maandag 9 februari 2026

Uitspraak NEDERLANDSTALIGE TUCHTRAAD VAN BEROEP VOOR ADVOCATEN

 

Inleiding

Deze zaak betreft een principieel geschil over de vraag of een advocaat tegelijkertijd actief mag zijn als gastvrouw in een restaurant. De kern van de zaak draait om de onverenigbaarheid tussen het beroep van advocaat en het drijven van handel, zoals vastgelegd in artikel 437 van het Gerechtelijk Wetboek.


1. De Feiten

De feitelijke context die aanleiding gaf tot de tuchtprocedure is als volgt:

  • Achtergrond: De betrokkene (appellante) is sinds 1 oktober 2018 ingeschreven als advocaat aan de balie van Limburg. Haar echtgenoot, ingenieur van beroep, is tevens hobbykok.
  • De Onderneming: De echtgenoot richtte een vennootschap (BV) op waarvan hij de enige oprichter, bestuurder en aandeelhouder is. Via deze BV wordt sinds januari 2025 een restaurant uitgebaat in Tongeren. Het restaurant is geopend op vrijdag-, zaterdag- en zondagavond.
  • Rol van de Advocaat: De advocaat fungeerde in het restaurant als gastvrouw. Dit bleek uit diverse objectieve vaststellingen:
    • Ze stond op foto’s in de media (Het Belang van Limburg) en op de website, al dan niet met een glas wijn of een fles, en werd expliciet omschreven als "gastvrouw".
    • Ze verrichtte taken zoals het ontvangen van gasten, bediening in de zaal en het opnemen van bestellingen van gasten.
  • Voorafgaande Waarschuwing: De advocaat had voorafgaand aan de opening (juni 2024) aan de stafhouder gevraagd of ze mocht helpen. De stafhouder reageerde via mail van 7 juni 2024  omvattende een niet bindend advies en stelt  letterlijk : ".... als echtgenoot en beste businesspartner hulp bieden in het weekend in de zaak van uw echtgenoot ...is momenteel niet toegelaten"  wegens strijdigheid met de onverenigbaarheidsregel.
  • Maatregel (geen tucht): De Raad van de Orde van de balie Limburg heeft haar op 28 augustus 2025 van het tableau (de lijst van actieve advocaten) weggelaten, omdat zij oordeelden dat haar nevenactiviteit onverenigbaar was met het beroep van advocaat.

2. De Verweermiddelen van de Advocaat

De advocaat ging in beroep tegen de schrapping en voerde diverse argumenten aan om aan te tonen dat er geen sprake was van verboden handel drijven:

  • Geen Handelaar: Ze stelde dat ze geen "handel dreef" in juridische zin. Ze werd niet betaald, had geen arbeidscontract en was geen aandeelhouder of bestuurder. Ze deed dit louter om haar man te steunen in zijn droom.
  • Tijdelijkheid en Hulp: Ze betoogde dat het ging om occasionele hulp tijdens de "opstartfase" van het restaurant en dat ze dit in haar privétijd (weekends) deed.
  • Geen Beslissingsmacht: Ze voerde o.a. aan  geen toegang te hebben tot bankrekeningen, geen leveranciers te zien en geen beleidsbeslissingen te nemen.
  • Strijdigheid met Hogere Normen (EU-recht): Dit was haar zwaarste juridische argument. Ze stelde dat een absoluut verbod op handel drijven voor advocaten in strijd is met:
    • De vrijheid van ondernemen (EU-Handvest).
    • De vrijheid van vestiging en dienstenverkeer.
    • Het gelijkheidsbeginsel (discriminatie ten opzichte van andere beroepen of burgers die wel vrij mogen ondernemen).
  • Verzoek Prejudiciële Vragen: Ze vroeg de Tuchtraad om vragen te stellen aan het Europees Hof van Justitie en het Grondwettelijk Hof om te toetsen of de Belgische wetgeving wel geldig was.

3. Principes en Beoordeling door de Tuchtraad

De Tuchtraad van Beroep bevestigde de weglating van het tableau en hanteerde daarbij de volgende juridische principes en redeneringen:

A. Wat is "Handel Drijven" voor een advocaat?

De Tuchtraad oordeelde dat de advocaat wel degelijk handel dreef in de zin van artikel 437, lid 1, 3° van het Gerechtelijk Wetboek.

