zaterdag 22 november 2025

Wetsontwerp tot uitvoering van een versterkt terug naar werk-beleid in geval van arbeidsongeschiktheid.

Bron

Het bronmateriaal bestaat uit een parlementair document dat een voorontwerp van wet en gerelateerde adviezen behandelt, ingediend door de regering op 20 november 2025. De belangrijkste focus ligt op een versterkt terug-naar-werk-beleid voor arbeidsongeschikten, waarbij maatregelen worden voorgesteld om de verantwoordelijkheid van gerechtigden, verzekeringsinstellingen, artsen en werkgevers te vergroten. Dit omvat wijzigingen in het arbeidsongeschiktheidsstelsel, zoals de invoering van een solidariteitsbijdrage voor werkgevers van jongere arbeidsongeschikte werknemers en de vervanging van "restcapaciteiten" door "arbeidspotentieel". Daarnaast zijn er secties over fiscale wijzigingen, waaronder de afbouw van bepaalde belastingvoordelen, aanpassingen aan de investeringsaftrek, en de afschaffing van de pensioenbonus voor werknemers en zelfstandigen. Bovendien is er aandacht voor datamining van voorschrijfgedrag van artsen en technische opmerkingen over de inwerkingtreding van de verschillende wetsbepalingen.



Dit overzicht beschrijft de belangrijkste bepalingen van het wetsontwerp, dat gericht is op de uitvoering van een versterkt Terug Naar Werk-beleid in geval van arbeidsongeschiktheid. Het doel is om de verantwoordelijkheid van de verschillende betrokken partijen (gerechtigden, verzekeringsinstellingen, artsen en werkgevers) te versterken.

Hieronder volgt een uitleg, gestructureerd volgens de titels en hoofdstukken van het wetsontwerp, met de belangrijkste artikelen:


TITEL 1: Algemene bepaling

Artikel 1 Dit artikel bepaalt de grondwettelijke bevoegdheidsgrondslag van de wet.


TITEL 2: Sociale zaken

HOOFDSTUK 1: Versterkte responsabilisering van de arbeidsongeschikte erkende gerechtigden afhankelijk van hun arbeidspotentieel

Dit hoofdstuk draait om de vervanging van de term "restcapaciteiten" door "arbeidspotentieel". Dit nieuwe begrip benadert de re-integratie op een positievere manier; het omvat het vermogen van een arbeidsongeschikte om passend werk te verrichten, rekening houdend met de huidige gezondheidstoestand en toekomstige mogelijkheden.

  • Artikel 2, 3, 4, 5, en 6: Deze artikelen wijzigen verschillende bepalingen in de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen (de gecoördineerde wet van 14 juli 1994), waarbij de notie "restcapaciteiten" consequent wordt vervangen door "arbeidspotentieel". Artikel 2 preciseert ook dat de gerechtigde verplicht is om op verzoek van de adviserend arts of het multidisciplinaire team de nodige gegevens te bezorgen voor de inschatting van zijn arbeidspotentieel.
  • Artikel 7: Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2026.

HOOFDSTUK 2: Versterkte responsabilisering van de verzekeringsinstellingen

Dit hoofdstuk richt zich op het financieel verantwoordelijk maken van de verzekeringsinstellingen (ziekenfondsen) om daadwerkelijk in te zetten op re-integratie.

  • Artikel 8 en 9: Deze artikelen heffen de wettelijke bepalingen op die de Koning de bevoegdheid gaven om een vermoeden van arbeidsongeschiktheid aan te nemen gedurende een deel van het "Terug Naar Werk-traject" (voor zowel werknemers als zelfstandigen).
  • Artikel 12: Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2026.

HOOFDSTUK 3: Kennisverzameling op basis van de elektronisch verzonden getuigschriften van arbeidsongeschiktheid

Dit hoofdstuk introduceert een nieuw systeem voor het verzamelen en analyseren van gegevens over arbeidsongeschiktheid.

