Dit is een overzicht, artikel per artikel en in eenvoudige taal, van het wetsontwerp dat diverse wijzigingen aanbrengt in de wetten van 29 februari 2024 tot invoering van Boek I en Boek II van het nieuwe Strafwetboek. Het doel is om technische fouten en inconsistenties te corrigeren, een VN-aanbeveling uit te voeren en een Europese milieurichtlijn gedeeltelijk om te zetten.
HOOFDSTUK 1: Algemene bepaling
Artikel 1: Dit is een formele bepaling die aangeeft dat deze wet een materie regelt zoals bedoeld in de Grondwet.
Artikel 2: Dit artikel specificeert dat deze wet zorgt voor de gedeeltelijke omzetting van de Europese Richtlijn (EU) 2024/1203 van 11 april 2024, die gaat over de bescherming van het milieu via het strafrecht.
HOOFDSTUK 2: Wijzigingen van Boek I van het Strafwetboek
(Boek I bevat algemene regels over straffen, uitvoering en procedure.)
Artikel 3: Er wordt een taalkundige correctie doorgevoerd in artikel 42: het woord "geneesheer" wordt in de Nederlandse tekst vervangen door "arts".
Artikelen 4, 5, 6, 12 (deel 1): Deze artikelen wijzigen de terminologie rond de uitvoering van straffen (artikelen 47, 48, 49, en 60 van het Strafwetboek). De oudere term "voorwaardelijke of voorlopige invrijheidstelling" wordt vervangen door een preciezere opsomming die aansluit bij de Wet van 17 mei 2006: "voorwaardelijke invrijheidsstelling, voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering en de invrijheidsstelling onder toezicht".
Artikel 7: Dit artikel wijzigt artikel 50, dat gaat over het verblijfs-, plaats- of contactverbod.
- Het bepaalt dat de rechter de oplegging van deze straf bijzonder moet motiveren en rekening moet houden met de ernst van de feiten, de reclasseringsmogelijkheden of het risico op recidive.
- Het zorgt voor dezelfde terminologische harmonisatie als in Artikelen 4, 5, 6, en 12.
Artikel 8: Een technische correctie in artikel 53 (§ 5) over verbeurdverklaring (inbeslagname). Het woord "rechtstreeks" wordt geschrapt, zodat de tekst consistent is met paragraaf 2 van dat artikel.
Artikel 9: Brengt een technische correctie aan in artikel 54 (Verruimde verbeurdverklaring). Het toepassingsgebied wordt uitgebreid om ook de verzwaarde overtreding (hacking) van artikel 526 te omvatten.
Artikel 10: Wijzigt artikel 56 over de dienstverleningsstraf voor rechtspersonen. De rechter geeft nu aanwijzingen over de concrete inhoud van de straf (en kan aanwijzingen geven over de uitvoeringsmodaliteiten), zodat de veroordeelde weet waarmee hij instemt.
Artikel 11: Wijzigt artikel 59 over de sluiting van een inrichting.
- De mogelijkheid tot tijdelijke sluiting wordt toegevoegd.
- De omschrijving van de verboden activiteit wordt nauwkeuriger geformuleerd als een activiteit "die verband houdt met degene die geleid heeft tot het plegen van het misdrijf".
Artikel 12 (deel 2): Voegt een maximum geldboete van 2.080.000 euro toe voor rechtspersonen in geval van herhaling van misdrijven van niveau 7.
Artikel 13: Wijzigt artikel 62 over de meerdaadse samenloop (meerdere misdrijven tegelijkertijd berecht). Een lid wordt toegevoegd dat stelt: "In geen geval mag de opgelegde straf hoger zijn dan het maximale cumulatieve straftotaal dat bij een niet-gelijktijdige berechting kan worden opgelegd". Dit zorgt voor coherentie, met name bij de samenloop van misdrijven van niveau 2 met hogere niveaus.
Artikelen 14 & 15: Deze artikelen wijzigen de regels rond de opschorting (Art. 64) en het uitstel van straffen (Art. 65).
- Instemming & Formaliteiten: Bij opschorting moet de beklaagde in persoon of via zijn advocaat, met kennis van zaken, instemmen.
- Uitzondering op Uitstel: De dienstverleningsstraf (voor rechtspersonen) wordt toegevoegd aan de lijst van straffen die niet kunnen worden uitgesteld.
