Dit document betreft een arrest van het Hof van Justitie
van de Europese Unie in een inbreukprocedure aangespannen door de Europese
Commissie tegen de Republiek Polen. De kern van de zaak is de vaststelling dat
Polen zijn verplichtingen op grond van het EU-recht niet is nagekomen,
met name met betrekking tot het waarborgen van effectieve rechtsbescherming
en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. De inbreuk wordt
toegeschreven aan de interpretatie van de Poolse grondwet door het
Trybunał Konstytucyjny (Grondwettelijk Hof van Polen) in twee specifieke
arresten, waarin het de suprematie van het EU-recht en het bindende
effect van de jurisprudentie van het Hof van Justitie ter discussie
stelde. Bovendien concludeert het Hof dat het Poolse Grondwettelijk Hof niet
voldoet aan de eisen van een onafhankelijk en onpartijdig gerecht als
gevolg van ernstige onregelmatigheden bij de benoeming van rechters en
de president. Uiteindelijk wordt Polen veroordeeld tot het dragen van de
kosten van de procedure.
In deze zaak heeft de Europese Commissie een beroep
ingesteld tegen de Republiek Polen wegens schending van de
rechtsstaatbeginselen en het Unierecht,. Opvallend is dat Polen tijdens de
procedure zijn verweer heeft ingetrokken en de klachten van de Commissie
volledig heeft erkend. Het Hof heeft desondanks geoordeeld om de schendingen
formeel vast te stellen.
De uitspraak draait om drie hoofdklachten (grieven) met
betrekking tot het Poolse Grondwettelijk Hof (Trybunał Konstytucyjny).
1. Schending van het recht op effectieve
rechtsbescherming (Artikel 19 VEU)
De eerste klacht betreft de interpretatie van de Poolse
Grondwet door het Poolse Grondwettelijk Hof in twee specifieke arresten van 14
juli 2021 en 7 oktober 2021.
- Het
probleem: Het Poolse Grondwettelijk Hof oordeelde in deze arresten dat
Artikel 19, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU)
onverenigbaar was met de Poolse Grondwet, voor zover het Poolse rechters
de bevoegdheid gaf om de rechtmatigheid van rechterbenoemingen te
toetsen,. Ook verklaarde het dat voorlopige maatregelen van het Europees
Hof van Justitie die de organisatie van de Poolse justitie raakten,
"ultra vires" (buiten de bevoegdheid) waren en dus niet
toegepast mochten worden,.
- Het
oordeel van het Hof: Het Hof oordeelt dat Polen hiermee zijn
verplichtingen niet is nagekomen. Artikel 19 VEU vereist dat lidstaten
effectieve rechtsbescherming garanderen. Door te verbieden dat nationale
rechters de rechtmatigheid van benoemingsprocedures toetsen aan EU-normen,
wordt de effectiviteit van het Unierecht ondermijnd,. Bovendien mag een
nationale bepaling niet verhinderen dat voorlopige maatregelen van het
Europees Hof worden uitgevoerd; dit zou de volle werking van het Unierecht
tenietdoen,.
2. Schending van de voorrang en autonomie van het
Unierecht
De tweede klacht gaat over de aanval van het Poolse
Grondwettelijk Hof op de fundamentele principes van de EU-rechtsorde, zoals de
voorrang van het EU-recht en de bindende werking van arresten van het Europees
Hof.
- Het
probleem: In het arrest van 7 oktober 2021 stelde het Poolse
Grondwettelijk Hof dat EU-instellingen buiten hun bevoegdheden traden en
dat de Poolse Grondwet boven het EU-recht staat,. Het verbood Poolse
organen om bepaalde EU-verdragsbepalingen toe te passen.
- Het
oordeel van het Hof: Het Hof bevestigt dat het Unierecht een autonome
rechtsorde is met voorrang op nationaal recht, inclusief grondwettelijke
bepalingen,. Een lidstaat kan zich niet beroepen op zijn "nationale
identiteit" of grondwettelijke structuur om zich te onttrekken aan
fundamentele waarden zoals de rechtsstaat (Artikel 2 VEU). Alleen het
Europees Hof van Justitie is bevoegd om bindend vast te stellen of een
EU-handeling geldig is of buiten de bevoegdheden valt; nationale rechters
mogen dit niet eenzijdig beslissen,. Door de voorrang van het EU-recht en
de bindende kracht van arresten van het Hof te verwerpen, heeft Polen het
Unierecht geschonden,.
3. Het Poolse Grondwettelijk Hof is geen
"onafhankelijk en bij de wet ingesteld gerecht"
De derde klacht richt zich op de samenstelling van het
Poolse Grondwettelijk Hof zelf. De Commissie stelde dat dit hof, door
onregelmatige benoemingen, niet meer voldoet aan de eisen van onafhankelijkheid
en onpartijdigheid .
- Onrechtmatige
benoeming van rechters (december 2015): In 2015 koos de Sejm (het
Poolse parlement) drie rechters (H.C., L.M. en M.M.) voor zetels die al
rechtmatig waren vervuld door de vorige zittingsperiode van het parlement,
. De Poolse president weigerde de eed van de oorspronkelijk gekozen
rechters af te nemen, maar beëdigde wel de onrechtmatig gekozen rechters.
Het Hof oordeelt dat dit een manifeste schending was van fundamentele
regels, waardoor twijfel ontstaat over de onafhankelijkheid van het hof ,
.
- Onrechtmatige
benoeming van de president (december 2016): De benoeming van rechter
J.P. tot president van het Grondwettelijk Hof verliep via een
gemanipuleerde procedure en nieuwe wetgeving die specifiek voor dit doel
was aangenomen , . Tijdens de vergadering om kandidaten te kiezen, waren
slechts 6 van de 14 rechters aanwezig die aan de stemming deelnamen,
waaronder de drie onrechtmatig benoemde rechters . J.P. kreeg onvoldoende
steun volgens de regels, maar werd toch voorgedragen en benoemd .
- Het
oordeel van het Hof: Door deze onregelmatigheden voldoet het Poolse
Grondwettelijk Hof niet aan de vereisten van een "onafhankelijk en
onpartijdig, vooraf bij wet ingesteld gerecht" zoals vereist door
Artikel 19 VEU .
Conclusie en beslissing
Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest (dictum)
vastgesteld dat de Republiek Polen op alle punten in gebreke is gebleven:
- Door
de interpretatie van de Poolse Grondwet in de arresten van 2021, die
effectieve rechtsbescherming volgens Artikel 19 VEU verhindert.
- Door
de principes van voorrang, autonomie en effectiviteit van het Unierecht te
schenden.
- Omdat
het Poolse Grondwettelijk Hof zelf, door de onregelmatige benoemingen van
rechters en zijn president, geen onafhankelijk en bij de wet ingesteld
gerecht meer is.
Polen is tevens veroordeeld tot het betalen van de
proceskosten.