De Feiten
De kern van de zaak is de vraag of de mensen die via het
platform van Uber ritten verzorgen, dit doen als werknemers of
als zelfstandig ondernemers. De vereniging ([geïntimeerde 8]) stapte
naar de rechter om vast te laten leggen dat alle chauffeurs (of een specifieke
groep) een arbeidsovereenkomst hebben met Uber. Als dat zo is, moet Uber
zich houden aan de CAO Zorgvervoer en Taxi en de chauffeurs volgens die
regels betalen.
Beslissing van de eerste rechter (de rechtbank)
De eerste rechter die zich over deze zaak boog, gaf de
vereniging gelijk. De rechtbank oordeelde destijds dat de chauffeurs wél op
basis van een arbeidsovereenkomst werkten. Dit betekende dat Uber volgens die
eerste uitspraak verplicht was om de chauffeurs te behandelen als werknemers en
hen te betalen volgens de cao voor taxivervoer. Uber was het hier niet mee eens
en ging in hoger beroep bij het gerechtshof.
Verweermiddelen (De standpunten in hoger beroep)
In het hoger beroep kwamen Uber en een groep chauffeurs (die
zich bij de zaak hadden gevoegd) met hun verweer:
- Uber
en de chauffeurs stelden dat er sprake is van een sterke mate van
ondernemerschap.
- Zij
voerden aan dat de chauffeurs zelfstandig zijn, eigen investeringen doen
en zelf bepalen hoe en wanneer zij werken.
- De
vereniging bleef erbij dat de chauffeurs feitelijk onder gezag van Uber
staan en dus werknemers zijn.
Juridische Principes
Om te bepalen of iemand een ondernemer is of een werknemer,
kijkt de rechter naar verschillende principes die de zelfstandigheid aantonen:
- Investeringen:
Betaalt de chauffeur zelf voor zijn auto en het onderhoud?
- Vrijheid:
Kan de chauffeur zelf kiezen wanneer hij werkt en welke ritten hij wel of
niet accepteert?
- Strategie:
Heeft de chauffeur een eigen plan om zijn verdiensten te beïnvloeden?
- Risico:
Wie is er financieel de dupe als er schade is of als de chauffeur
arbeidsongeschikt raakt? Bij een ondernemer ligt dit risico bij de
chauffeur zelf.
De Beslissing van het Gerechtshof
Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 27 januari 2026 de
eerdere uitspraak van de rechtbank vernietigd. De belangrijkste punten
uit de eindbeslissing zijn:
- Geen
werknemers: Het hof kon niet vaststellen dat de chauffeurs op basis
van een arbeidsovereenkomst werken. Voor de chauffeurs die bij de zaak
betrokken waren, werd geoordeeld dat zij ondernemers zijn.
- Ondernemerschap
doorslaggevend: De vrijheid in werktijden, de eigen investeringen in
auto's en het dragen van zakelijke risico's wegen zwaarder dan de regels
van het Uber-platform.
- Geen
algemeen oordeel: Het hof sluit niet uit dat er individuele chauffeurs
zijn die wél als werknemer gezien kunnen worden, maar er waren te weinig
gegevens over persoonlijke situaties om dit voor de hele groep te
beslissen.
- Geen
CAO-betalingen: Omdat er geen sprake is van een bewezen
arbeidsovereenkomst, hoeft Uber de gevorderde vergoedingen uit de taxi-cao
niet te betalen.
Conclusie: Waar de eerste rechter de chauffeurs nog
als werknemers zag, oordeelt het gerechtshof nu dat zij zelfstandige
ondernemers zijn.
De vernietiging van het eerdere vonnis door het Gerechtshof
Amsterdam rust op een aantal belangrijke juridische conclusies. Hieronder volgt
een uitleg van de redenen voor deze beslissing en de rol die de Hoge Raad
hierin heeft gespeeld.
Belangrijkste redenen voor de vernietiging
Het hof kwam tot een ander oordeel dan de rechtbank, omdat
het niet kon vaststellen dat alle chauffeurs van Uber automatisch werknemers
zijn. De belangrijkste redenen hiervoor zijn:
- Sterke
mate van ondernemerschap: Bij de chauffeurs die bij deze zaak
betrokken waren, was volgens het hof sprake van ondernemerschap in plaats
van een dienstverband. Dit baseerde het hof op de volgende punten:
- Investeringen:
Chauffeurs doen zelf grote investeringen, bijvoorbeeld in hun eigen auto.
- Vrijheid:
Zij hebben de vrijheid om zelf hun werktijden te bepalen.
- Eigen
strategie: Chauffeurs kunnen zelf bepalen welke ritten zij wel of
niet accepteren om zo hun eigen inkomsten te beïnvloeden.
- Risico’s:
De chauffeurs dragen zelf de risico’s voor aansprakelijkheid en bij
eventuele arbeidsongeschiktheid.
- Gebrek
aan individuele gegevens: Hoewel het hof niet uitsluit dat sommige
chauffeurs wél als werknemer zouden kunnen worden gezien, waren er niet
genoeg gegevens over individuele situaties om dit voor de hele groep
chauffeurs vast te stellen.
- Geen
algemeen oordeel mogelijk: Omdat niet voor de hele groep bewezen kon
worden dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst, kon het hof ook geen
algemeen bevel geven dat Uber de cao-vergoedingen aan alle chauffeurs moet
betalen.
De rol van de vragen aan de Hoge Raad
Tijdens de procedure in hoger beroep heeft het hof een pauze
ingelast om juridisch advies in te winnen bij de Hoge Raad (de hoogste
rechter van Nederland). Dit gebeurde via zogenaamde prejudiciële vragen.
De rol van deze vragen was als volgt:
- Rechtszekerheid:
Het hof stelde deze vragen in februari 2024 om meer duidelijkheid te
krijgen over hoe de wet precies uitgelegd moet worden in dit soort moderne
arbeidsrelaties (zoals bij platformwerk).
- Antwoord
van de Hoge Raad: De Hoge Raad heeft deze vragen op 21 februari 2025
beantwoord.
- Toepassing
in de zaak: Na het krijgen van deze antwoorden mochten alle partijen
(Uber en de vereniging) nogmaals hun standpunt toelichten op basis van de
nieuwe uitleg van de Hoge Raad. Het hof heeft deze antwoorden vervolgens
gebruikt als leidraad om tot de uiteindelijke beslissing te komen
dat er in dit specifieke geval geen sprake was van een arbeidsovereenkomst
voor de chauffeurs.
Samenvattend: De eerdere uitspraak werd vernietigd
omdat het hof vond dat de zelfstandigheid en de ondernemersrisico's van de
chauffeurs zwaarder wogen dan de kenmerken van een loondienstverband, een
oordeel dat mede gevormd is door de juridische kaders die de Hoge Raad heeft
verduidelijkt.