  • Artikel 13: Voorziet in de oprichting van de GAOCIT-databank binnen het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering (RIZIV). Deze databank bevat gegevens uit elektronisch verzonden getuigschriften, zoals de identiteitsgegevens van de rechthebbende en de behandelend arts, de begin- en einddatum van de arbeidsongeschiktheid, een gecodeerde diagnose of pathologie, en de datum van opstelling.
    • Het doel van de databank is om kennis te verzamelen over het voorschrijfgedrag van de behandelend arts en de duur van de arbeidsongeschiktheid, om zo oneigenlijk voorschrijfgedrag (zoals het voorschrijven van abnormaal lange periodes) te vermijden of te verhelpen. De kennis moet artsen ook voorzien van zelfbeheertools en richtlijnen.
  • Artikel 14: Kent de Dienst voor uitkeringen van het RIZIV de uitdrukkelijke bevoegdheid toe om dataminingoperaties uit te voeren op basis van de GAOCIT-gegevens en om een rapport op te stellen voor de behandelend arts over diens voorschrijfgedrag.
  • Artikel 15: Bepaalt dat bij een arbeidsongeschiktheid die langer dan veertien dagen duurt, of bij een verlenging, de huisarts een elektronisch getuigschrift moet opstellen. De duur van elke voorgeschreven periode van arbeidsongeschiktheid mag maximaal drie maanden bedragen.
  • Artikel 16: Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2026.

HOOFDSTUK 4: Solidariteitsbijdrage werkgevers inzake primaire arbeidsongeschiktheid

Dit hoofdstuk introduceert een nieuwe financiële bijdrage voor werkgevers om hen te motiveren de re-integratie van langdurig zieken te bevorderen.

  • Artikel 17: Definieert de begrippen die nodig zijn voor de toepassing van dit hoofdstuk.
  • Artikel 18: Stelt een trimestriële solidariteitsbijdrage in voor werkgevers (die geen kmo zijn), voor meerderjarige werknemers jonger dan 55 jaar die meer dan dertig kalenderdagen arbeidsongeschikt zijn erkend.
  • Artikel 20: De bijdrage bedraagt 30% van de primaire ongeschiktheidsuitkering, berekend voor de periode van twee maanden die volgt op de eenendertigste dag van de primaire arbeidsongeschiktheid.
  • Artikel 22: De opbrengst van deze bijdrage gaat naar het RSZ-Globaal Beheer.
  • Artikel 23: Regelt de gegevensuitwisseling tussen de verzekeringsinstellingen en de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ) om de bijdrage te berekenen en te innen.

HOOFDSTUK 5: Responsabiliseringsbijdrage werkgevers inzake invaliditeit

  • Artikel 26: Heft de artikelen 139 tot 148 van de Programmawet van 27 december 2021 op met ingang van 1 april 2026. Deze artikelen betroffen de vroegere trimestriële responsabiliseringsbijdrage voor werkgevers met een bovenmatige instroom van werknemers in invaliditeit, welke nu wordt vervangen door de nieuwe solidariteitsbijdrage uit Hoofdstuk 4.

HOOFDSTUK 6: Impact van de wijzigingen inzake het recht op gewaarborgd loon... op de uitkeringsverzekering

  • Artikel 27, 28, en 29: Deze artikelen heffen de bepalingen op in de uitkeringsverzekering die zorgden voor een toeslag op de uitkering na de periode van gewaarborgd loon (Art. 96 en verwijzingen ernaar). Deze opheffing is nodig omdat wijzigingen in het arbeidsrecht (neutralisatie van gewaarborgd loon) de reden voor het bestaan van deze toeslag wegnemen.