  • Ruime interpretatie: Handel drijven vereist niet dat men formeel "zaakvoerder" is. Het structureel en regelmatig meewerken in een commerciële zaak (bediening, contact met cliënteel, publiciteit maken) volstaat.
  • Winstoogmerk: Hoewel ze geen direct salaris ontving, oordeelde de Raad dat er sprake was van een winstoogmerk. Door gratis te werken bespaarde de BV personeelskosten. Aangezien zij getrouwd is met de eigenaar (zonder huwelijkscontract), profiteert zij onrechtstreeks mee van de vermogensaanwas van de vennootschap. Dit wordt gezien als een economisch voordeel.
  • Publieke Uitstraling: Door in de pers en in de zaak op te treden als gastvrouw, neemt ze een prominente commerciële rol op zich naar de buitenwereld toe.

B. De Noodzaak van Onafhankelijkheid (Ratio Legis)

De Tuchtraad legde uitvoerig uit waarom dit verbod bestaat. Het gaat om de objectieve onafhankelijkheid van de advocaat.

  • Een advocaat mag niet onder commerciële druk staan van klanten, leveranciers of de noodzaak om omzet te draaien in een handelszaak.
  • Het risico op belangenconflicten is reëel (bv. schuldeisers van het restaurant, ontevreden klanten). Een advocaat moet vrij zijn van dergelijke invloeden om cliënten onafhankelijk te kunnen verdedigen.

C. Toetsing aan Europees Recht en Grondwet

De Tuchtraad verwierp de argumenten dat het verbod strijdig zou zijn met EU-recht.

  • Rechtspraak Hof van Justitie: De Raad verwees naar het arrest Wouters en recentere rechtspraak (Halmer), die bevestigen dat lidstaten strenge regels mogen opleggen aan advocaten om hun onafhankelijkheid en integriteit te beschermen.
  • Dwingende reden van algemeen belang: De goede rechtsbedeling en de bescherming van de onafhankelijkheid van de advocaat zijn legitieme redenen om de vrijheid van ondernemen te beperken.
  • Evenredigheid: Het verbod is proportioneel. Een advocaat mag aandeelhouder zijn of investeren (passief), maar niet zelf actief de handel drijven (actief). Er is geen minder ingrijpende maatregel mogelijk die dezelfde onafhankelijkheid garandeert; loutere transparantie volstaat niet.
  • Geen discriminatie: Advocaten bevinden zich in een unieke positie (pleitmonopolie, vertegenwoordiging in rechte) die verschilt van bijvoorbeeld boekhouders. Daarom zijn strengere regels voor advocaten gerechtvaardigd en niet discriminerend.

4. De Uiteindelijke Beslissing

De Tuchtraad van Beroep kwam tot het volgende besluit op 14 januari 2026:

  1. Hoger Beroep Ongegrond: De eerdere beslissing om de advocaat weg te laten van het tableau wordt bevestigd.
  2. Grondslag: De weglating is uitsluitend gebaseerd op artikel 437, lid 1, 3° Ger.W. (het verbod op handel drijven). De Raad oordeelde dat andere gronden (zoals bezoldigde betrekking) niet van toepassing waren, maar dat het handelsverbod alleen al voldoende was voor de sanctie.
  3. Geen Prejudiciële Vragen: De verzoeken om vragen te stellen aan het Europees Hof of het Grondwettelijk Hof werden afgewezen, omdat de rechtspraak al duidelijk genoeg is en de regelgeving geldig wordt geacht.
  4. Gevolg: De advocaat verliest haar hoedanigheid van advocaat en mag het beroep niet meer uitoefenen zolang deze onverenigbaarheid blijft bestaan.

Samenvattend: De Tuchtraad oordeelde streng en principieel in toepassing van artikel 437 3° Ger W.. De rol van "gastvrouw" in een restaurant, zelfs onbetaald en als hulp voor een partner, wordt gezien als het daadwerkelijk drijven van handel. Dit is volgens de Tuchtraad absoluut onverenigbaar met de onafhankelijkheid die vereist is voor het beroep van advocaat.