nieuwe ministeriële omzendbrief
(bekend als 'PLP 41'), die op 14 mei 2026 is gepubliceerd. Deze richtlijn
vertelt lokale politiekorpsen en overheden hoe zij jeugdcriminaliteit en
jongeren in moeilijke opvoedingssituaties beter kunnen aanpakken. Er is daarbij
bijzondere aandacht voor de manier waarop de politie samenwerkt met scholen.
Deze nieuwe wet vervangt een oudere versie uit 2006.
Waarom was er nood aan een vernieuwing van de regels uit
2006?
De samenleving is in de afgelopen twintig jaar razendsnel
veranderd. De jeugdproblematiek beperkt zich niet meer tot de klassieke
problemen van vroeger. Jongeren worden vandaag de dag blootgesteld aan compleet
nieuwe, ongekende risico's. Daarom was er dringend behoefte aan een moderne
aanpak die focust op het voorkomen van criminaliteit, correct optreden van de
politie, en de juiste bestuurlijke maatregelen.
Op welke specifieke problemen en bedreigingen richt deze
aanpak zich?
De tekst somt een reeks moderne en acute bedreigingen op
waarvoor de politie en overheid actie moeten ondernemen:
- Drugs:
Niet alleen het gebruik en bezit rond scholen is een probleem. Criminelen
misbruiken de kwetsbaarheid van jongeren door hen als (kleine) dealers in
te zetten.
- Geweld
en afpersing ("steaming"): Pesterijen en geweld worden
tegenwoordig vaak veel erger door groepsdruk op sociale media en via
berichtenapps.
- Wapens:
Het bezit van messen en (vooral in steden) zelfs vuurwapens in de buurt
van scholen is een acute bedreiging.
- Online
criminaliteit: Denk aan kinderlokken (grooming), afpersing met
naaktbeelden (sextortion), cyberpesten en het ongewenst verspreiden van
seksuele beelden.
- Radicalisering
en bendes: Via het internet worden kwetsbare jongeren door extremisten
geronseld. Ook zet de georganiseerde misdaad jongeren in als koeriers of
'geldezels' om illegaal geld wit te wassen.
- Moeilijke
thuissituaties: Voor jongeren in onveilige of precaire gezinnen is de
school vaak de enige stabiele plek.
- Spijbelen:
Chronisch schoolverzuim wordt gezien als een belangrijk alarmsignaal voor
diepere problemen.
- Crisissituaties:
Scholen moeten, samen met de politie, noodplannen hebben voor
"amokincidenten", waarbij iemand onverwachts en schijnbaar
willekeurig mensen aanvalt op school.
- Verkeersveiligheid:
De veiligheid van kinderen op weg van en naar school blijft een belangrijk
aandachtspunt.
Wie is de centrale spilfiguur in deze vernieuwde aanpak?
Binnen elk lokaal politiekorps is er een zogenoemde 'PLP
41-referent'. Dit is een politieagent met een speciale affiniteit voor sociaal
werk, jeugd- en wijkwerking. Deze referent fungeert als het vaste en
laagdrempelige aanspreekpunt voor scholen, jongeren en externe partners (zoals
jeugdwerkers).
Hoe moet deze referent omgaan met jongeren?
De referent is de 'ambassadeur van de minderjarigenreflex'.
Dit betekent dat de politie de jongere bij élk contact benadert als een persoon
met eigen rechten, maar tegelijkertijd ziet als een kwetsbaar kind dat nog
volop in ontwikkeling is. Waar nodig treedt de politie kordaat op, maar altijd
met respect voor de kinderrechten. De referent helpt andere collega's binnen
het korps om hier correct mee om te gaan. Bij alles wat de agent doet, moet de
wet op de privacy en het verwerken van persoonlijke gegevens gerespecteerd
worden.
Met wie werkt deze referent samen?
De aanpak is verdeeld in drie werkterreinen of
"actordomeinen":
- Lagere
scholen: Hier draait het vooral om het zeer vroeg opmerken van
problemen (zoals spijbelen of signalen uit de thuissituatie). De referent
moet bij de start van elk schooljaar uit zichzelf contact opnemen met de
lagere scholen.
- Secundaire
scholen: Met elke middelbare school moet de politie een formele
samenwerkingsovereenkomst sluiten. Minstens twee keer per jaar is er
overleg. In deze overeenkomst staan harde afspraken over wat scholen en
politie doen bij pesten, wapenbezit, drugsvondsten, radicalisering of
cybercriminaliteit.
- De
bredere buurt (Buurt, sport, straat): Omdat het leven van een jongere
niet stopt bij de schoolpoort, is er ook een verplichte samenwerking met
jeugdbewegingen, sportclubs, jeugdraden en straathoekwerkers.
Hoe gaat de politie concreet te werk om dit uit te
voeren?
De richtlijn bepaalt dat de politie altijd via vier vaste
sporen ("werkwijzen") moet werken:
- Preventie:
Het voorkomen van problemen via voorlichting en campagnes, zelfs als een
gemeente denkt dat er op dit moment geen grote problemen zijn.
- Interventie:
Als er feiten gebeuren (zoals een vechtpartij of drugsvondst), coördineert
de referent de informatie, zorgt voor de juiste afspraken met de school,
en verwijst betrokkenen door naar hulp.
- Onderzoek:
De referent vangt signalen op in de school en de wijk en speelt deze
informatie (binnen de wettelijke grenzen) door aan de recherche om
misdaden te kunnen opsporen en oplossen.
- Slachtoffer
en herstel: Er mag niet alleen naar de dader gekeken worden.
Slachtoffers moeten door de politie goed worden begeleid. Er wordt ook
ingezet op manieren om de schade te herstellen tussen de dader, het
slachtoffer en de maatschappij.
Wat is de opdracht voor burgemeesters en politiechefs?
Ze moeten de problemen rond jeugdcriminaliteit grondig
bespreken in hun lokale veiligheidsraad. Bestaande maatregelen moeten versterkt
of bijgestuurd worden en verplicht worden opgenomen in de lokale
veiligheidsplannen. Aan steden en grote politiezones wordt daarnaast expliciet
gevraagd om een volwaardige 'jeugddienst' (of jeugdbrigade) op te richten
binnen hun korps, met speciaal opgeleide jeugdinspecteurs.
Hoe snel moet dit allemaal gebeuren?
De nieuwe regels gingen direct in vanaf de datum van
publicatie (14 mei 2026). Politiekorpsen moeten dit nu zo snel mogelijk lokaal
bespreken en de PLP 41-referent officieel aanduiden. Nog voor het einde van dit
jaar moeten alle samenwerkingsovereenkomsten met de scholen rond zijn en
ingeleverd worden bij de provinciegouverneurs, die toezicht houden op de
naleving van deze deadlines.