Het document betreft een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (ECLI:EU:C:2025:980) dat een prejudiciële beslissing geeft over de interpretatie van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). De zaak draait om een geschil in Zweden tussen de Integritetsskyddsmyndigheten (de Zweedse gegevensbeschermingsautoriteit) en de openbaarvervoermaatschappij AB Storstockholms Lokaltrafik (SL), die een boete kreeg voor het verzamelen van persoonsgegevens via bodycams gedragen door conducteurs. De centrale rechtsvraag is of de verplichte informatievoorziening aan gefilmde personen moet worden geregeld door artikel 13 van de AVG (gegevens direct bij de betrokkene verzameld) of artikel 14 van de AVG (gegevens niet bij de betrokkene verzameld). Het Hof concludeert dat, aangezien de bodycams gegevens rechtstreeks van de gefilmde personen verzamelen, artikel 13 van de AVG van toepassing is om een hoog niveau van bescherming en transparantie te waarborgen.
De uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft aanzienlijke gevolgen voor vervoersmaatschappijen die bodycams inzetten. De kern van de beslissing is dat artikel 13 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) van toepassing is, en niet artikel 14.
Hieronder worden de specifieke implicaties uiteengezet:
Directe informatieplicht bij opname De belangrijkste implicatie is dat beelden die via een bodycam worden verzameld, juridisch worden beschouwd als gegevens die rechtstreeks bij de betrokkene (de passagier) worden verzameld,. Omdat de passagier zelf de "bron" van de beelden is, geldt artikel 13 AVG. Dit betekent dat de vervoersmaatschappij (de verwerkingsverantwoordelijke) de betrokken persoon moet informeren op het moment dat de gegevens worden verkregen,.
Dit verschilt fundamenteel van situaties waarin artikel 14 zou gelden (wanneer gegevens niet bij de betrokkene zelf worden verkregen). Bij artikel 14 mag de informatievoorziening namelijk vaak worden uitgesteld tot een redelijke termijn na de verzameling. Het Hof oordeelde dat de toepassing van artikel 14 bij bodycams zou kunnen leiden tot "verborgen surveillance", omdat de betrokkene dan niet direct zou weten dat hij of zij wordt gefilmd, wat in strijd is met de bescherming van fundamentele rechten.
Praktische uitvoering via een 'gelaagde aanpak' Omdat het in de praktijk lastig kan zijn om een passagier tijdens een incident of controle onmiddellijk alle juridische details te vertellen, wijst het Hof op een praktische oplossing. De informatieplicht mag worden uitgevoerd via een benadering in meerdere lagen, zoals voorgesteld in richtlijnen van het Europees Comité voor gegevensbescherming.
- Eerste laag: De belangrijkste informatie kan worden gecommuniceerd via een waarschuwingsbord of icoon (bijvoorbeeld op het uniform van de controleur).
- Tweede laag: De overige verplichte details kunnen op een andere manier volledig beschikbaar worden gesteld, bijvoorbeeld op een gemakkelijk toegankelijke plek zoals een website of in algemene voorwaarden.
Geen ruimte voor uitzonderingen op basis van indirecte verzameling Vervoersbedrijven kunnen zich niet verschuilen achter het argument dat de camera slechts een observatiemiddel is en dat er geen sprake is van directe interactie. Het Hof bevestigt dat de term "verzameld bij de betrokkene" in artikel 13 AVG óók geldt wanneer de verzameling plaatsvindt door observatie, zoals met camera's. Het feit dat de passagier niet actief gegevens overhandigt, maar "slechts" wordt gefilmd, maakt voor de toepasselijkheid van artikel 13 niet uit.
Conclusie voor beleid en handhaving Voor vervoersbedrijven zoals AB Storstockholms Lokaltrafik (SL), die in deze zaak betrokken was, betekent dit dat hun privacybeleid en werkinstructies strikt moeten voldoen aan de transparantere eisen van artikel 13,. Als zij nalaten de passagier direct te informeren (via bijvoorbeeld duidelijke signalering op het uniform), riskeren zij boetes wegens schending van de informatieplicht, zoals de Zweedse toezichthouder in deze casus al had opgelegd.