Inleiding
Deze zaak betreft een
principieel geschil over de vraag of een advocaat tegelijkertijd actief mag
zijn als gastvrouw in een restaurant. De kern van de zaak draait om de onverenigbaarheid tussen
het beroep van advocaat en het drijven van handel, zoals vastgelegd in artikel
437 van het Gerechtelijk Wetboek.
1. De Feiten
De feitelijke
context die aanleiding gaf tot de tuchtprocedure is als volgt:
- Achtergrond: De
betrokkene (appellante) is sinds 1 oktober 2018 ingeschreven als advocaat
aan de balie van Limburg. Haar echtgenoot, ingenieur van beroep, is tevens
hobbykok.
- De Onderneming: De
echtgenoot richtte een vennootschap (BV) op waarvan hij de enige
oprichter, bestuurder en aandeelhouder is. Via deze BV wordt sinds januari
2025 een restaurant uitgebaat in Tongeren. Het restaurant is geopend op
vrijdag-, zaterdag- en zondagavond.
- Rol van de Advocaat: De
advocaat fungeerde in het restaurant als gastvrouw.
Dit bleek uit diverse objectieve vaststellingen:
- Ze
stond op foto’s in de media (Het Belang van Limburg) en op de
website, al dan niet met een glas wijn of een fles, en werd expliciet
omschreven als "gastvrouw".
- Ze
verrichtte taken zoals het ontvangen van gasten, bediening in de zaal en
het opnemen van bestellingen van gasten.
- Voorafgaande Waarschuwing: De
advocaat had voorafgaand aan de opening (juni 2024) aan de stafhouder
gevraagd of ze mocht helpen. De stafhouder reageerde via mail van 7
juni 2024 omvattende een niet bindend advies en stelt
letterlijk : ".... als echtgenoot en beste businesspartner hulp
bieden in het weekend in de zaak van uw echtgenoot ...is momenteel niet
toegelaten" wegens strijdigheid met de
onverenigbaarheidsregel.
- Maatregel (geen
tucht): De Raad van de Orde van de balie Limburg heeft
haar op 28 augustus 2025 van het tableau (de lijst van actieve advocaten) weggelaten, omdat zij oordeelden dat haar
nevenactiviteit onverenigbaar was met het beroep van advocaat.
2. De Verweermiddelen van de Advocaat
De advocaat ging in beroep
tegen de schrapping en voerde diverse argumenten aan om aan te tonen dat er
geen sprake was van verboden handel drijven:
- Geen Handelaar: Ze
stelde dat ze geen "handel dreef" in juridische zin. Ze werd
niet betaald, had geen arbeidscontract en was geen aandeelhouder of
bestuurder. Ze deed dit louter om haar man te steunen in zijn droom.
- Tijdelijkheid en Hulp: Ze
betoogde dat het ging om occasionele hulp tijdens de
"opstartfase" van het restaurant en dat ze dit in haar privétijd
(weekends) deed.
- Geen Beslissingsmacht: Ze
voerde o.a. aan geen toegang te hebben tot bankrekeningen, geen
leveranciers te zien en geen beleidsbeslissingen te nemen.
- Strijdigheid met Hogere
Normen (EU-recht): Dit was haar zwaarste
juridische argument. Ze stelde dat een absoluut verbod op handel drijven
voor advocaten in strijd is met:
- De vrijheid
van ondernemen (EU-Handvest).
- De
vrijheid van vestiging en dienstenverkeer.
- Het
gelijkheidsbeginsel (discriminatie ten opzichte van andere beroepen of
burgers die wel vrij mogen ondernemen).
- Verzoek Prejudiciële Vragen: Ze
vroeg de Tuchtraad om vragen te stellen aan het Europees Hof van Justitie
en het Grondwettelijk Hof om te toetsen of de Belgische wetgeving wel
geldig was.
3. Principes en Beoordeling door de Tuchtraad
De Tuchtraad van Beroep
bevestigde de weglating van het tableau en hanteerde daarbij de volgende
juridische principes en redeneringen:
A. Wat is "Handel Drijven" voor een
advocaat?
De Tuchtraad oordeelde dat
de advocaat wel degelijk handel dreef in de zin van artikel 437, lid 1, 3° van
het Gerechtelijk Wetboek.