- Herroeping en Verkeersrecht: De redenen voor het herroepen (intrekken) van opschorting en uitstel worden uitgebreid om veroordelingen wegens overtredingen van het verkeersrecht (Wet van 16 maart 1968) te omvatten.
Artikel 16: Wijzigt artikel 74 over de verjaring van straffen. Het voegt een nieuwe paragraaf 3 toe die de regels voor de verjaring van straffen die met uitstel zijn uitgesproken overneemt uit de wet van 29 juni 1964, wat een eerdere nalatigheid rechtzet.
Artikel 17: Heft de woorden "en artikel 25 van deze wet" op in de oorspronkelijke invoeringswet van Boek I.
HOOFDSTUK 3: Wijzigingen van Boek II van het Strafwetboek
(Boek II bevat de specifieke misdrijven.)
Artikel 18: Vervangt de definitie van "persoon met een openbare functie" in artikel 79 om deze duidelijker te structureren, met aparte onderdelen voor personen die de openbare orde moeten handhaven of normen moeten controleren/afdwingen (a) en personen die een openbare dienst of opdracht uitoefenen (b).
Artikel 19: Wijzigt artikel 89 (Gedwongen verdwijning die geen misdaad tegen de mensheid vormt).
- Terminologie: De term "misdaad tegen de menselijkheid" wordt vervangen door "misdaad tegen de mensheid" om de taal te harmoniseren.
- Strafverminderingsgrond geschrapt: Paragraaf 2, die voorzag in een strafvermindering als het slachtoffer vrijwillig werd vrijgelaten, wordt opgeheven. Dit is in overeenstemming met een aanbeveling van het VN-Comité inzake gedwongen verdwijningen.
Artikel 20: Wijzigt artikel 94 (§ 1) over de Misdaad van ecocide. Het verruimt de definitie van "grootschalige schade" zodat deze nu ook de vernietiging van "een volledige beschermde habitat" omvat, om te voldoen aan EU Richtlijn 2024/1203.
Artikel 21: Een taalkundige correctie in de Franse versie van artikel 130.
Artikelen 22, 25, 26, 35, 78 (deel 1), 79 (deel 1): Deze artikelen zorgen voor de uniformisering van de formulering van verzwarende factoren (artikelen 150, 181, 186, 248, 518, 519). De zinsnede "houdt de rechter in het bijzonder rekening met het feit dat" wordt vervangen door "neemt de rechter in overweging het feit dat".
Artikel 23: Voegt een nieuw artikel 150/1 in, dat een bijkomende straf mogelijk maakt: de rechter kan de onwaardigheid om te erven uitspreken voor het misdrijf verkrachting en verzwaarde vormen, behalve als de handelingen de dood tot gevolg hadden.
Artikel 27 & 28: Heft artikel 189 (Verblijfs-, plaats- of contactverbod) en artikel 188 (§ 6) op. Dit verbod is nu geregeld in het algemene artikel 50 (zie Art. 7).
Artikelen 30 en 31/32: Voert technische/taalkundige correcties uit. Artikel 30 verduidelijkt dat het moet gaan om "opzettelijke overtredingen" van de regels rond slachtofferidentiteit. Artikelen 31 en 32 corrigeren de Franse teksten over 'zware fout' bij het veroorzaken van integriteitsaantasting.
Artikelen 43 en 44: Behandelen misdrijven in het kader van handel in menselijke organen.
- Art. 43: Heft een bepaling op waardoor de poging tot omkoping (Art. 283) nu strafbaar wordt.
- Art. 44: Maakt het mogelijk om eerdere buitenlandse veroordelingen door Staten die partij zijn bij het Europees Verdrag tegen de handel in menselijke organen in aanmerking te nemen bij verzwaarde misdrijven.
Artikel 45: Wijzigt artikel 287 over de handel in organen door verplichte ontzettingen (uit burgerlijke en politieke rechten) opnieuw in te voeren, zoals voorzien in artikel 47.
Artikelen 36, 37, 38, 39, 40, 41, 46, 47, 48: Bevatten wijzigingen met betrekking tot mensenhandel, mensensmokkel en prostitutie (Art. 263, 269, 270, 297, 298).