TITEL 3: Werk

HOOFDSTUK 1: Bepalingen inzake arbeidsongeschiktheid

Afdeling 1: Actief afwezigheidsbeleid
  • Artikel 31: Voegt de procedure voor het onderhouden van contact met arbeidsongeschikte werknemers toe aan de lijst van verplichte vermeldingen in het arbeidsreglement.
  • Artikel 32: Inwerkingtreding op 1 januari 2026.
Afdeling 2: Geneeskundig getuigschrift
  • Artikel 33: Beperkt de vrijstelling van het voorleggen van een medisch getuigschrift voor de eerste dag arbeidsongeschiktheid van driemaal naar tweemaal per kalenderjaar.
  • Artikel 34: Inwerkingtreding op 1 januari 2026.
Afdeling 3: Medische overmacht
  • Artikel 35: Verkort de vereiste periode van ononderbroken arbeidsongeschiktheid om de procedure voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens medische overmacht op te starten, van negen maanden naar zes maanden. Dit geldt ook voor de wachttermijn om een nieuwe procedure te starten.
  • Artikel 36: Inwerkingtreding op 1 januari 2026.
Afdeling 4: Gewaarborgd loon – hervaltermijn
  • Artikel 37 en 38: Verlengen de hervaltermijn voor het gewaarborgd loon van veertien dagen naar acht weken (voor werklieden en bedienden). Dit betekent dat als een werknemer binnen acht weken na het einde van een periode van arbeidsongeschiktheid (waarop hij recht had op gewaarborgd loon) opnieuw ziek wordt door dezelfde oorzaak, er geen nieuwe periode van gewaarborgd loon aanvangt.
  • Artikel 39: Inwerkingtreding op 1 januari 2026, en is van toepassing op arbeidsongeschiktheden die zich vanaf die datum voordoen.
Afdeling 5: Gewaarborgd loon – neutralisatie
  • Artikel 40 en 41: Heffen de beperking van 20 weken op voor de neutralisatie van het gewaarborgd loon in het kader van een gedeeltelijke werkhervatting. Voortaan geldt de neutralisatie van het gewaarborgd loon opnieuw gedurende de hele periode van gedeeltelijke werkhervatting. Dit moedigt werkgevers aan om zich in te zetten voor re-integratie zonder ontmoedigd te worden door het risico op herval.
  • Artikel 42: Inwerkingtreding op 1 januari 2026, en is van toepassing op arbeidsongeschiktheden die zich vanaf die datum voordoen.

HOOFDSTUK 2: Wijziging van het Sociaal Strafwetboek

Dit hoofdstuk introduceert een sanctie voor werkgevers die onvoldoende inspanningen leveren voor re-integratie.

  • Artikel 43: Voegt een nieuw artikel 127/1 in het Sociaal Strafwetboek in, dat een sanctie van niveau 2 oplegt aan werkgevers die twintig of meer werknemers tewerkstellen en die niet binnen zes maanden na de start van de arbeidsongeschiktheid de preventieadviseur-arbeidsarts hebben gevraagd om een re-integratietraject op te starten voor werknemers met arbeidspotentieel.
  • Artikel 44: Wijzigt artikel 127 om expliciet te verwijzen naar het nieuwe artikel 127/1, om de juridische coherentie van de sancties te waarborgen.
  • Artikel 45: Inwerkingtreding op 1 januari 2026.

Welke concrete maatregelen versterken de verantwoordelijkheid van actoren in het terug-naar-werk-beleid?

De versterking van de verantwoordelijkheid van de verschillende actoren in het Terug-Naar-Werk-beleid (TNW) is het hoofddoel van het wetsontwerp. Deze maatregelen zijn gericht op de arbeidsongeschikt erkende gerechtigden, de verzekeringsinstellingen, de artsen en de werkgevers.

Hieronder vindt u de concrete maatregelen, gerangschikt per actor, die hun verantwoordelijkheid versterken:


I. Versterkte verantwoordelijkheid van de Arbeidsongeschikt erkende Gerechtigden

De basis voor de re-integratie is de vervanging van het begrip 'restcapaciteiten' door het positievere concept 'arbeidspotentieel'. De gerechtigde wordt verplicht om actief mee te werken aan het re-integratieproces.