- Ruime interpretatie: Handel
drijven vereist niet dat men formeel "zaakvoerder" is. Het
structureel en regelmatig meewerken in een commerciële zaak (bediening,
contact met cliënteel, publiciteit maken) volstaat.
- Winstoogmerk: Hoewel
ze geen direct salaris ontving, oordeelde de Raad dat er sprake was van
een winstoogmerk. Door gratis te werken bespaarde de BV personeelskosten.
Aangezien zij getrouwd is met de eigenaar (zonder huwelijkscontract),
profiteert zij onrechtstreeks mee van de vermogensaanwas van de
vennootschap. Dit wordt gezien als een economisch voordeel.
- Publieke Uitstraling: Door
in de pers en in de zaak op te treden als gastvrouw, neemt ze een
prominente commerciële rol op zich naar de buitenwereld toe.
B. De Noodzaak van Onafhankelijkheid (Ratio Legis)
De Tuchtraad legde
uitvoerig uit waarom dit verbod bestaat. Het gaat om de objectieve
onafhankelijkheid van de advocaat.
- Een
advocaat mag niet onder commerciële druk staan van klanten, leveranciers
of de noodzaak om omzet te draaien in een handelszaak.
- Het
risico op belangenconflicten is reëel (bv. schuldeisers van het
restaurant, ontevreden klanten). Een advocaat moet vrij zijn van
dergelijke invloeden om cliënten onafhankelijk te kunnen verdedigen.
C. Toetsing aan Europees Recht en Grondwet
De Tuchtraad verwierp de
argumenten dat het verbod strijdig zou zijn met EU-recht.
- Rechtspraak Hof van
Justitie: De Raad verwees naar het arrest Wouters en
recentere rechtspraak (Halmer), die bevestigen dat lidstaten
strenge regels mogen opleggen aan advocaten om hun onafhankelijkheid en
integriteit te beschermen.
- Dwingende reden van algemeen
belang: De goede rechtsbedeling en de bescherming van de
onafhankelijkheid van de advocaat zijn legitieme redenen om de vrijheid
van ondernemen te beperken.
- Evenredigheid: Het
verbod is proportioneel. Een advocaat mag aandeelhouder zijn
of investeren (passief), maar niet zelf actief de handel drijven (actief).
Er is geen minder ingrijpende maatregel mogelijk die dezelfde
onafhankelijkheid garandeert; loutere transparantie volstaat niet.
- Geen discriminatie: Advocaten
bevinden zich in een unieke positie (pleitmonopolie, vertegenwoordiging in
rechte) die verschilt van bijvoorbeeld boekhouders. Daarom zijn strengere
regels voor advocaten gerechtvaardigd en niet discriminerend.
4. De Uiteindelijke Beslissing
De Tuchtraad van Beroep
kwam tot het volgende besluit op 14 januari 2026:
- Hoger Beroep Ongegrond: De
eerdere beslissing om de advocaat weg te laten van het tableau wordt bevestigd.
- Grondslag: De
weglating is uitsluitend gebaseerd op artikel 437, lid 1, 3° Ger.W. (het
verbod op handel drijven). De Raad oordeelde dat andere gronden (zoals
bezoldigde betrekking) niet van toepassing waren, maar dat het
handelsverbod alleen al voldoende was voor de sanctie.
- Geen Prejudiciële Vragen: De
verzoeken om vragen te stellen aan het Europees Hof of het Grondwettelijk
Hof werden afgewezen, omdat de rechtspraak al duidelijk genoeg is en de
regelgeving geldig wordt geacht.
- Gevolg: De
advocaat verliest haar hoedanigheid van advocaat en mag het beroep niet
meer uitoefenen zolang deze onverenigbaarheid blijft bestaan.
Samenvattend:
De Tuchtraad oordeelde streng en principieel in
toepassing van artikel 437 3° Ger W.. De rol van "gastvrouw"
in een restaurant, zelfs onbetaald en als hulp voor een partner, wordt gezien
als het daadwerkelijk drijven van handel. Dit is volgens de Tuchtraad absoluut onverenigbaar met de
onafhankelijkheid die vereist is voor het beroep van advocaat.