- Heringevoerde bepalingen: De mogelijkheid tot overzending van de rechterlijke beslissing aan de werkgever (Art. 263/1 en 271/1) en de bescherming van de identiteit van het slachtoffer (Art. 263/2) worden ingevoerd voor mensenhandel en prostitutie.
- Harmonisatie: Artikel 269 (sluiting inrichting prostitutie) wordt opgeheven omdat artikel 297 (gemeenschappelijke bepaling) de regeling overneemt, inclusief de mogelijkheid van een tijdelijke sluiting. De term "verbod" wordt ook geharmoniseerd in de Nederlandse tekst van artikel 298.
Artikelen 55, 56, 57: Behandelen terroristische misdrijven (Art. 376, 384, 386/1).
- Art. 55: Corrigeert de verwijzing naar strafniveaus in artikel 376 van "niveau 2 of meer" naar "niveau 2, 3 of 4".
- Art. 56: Voegt het woord "opzettelijk" toe in artikel 384 (Ter beschikking stellen van middelen voor terroristisch misdrijf) om het moreel bestanddeel te verduidelijken.
- Art. 57: Voegt artikel 386/1 in, dat bepaalt dat de rechter ambtshalve (uit zichzelf) moet uitspreken over de vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit (voor personen met twee nationaliteiten) bij een veroordeling van minstens vijf jaar zonder uitstel wegens terrorisme. De rechter kan dit niet uitspreken indien de gevolgen kennelijk onredelijk en onevenredig zijn.
Artikelen 58 tot 75: Bevatten talrijke technische en taalkundige aanpassingen met betrekking tot misdrijven zoals: namaking van munt/effecten (Art. 427), namaking van niet-contante betaalinstrumenten (Art. 434, 435, 436), en namaking van 's Lands zegel en rijksstempels (Art. 439, 440). In de regels rond betaalinstrumenten wordt bijvoorbeeld het enkelvoud vervangen door het meervoud.
Artikelen 70, 76 en 81: Schrappen de "discriminerende drijfveer" als verzwarende factor uit de artikelen 474, 511 en 523, omdat dit al een algemene verzwarende factor is voor alle misdrijven op basis van artikel 29 van het Strafwetboek.
Artikelen 83, 84, 85, 86, 87: Wijzigen de teksten over illegale loterijen (Art. 534, 535, 536). De Nederlandse terminologie wordt aangepast van het meervoud "loterijen" naar het enkelvoud "loterij" voor consistentie met de Franse tekst.
Artikelen 91 en 92: Wijzigen artikelen 644 en 645 over weerspannigheid. De verouderde term "ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijk werk" wordt vervangen door de definitie van "integriteitsaantasting van de tweede en derde graad".
Artikel 99: Wijzigt artikel 686 (Niet-naleving van een straf bestaande uit een verbod). De verwijzing naar de sluiting van de inrichting wordt vereenvoudigd naar de algemene bepaling "in artikel 59".
HOOFDSTUK 4: Opheffingsbepalingen
Artikelen 100 en 101: Deze artikelen trekken specifieke reeksen artikelen (Art. 3 t.e.m. 35 van Boek I en Art. 3 t.e.m. 118 van Boek II) van de oorspronkelijke invoeringswetten van het nieuwe Strafwetboek in. Dit gebeurt omdat sommige van deze bepalingen verouderd zijn door latere wijzigingen of omdat ze zullen worden geïntegreerd in andere harmonisatieprojecten.
HOOFDSTUK 5: Inwerkingtreding
Artikel 102: De meeste artikelen van dit wetsontwerp (Art. 1 tot 99) treden in werking op 8 april 2026, wat de geplande datum is voor de inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek.
Artikel 103: De opheffingsbepalingen (Art. 100 en 101) treden één dag eerder in werking, op 7 april 2026.
Kortom: Dit wetsontwerp werkt als een grote schoonmaakactie in de wetgeving, waarbij voornamelijk technische aanpassingen en preciseringen worden doorgevoerd in het pas ingevoerde Strafwetboek (zoals het aanpassen van terminologie, het schrappen van dubbele artikelen, en het uniform maken van strafmaatregelen). Daarnaast worden specifieke, materieel belangrijke aanpassingen gedaan op het gebied van milieucriminaliteit (ecocide), mensenrechten (gedwongen verdwijning) en terrorisme (nationaliteit).
