De bron is een uittreksel van het arrest van het Hof van
Justitie van de Europese Unie (Grote Kamer) van 18 december 2025, betreffende
de zaak Alaa Hamoudi tegen het Europees Agentschap voor de grens- en
kustwacht (Frontex). Dit beroep volgt op de afwijzing door het
Gerecht van de vordering van Alaa Hamoudi tot vergoeding van schade die
hij stelt te hebben geleden als gevolg van vermeend onrechtmatig handelen
van Frontex in de context van pushback-maatregelen in de Egeïsche
Zee. Het arrest richt zich op de voorwaarden voor de niet-contractuele
aansprakelijkheid van Frontex, met een focus op de bewijslast en de
plicht van het Gerecht om de zaak te onderzoeken, met name met betrekking tot
de eerbiediging van de grondrechten en het non-refoulementbeginsel.
Het Hof vernietigt de uitspraak van het Gerecht en verwijst de zaak
terug, omdat het oordeelt dat het Gerecht een te hoge bewijsstandaard heeft
gehanteerd en onvoldoende onderzoek heeft gedaan.
De belangrijkste implicatie van de aangepaste bewijslast is
dat het voor slachtoffers van pushbacks aanzienlijk eenvoudiger wordt om een
rechtszaak tegen Frontex te voeren, doordat zij niet langer sluitend bewijs
hoeven te leveren, maar slechts een begin van bewijs (prima facie
bewijs),.
Op basis van de bronnen zijn dit de gedetailleerde
implicaties voor de aansprakelijkheid van Frontex:
1. Van 'sluitend bewijs' naar 'prima facie bewijs'
Voorheen eiste het Gerecht dat een slachtoffer onomstotelijk bewees aanwezig te
zijn geweest bij een pushback en daarbij betrokken te zijn geweest. Het Hof van
Justitie oordeelt nu dat dit een onmogelijke bewijslast is (probatio
diabolica) gezien de omstandigheden van pushbacks: slachtoffers zijn
kwetsbaar, worden vaak niet geregistreerd en hun telefoons worden soms
ingenomen. De nieuwe regel is dat het voldoende is als het slachtoffer een gedetailleerd,
specifiek en consistent verhaal kan vertellen, eventueel ondersteund door
externe bronnen (zoals mediaberichten of geolocatiegegevens), om aannemelijk te
maken dat de gebeurtenis heeft plaatsgevonden,.
2. Einde aan de feitelijke immuniteit van Frontex Het
Hof stelt dat het vasthouden aan een te zware bewijslast zou betekenen dat
Frontex feitelijk immuun zou worden voor juridische stappen, wat de
fundamentele rechten van slachtoffers en het recht op een doeltreffende
voorziening in gevaar brengt. Door de bewijslast aan te passen, wordt
gewaarborgd dat Frontex daadwerkelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor
schendingen van fundamentele rechten.
3. Verschuiving van de onderzoeksplicht naar de rechter
Zodra een slachtoffer een 'begin van bewijs' heeft geleverd, verschuift de
actieve rol naar het Gerecht. Het Gerecht mag de zaak niet zomaar afwijzen
wegens gebrek aan bewijs, maar is verplicht om vervolgstappen te nemen en de
zaak te onderzoeken, . Dit betekent dat het Gerecht:
- Frontex
moet verplichten om relevante documenten (zoals operationele plannen,
e-mails, en interne rapporten) te overleggen , .
- Getuigen
moet horen, waaronder het slachtoffer zelf, om de geloofwaardigheid van
hun verklaring te toetsen , .
4. Bewijsomkering bij gebrek aan weerlegging Een
cruciale implicatie is dat als het slachtoffer prima facie bewijs levert
en dit vervolgens niet effectief wordt weerlegd door Frontex (bijvoorbeeld
tijdens een hoorzitting of door tegenbewijs), de feiten door de rechter als bewezen
moeten worden geacht . Frontex kan zich niet langer verschuilen achter het
argument dat zij "niet op de hoogte waren" van een incident, gezien
hun uitgebreide monitoringstaken en de aanwezigheid van hun eenheden in de
betreffende regio's,.
5. Verplichting tot openheid van zaken door Frontex
Omdat Frontex beschikt over exclusieve informatie (zoals JORA-rapporten,
OLAF-rapporten en communicatie met lidstaten), dwingt deze uitspraak het
agentschap tot transparantie. Frontex moet meewerken aan de bewijsvoering
wanneer een slachtoffer daar zelf redelijkerwijs niet toe in staat is, .
Concluderend: De uitspraak herstelt de balans in de
rechtszaal. Waar Frontex eerst passief kon blijven zolang het slachtoffer geen
harde bewijzen had, moet het agentschap nu actief aantonen dat het incident niet
heeft plaatsgevonden of dat zij er niet bij betrokken waren, zodra het
slachtoffer een geloofwaardig en consistent verhaal presenteert.