zondag 1 februari 2026

Uber - Gerechtshof Amsterdam - 27 januari 2026

Bron

De Feiten

De kern van de zaak is de vraag of de mensen die via het platform van Uber ritten verzorgen, dit doen als werknemers of als zelfstandig ondernemers. De vereniging ([geïntimeerde 8]) stapte naar de rechter om vast te laten leggen dat alle chauffeurs (of een specifieke groep) een arbeidsovereenkomst hebben met Uber. Als dat zo is, moet Uber zich houden aan de CAO Zorgvervoer en Taxi en de chauffeurs volgens die regels betalen.

Beslissing van de eerste rechter (de rechtbank)

De eerste rechter die zich over deze zaak boog, gaf de vereniging gelijk. De rechtbank oordeelde destijds dat de chauffeurs wél op basis van een arbeidsovereenkomst werkten. Dit betekende dat Uber volgens die eerste uitspraak verplicht was om de chauffeurs te behandelen als werknemers en hen te betalen volgens de cao voor taxivervoer. Uber was het hier niet mee eens en ging in hoger beroep bij het gerechtshof.


Verweermiddelen (De standpunten in hoger beroep)

In het hoger beroep kwamen Uber en een groep chauffeurs (die zich bij de zaak hadden gevoegd) met hun verweer:

  • Uber en de chauffeurs stelden dat er sprake is van een sterke mate van ondernemerschap.
  • Zij voerden aan dat de chauffeurs zelfstandig zijn, eigen investeringen doen en zelf bepalen hoe en wanneer zij werken.
  • De vereniging bleef erbij dat de chauffeurs feitelijk onder gezag van Uber staan en dus werknemers zijn.

Juridische Principes

Om te bepalen of iemand een ondernemer is of een werknemer, kijkt de rechter naar verschillende principes die de zelfstandigheid aantonen:

  • Investeringen: Betaalt de chauffeur zelf voor zijn auto en het onderhoud?
  • Vrijheid: Kan de chauffeur zelf kiezen wanneer hij werkt en welke ritten hij wel of niet accepteert?
  • Strategie: Heeft de chauffeur een eigen plan om zijn verdiensten te beïnvloeden?
  • Risico: Wie is er financieel de dupe als er schade is of als de chauffeur arbeidsongeschikt raakt? Bij een ondernemer ligt dit risico bij de chauffeur zelf.

De Beslissing van het Gerechtshof

Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 27 januari 2026 de eerdere uitspraak van de rechtbank vernietigd. De belangrijkste punten uit de eindbeslissing zijn:

  1. Geen werknemers: Het hof kon niet vaststellen dat de chauffeurs op basis van een arbeidsovereenkomst werken. Voor de chauffeurs die bij de zaak betrokken waren, werd geoordeeld dat zij ondernemers zijn.
  2. Ondernemerschap doorslaggevend: De vrijheid in werktijden, de eigen investeringen in auto's en het dragen van zakelijke risico's wegen zwaarder dan de regels van het Uber-platform.
  3. Geen algemeen oordeel: Het hof sluit niet uit dat er individuele chauffeurs zijn die wél als werknemer gezien kunnen worden, maar er waren te weinig gegevens over persoonlijke situaties om dit voor de hele groep te beslissen.
  4. Geen CAO-betalingen: Omdat er geen sprake is van een bewezen arbeidsovereenkomst, hoeft Uber de gevorderde vergoedingen uit de taxi-cao niet te betalen.

Conclusie: Waar de eerste rechter de chauffeurs nog als werknemers zag, oordeelt het gerechtshof nu dat zij zelfstandige ondernemers zijn.

De vernietiging van het eerdere vonnis door het Gerechtshof Amsterdam rust op een aantal belangrijke juridische conclusies. Hieronder volgt een uitleg van de redenen voor deze beslissing en de rol die de Hoge Raad hierin heeft gespeeld.

Belangrijkste redenen voor de vernietiging

Het hof kwam tot een ander oordeel dan de rechtbank, omdat het niet kon vaststellen dat alle chauffeurs van Uber automatisch werknemers zijn. De belangrijkste redenen hiervoor zijn:

  • Sterke mate van ondernemerschap: Bij de chauffeurs die bij deze zaak betrokken waren, was volgens het hof sprake van ondernemerschap in plaats van een dienstverband. Dit baseerde het hof op de volgende punten:
    • Investeringen: Chauffeurs doen zelf grote investeringen, bijvoorbeeld in hun eigen auto.
    • Vrijheid: Zij hebben de vrijheid om zelf hun werktijden te bepalen.
    • Eigen strategie: Chauffeurs kunnen zelf bepalen welke ritten zij wel of niet accepteren om zo hun eigen inkomsten te beïnvloeden.
    • Risico’s: De chauffeurs dragen zelf de risico’s voor aansprakelijkheid en bij eventuele arbeidsongeschiktheid.
  • Gebrek aan individuele gegevens: Hoewel het hof niet uitsluit dat sommige chauffeurs wél als werknemer zouden kunnen worden gezien, waren er niet genoeg gegevens over individuele situaties om dit voor de hele groep chauffeurs vast te stellen.
  • Geen algemeen oordeel mogelijk: Omdat niet voor de hele groep bewezen kon worden dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst, kon het hof ook geen algemeen bevel geven dat Uber de cao-vergoedingen aan alle chauffeurs moet betalen.

De rol van de vragen aan de Hoge Raad

Tijdens de procedure in hoger beroep heeft het hof een pauze ingelast om juridisch advies in te winnen bij de Hoge Raad (de hoogste rechter van Nederland). Dit gebeurde via zogenaamde prejudiciële vragen.

De rol van deze vragen was als volgt:

  1. Rechtszekerheid: Het hof stelde deze vragen in februari 2024 om meer duidelijkheid te krijgen over hoe de wet precies uitgelegd moet worden in dit soort moderne arbeidsrelaties (zoals bij platformwerk).
  2. Antwoord van de Hoge Raad: De Hoge Raad heeft deze vragen op 21 februari 2025 beantwoord.
  3. Toepassing in de zaak: Na het krijgen van deze antwoorden mochten alle partijen (Uber en de vereniging) nogmaals hun standpunt toelichten op basis van de nieuwe uitleg van de Hoge Raad. Het hof heeft deze antwoorden vervolgens gebruikt als leidraad om tot de uiteindelijke beslissing te komen dat er in dit specifieke geval geen sprake was van een arbeidsovereenkomst voor de chauffeurs.

Samenvattend: De eerdere uitspraak werd vernietigd omdat het hof vond dat de zelfstandigheid en de ondernemersrisico's van de chauffeurs zwaarder wogen dan de kenmerken van een loondienstverband, een oordeel dat mede gevormd is door de juridische kaders die de Hoge Raad heeft verduidelijkt.