Welke beleidsmatige keuzes met betrekking tot straffen en procedures worden aangepast?
Het wetsontwerp, hoewel grotendeels gericht op technische correcties en taalkundige harmonisatie, bevat verschillende belangrijke beleidsmatige keuzes met betrekking tot de aard en uitvoering van straffen en de strafrechtelijke procedure.
Hieronder volgt een overzicht van de belangrijkste aangepaste beleidskeuzes, ingedeeld naar strafsoort en procedurele aanpassing.
I. Beleidswijzigingen met betrekking tot Strafmaatregelen en Uitvoering (Boek I)
1. Verplichte Motivering en Toepassingsgebied van Verbodsbepalingen
De beleidskeuze om een verblijfs-, plaats- of contactverbod (Art. 50) op te leggen, wordt aangescherpt.
- Bijzondere Motivering: De oplegging van dit verbod moet voortaan met bijzondere redenen worden omkleed.
- Afweging: De rechter moet bij deze motivering rekening houden met de ernst van de feiten, de reclasseringsmogelijkheden voor de veroordeelde, of het risico op recidive.
- Gevolg: Deze algemene bepaling vervangt en maakt het eerdere, vergelijkbare artikel 189 (dat specifiek ging over seksueel misbruik) overbodig en opgeheven.
2. Aanpassing van de Dienstverleningsstraf (voor Rechtspersonen)
Met betrekking tot de dienstverleningsstraf ten gunste van de gemeenschap (Art. 56) voor rechtspersonen, wordt de rol van de rechter verduidelijkt:
- Verplichte Aanwijzingen: De vonnisrechter wordt verplicht om aanwijzingen te geven betreffende de concrete inhoud van de straf. Eerder stond er dat de rechter kan (optioneel) aanwijzingen geven.
- Instemming: Dit beleid zorgt ervoor dat de veroordeelde rechtspersoon nauwkeurig op de hoogte is van de inhoud van de aanvaarde straf.
- Uitsluiting van Uitstel: De dienstverleningsstraf voor de gemeenschap wordt uitgesloten van de straffen waarvan de uitvoering kan worden uitgesteld (Art. 65).
3. Herhaling (Recidive) en Geldboeten voor Rechtspersonen
In geval van herhaling (recidive) van zware misdrijven (niveau 7 of 8) voor rechtspersonen, wordt een beleidsleemte opgevuld:
- Minimumstraf Verhoogd: Als een rechtspersoon opnieuw wordt vervolgd voor een misdrijf van niveau 7, wordt de minimumstraf verhoogd tot een geldboete van €2.080.000. Dit is noodzakelijk om een coherente strafverhoging te handhaven, vergelijkbaar met die voor natuurlijke personen.
4. Coherentie bij Meerdaadse Samenloop
Om ongelijkheid tussen gelijktijdige en niet-gelijktijdige berechting te voorkomen, wordt een fundamentele regel ingevoegd voor meerdaadse samenloop (Art. 62):
- Plafond: In geen geval mag de opgelegde straf hoger zijn dan het maximale cumulatieve straftotaal dat bij een niet-gelijktijdige berechting kan worden opgelegd. Dit zorgt voor coherentie en voorkomt dat de samenloop van een misdrijf van niveau 2 met een misdrijf van een hoger niveau resulteert in een zwaardere straf dan mogelijk zou zijn bij afzonderlijke berechting.
5. Opschorting en Uitstel van Straf (Procedurele Aanpassingen)
Er zijn duidelijke procedurele aanpassingen met betrekking tot opschorting (Art. 64) en uitstel (Art. 65):
- Instemming bij Opschorting: De beklaagde moet in persoon of via zijn advocaat, met kennis van zaken, instemmen met de opschorting van de uitspraak.
- Herroeping wegens Verkeersrecht: Zowel de opschorting (Art. 64) als het uitstel (Art. 65) kunnen nu expliciet worden herroepen als de veroordeelde een nieuw misdrijf pleegt dat leidt tot een veroordeling krachtens de Wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer.
6. Verjaring van Straffen (Procedurele Correctie)
- Regeling voor Uitstel: Een nieuwe paragraaf wordt toegevoegd aan artikel 74 om de regels voor de verjaring van straffen die met uitstel zijn uitgesproken over te nemen. Dit rechtzet een nalatigheid in de oorspronkelijke wet.
- Bevoegdheid SURB: De tekst over verjaring wordt aangepast om te reflecteren dat de herroeping van het uitstel nu een bevoegdheid is van de strafuitvoeringsrechtbank (SURB), tegen wier vonnissen geen hoger beroep mogelijk is.
II. Beleidswijzigingen met betrekking tot Strafbare Feiten (Boek II)
1. Gedwongen Verdwijning (Internationale Verplichting)
De bepaling over gedwongen verdwijning (Art. 89) wordt aangepast om uitvoering te geven aan een aanbeveling van het VN-Comité inzake gedwongen verdwijningen.
- Strafverminderingsgrond Geschrapt: De strafverminderende verschoningsgrond die voorzag in een lichtere straf als het slachtoffer vrijwillig werd vrijgelaten binnen vijf dagen, wordt opgeheven.
- Rechtvaardiging: Volgens de logica van het VN-Comité mag gedwongen verdwijning niet lichter worden bestraft, ongeacht de duur, omdat elke verdwijning ernstige schade en gevolgen met zich meebrengt, en het schrappen van de termijn waarborgt dat de straffen de ernst van de daad weerspiegelen.
2. Ecocide (Europese Omzetting)
De definitie van de Misdaad van ecocide (Art. 94) wordt gewijzigd om de Europese Richtlijn (EU) 2024/1203 gedeeltelijk om te zetten.
- Uitbreiding Grootschalige Schade: De kwalificatie van "grootschalige schade" wordt uitgebreid om specifiek de vernietiging van "een volledige beschermde habitat" te omvatten. Dit is een aanvulling omdat de oorspronkelijke definitie van grootschalige schade in het Strafwetboek de vernietiging van habitats in beschermde gebieden niet volledig dekte.
3. Seksuele Misdrijven (Onwaardigheid om te Erven)
Een nieuwe beleidskeuze wordt vastgelegd via de invoering van een bijkomende straf voor verkrachting (Art. 150/1):
- Onwaardigheid: De rechter krijgt de mogelijkheid om de onwaardigheid om te erven ten aanzien van het slachtoffer uit te spreken voor het misdrijf verkrachting en alle verzwaarde vormen ervan.
- Beperking: Deze straf is echter niet van toepassing als de seksuele handelingen de dood tot gevolg hadden, aangezien in dat geval de onwaardigheid reeds van rechtswege van toepassing is op grond van het Burgerlijk Wetboek.
4. Mensenhandel en Prostitutie (Verplichte Ontzetting en Kennisgeving)
Beleidswijzigingen op het gebied van mensenhandel en prostitutie zorgen ervoor dat de sancties en beschermingsmaatregelen die voorheen bestonden, behouden blijven:
- Herinvoering Ontzettingen (Mensenhandel): Verplichte ontzettingen (uit rechten bedoeld in Art. 47) worden opnieuw ingevoerd bij veroordeling wegens mensenhandel.
- Overzending Beslissing aan Werkgever (Mensenhandel en Prostitutie): De mogelijkheid wordt opnieuw ingevoerd om de rechterlijke beslissing over te zenden aan de werkgever, rechtspersoon of tuchtrechtelijke overheid van de dader (Art. 263/1 en Art. 271/1), met name wanneer de dader contact heeft met minderjarigen. Deze maatregel vereist een bijzondere motivering.
5. Terrorisme (Procedurele Verscherping)
Er wordt een procedurele wijziging doorgevoerd met betrekking tot de vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit (Art. 386/1) in geval van terroristische misdrijven:
- Ambtshalve Uitspraak: Bij een veroordeling tot een gevangenisstraf van ten minste vijf jaar zonder uitstel voor een terroristisch misdrijf, moet de rechter zich ambtshalve uitspreken over de vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit van de belanghebbende bipatride.
- Motivatie bij Afwijking: Hoewel de rechter vrij blijft om de maatregel al dan niet uit te spreken, moet hij dit doen bij een met bijzondere redenen omkleed vonnis indien hij beslist de vervallenverklaring niet uit te spreken omdat de gevolgen kennelijk onredelijk en onevenredig zouden zijn.
6. Handel in Menselijke Organen
Er zijn twee belangrijke beleidsmatige correcties met betrekking tot de handel in menselijke organen (Art. 280, 283, 284):
- Internationale Veroordelingen: De mogelijkheid om buitenlandse strafrechtelijke veroordelingen (uitgesproken door Staten die partij zijn bij het Verdrag van de Raad van Europa tegen de handel in menselijke organen) mee te nemen bij het bepalen van de straf wordt vastgelegd, wat de naleving van het verdrag garandeert.
- Poging tot Omkoping: De uitsluiting van de strafbaarheid van de poging tot omkoping (Art. 283) in verband met orgaanhandel wordt geschrapt, waardoor de poging strafbaar wordt gesteld, wat de samenhang met de algemene omkopingsbepalingen herstelt.
Hoe waarborgt dit wetsontwerp terminologische consistentie en juridische duidelijkheid binnen de wetgeving?
Dit wetsontwerp, dat voornamelijk is opgesteld om technische fouten en inconsistenties in Boek I en Boek II van het nieuwe Strafwetboek (SW) te corrigeren, waarborgt terminologische consistentie en juridische duidelijkheid op verschillende niveaus:
1. Terminologische Standaardisatie en Harmonisatie
Een groot deel van de wijzigingen richt zich op het uniform maken van de gebruikte taal en termen binnen en tussen de Franse en Nederlandse wetteksten, en in vergelijking met andere relevante wetgeving.
- Afstemming op de Wet op Strafuitvoering (Wet 2006): Om de terminologie af te stemmen op de Wet van 17 mei 2006 (betreffende de externe rechtspositie van veroordeelden), wordt de verouderde term "voorwaardelijke of voorlopige invrijheidstelling" vervangen. Deze wordt nu vervangen door een preciezere opsomming: "voorwaardelijke invrijheidsstelling, voorlopige invrijheidsstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering en de invrijheidsstelling onder toezicht". De toevoeging van de notie "invrijheidsstelling onder toezicht" maakt de opsomming nauwkeuriger.
- Taalkundige Correcties (Nederlands/Frans):
- Het woord "geneesheer" in de Nederlandse tekst van artikel 42 (Boek I) wordt consistent vervangen door het moderne equivalent "arts".
- De formulering van de misdaad tegen de menselijkheid wordt geharmoniseerd in artikel 89; de term "misdaad tegen de menselijkheid" wordt vervangen door "misdaad tegen de mensheid," waardoor deze in overeenstemming wordt gebracht met artikel 83.
- Bij het bestraffen van illegale loterijen (Artikelen 534, 535, 536) wordt de Nederlandse tekst aangepast van het meervoud ("loterijen") naar het enkelvoud ("loterij") om aan te sluiten bij de Franse tekst.
- Uniforme Omschrijving van Verzwarende Factoren: De bewoordingen voor verzwarende factoren (Artikelen 150, 181, 186, 248, 518, 519) worden geüniformiseerd. De zinsnede "houdt de rechter in het bijzonder rekening met het feit dat" wordt vervangen door het algemenere en uniformere "neemt de rechter in overweging het feit dat".
- Uniformiteit bij Financiële Instrumenten: In de artikelen over niet-contante betaalinstrumenten (Art. 434, 435, 436) wordt het enkelvoud vervangen door het meervoud om de consistentie in het hele hoofdstuk te verzekeren.
- Moderne Terminologie bij Weerspannigheid: De verouderde term "ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijk werk" (Artikelen 644 en 645) wordt vervangen door de juridisch precieze formulering "integriteitsaantasting van de tweede en derde graad".
2. Verbetering van Juridische Duidelijkheid en Precisie
Het wetsontwerp pakt inconsistenties en vaagheden aan die waren geslopen in de oorspronkelijke wetten, vaak na advies van de Raad van State.
- Definitie van 'Persoon met een openbare functie' (Art. 79): De definitie in artikel 79, 5°, wordt structureel vervangen om deze duidelijker te maken, met twee afzonderlijke onderverdelingen (a en b). Dit corrigeert een vormfout in de oorspronkelijke wet die de gehele bepaling "onbegrijpelijk" maakte. De nieuwe structuur is nauwkeuriger.
- Verduidelijking van het Moreel Bestanddeel (Opzet):
- Om te voldoen aan de beginselen van nauwkeurigheid en consistentie in het strafrecht, wordt het morele bestanddeel gespecificeerd voor de inbreuk met betrekking tot de bescherming van de identiteit van het slachtoffer (Art. 192). Het wordt "Opzettelijke overtredingen".
- Voor het misdrijf van het ter beschikking stellen van gegevens of materiële middelen met het oog op het plegen van een terroristisch misdrijf (Art. 384), wordt het woord "opzettelijk" (délibérément) ingevoegd om het moreel bestanddeel te verduidelijken, wat de consistentie met het naburige artikel 385 herstelt.
- Gezag over Verbeurdverklaring (Art. 53): Het woord "rechtstreeks" wordt geschrapt in artikel 53, § 5 (Verbeurdverklaring), om de terminologie te harmoniseren met paragraaf 2 van dat artikel en de focus op vermogensbestanddelen verkregen uit het misdrijf te behouden.
- Duidelijkheid bij Meerdaadse Samenloop (Art. 62): Een zin wordt toegevoegd aan artikel 62, § 3 (meerdaadse samenloop) om te garanderen dat in geen geval de opgelegde straf hoger mag zijn dan het maximale cumulatieve straftotaal dat bij een niet-gelijktijdige berechting kan worden opgelegd. Dit zorgt voor coherentie en elimineert ongelijkheid, wat een belangrijke juridische precisering is.
- Afschaffing van Redundante Verzwarende Factoren: De discriminerende drijfveer wordt als afzonderlijke verzwarende factor geschrapt uit artikelen 474, 511 en 523, omdat deze al algemeen geldt op basis van artikel 29 van het Strafwetboek. Dit bevordert duidelijkheid door overbodige bepalingen te verwijderen.
3. Efficiëntie en Integratie van Regels
Het wetsontwerp draagt bij aan de duidelijkheid door dubbele en overbodige artikelen op te heffen en de bepalingen te centraliseren in Boek I (Algemeen deel).
- Centralisatie van Verbodsbepalingen: Artikel 189 (verblijfs-, plaats- of contactverbod specifiek voor seksuele misdrijven) en artikel 188, zesde lid (sluiting inrichting) worden opgeheven. Deze regels worden geïntegreerd in de algemene bepalingen in Boek I (Art. 50 en Art. 59), wat zorgt voor een gestroomlijnd en algemeen toepasselijk kader.
- Integratie van de Regeling inzake Sluiting van Inrichtingen: De bepaling over de sanctie bij niet-naleving van een verbod (Art. 686, 5°) wordt vereenvoudigd en verwijst nu uitsluitend naar de algemene bepaling "in artikel 59". Dit zorgt voor meer uniformiteit in de regelingen inzake de sluiting van inrichtingen.
Welke richtlijn wijzigde de definitie van ecocide?
De richtlijn die de definitie van ecocide wijzigde, is Richtlijn (EU) 2024/1203 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024.
Dit wetsontwerp heeft tot doel deze richtlijn gedeeltelijk om te zetten. De wijziging wordt aangebracht in de definitie van ecocide, zoals voorzien in Boek II van het Strafwetboek.
Meer details over de Richtlijn en de wijziging (Artikel 20):
- De Richtlijn (EU) 2024/1203 van 11 april 2024 betreft de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht en vervangt de Richtlijnen 2008/99/EG en 2009/123/EG.
- Hoewel de Richtlijn de term "ecocide" niet expliciet vermeldt, vereist zij van de lidstaten van de Europese Unie dat zij bepaalde gedragingen met ernstige milieugevolgen strenger bestraffen.
- De wijziging in Artikel 20 van het wetsontwerp is noodzakelijk om aan de Richtlijn te voldoen, specifiek aan artikel 3.3, a) van Richtlijn (EU) 2024/1203.
- Deze wijziging breidt de definitie van "grootschalige schade" in artikel 94 van het Strafwetboek uit, zodat deze voortaan de vernietiging van "een volledige beschermde habitat" omvat.
- De definitie van "grootschalige schade" in het Strafwetboek dekte de vernietiging van een habitat binnen een beschermd gebied, zoals gedefinieerd door de Richtlijn, niet volledig.