A. Verplichtingen tot Medewerking (Werknemers en Zelfstandigen)

  1. Gegevens en fysiek contact met de Adviserend Arts: De gerechtigde is verplicht om op verzoek van de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team de nodige gegevens te bezorgen voor de inschatting van hun arbeidspotentieel. Zij moeten ook gehoor geven aan de uitnodiging voor een fysiek contact als zij de vereiste gegevens niet hebben bezorgd.
  2. Fysiek contact met de Arbeidsarts (Werknemers): De door een arbeidsovereenkomst verbonden gerechtigde moet gehoor geven aan de uitnodiging van de preventieadviseur-arbeidsarts voor een fysiek contact met het oog op een re-integratiebeoordeling.
  3. Eerste contactmoment met de TNW-coördinator: De gerechtigde moet gehoor geven aan de uitnodiging van de Terug Naar Werk-coördinator voor een eerste contactmoment in het kader van een Terug Naar Werk-traject.

B. Nieuwe Verplichtingen voor Niet-Werknemers

Gerechtigden zonder arbeidsovereenkomst die voldoende arbeidspotentieel hebben, moeten:

  1. Zich binnen veertien dagen na de doorverwijzing inschrijven bij de bevoegde dienst of instelling van de Gewesten en Gemeenschappen die deelneemt aan de socioprofessionele re-integratie, met het oog op begeleiding.
  2. Gevolg geven aan de uitnodiging van de begeleider van deze bevoegde dienst voor een contactmoment in het kader van hun re-integratie.

C. Verscherpte Sancties bij Niet-medewerking

De sancties voor onterechte afwezigheid worden verstrengd:

  • Bij een tweede afwezigheid zonder geldige rechtvaardiging op de fysieke contacten georganiseerd door de adviserend arts/multidisciplinair team of de preventieadviseur-arbeidsarts, wordt de toekenning van de uitkering stopgezet (in plaats van de vroegere vermindering van 2,5%).
  • Bij een tweede afwezigheid zonder geldige rechtvaardiging op het eerste contactmoment bij de Terug Naar Werk-coördinator (of op het contactmoment met de regionale begeleidingsdienst voor niet-werknemers) wordt het dagbedrag van de uitkering met 10% verminderd (in plaats van de vroegere 2,5%).

II. Versterkte verantwoordelijkheid van de Verzekeringsinstellingen (Ziekenfondsen)

De responsabiliseringsmaatregelen voor de verzekeringsinstellingen zijn voornamelijk financieel en procedureel:

  1. Opheffing van Vermoeden van Arbeidsongeschiktheid: De wettelijke bepalingen (delegaties aan de Koning) die het mogelijk maakten om een vermoeden van arbeidsongeschiktheid aan te nemen tijdens delen van het Terug Naar Werk-traject (maximaal zes maanden) worden opgeheven (Art. 8, 9). Hierdoor moet de staat van arbeidsongeschiktheid, zelfs tijdens een lopend traject, altijd kunnen worden geëvalueerd door de adviserend arts of de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit.
  2. Financiële Responsabilisering via Administratiekosten: De toekenning van een deel van de administratiekosten aan de ziekenfondsen wordt meer afhankelijk gemaakt van hun daadwerkelijke succes in de re-integratie van langdurig zieken. Dit gebeurt op basis van:
    • Het resultaat van minstens twee wettelijke opdrachten (te bepalen door de Koning) inzake de evaluatie van arbeidsongeschiktheid of socioprofessionele re-integratie, uitgevoerd door onder meer de adviserend artsen en de TNW-coördinatoren.
    • De resultaten van de thematische controles die worden uitgevoerd door de artsen van de Dienst voor uitkeringen van het RIZIV.

III. Versterkte verantwoordelijkheid van de Artsen (Voorschrijvers)

De verantwoordelijkheid van de behandelend artsen wordt versterkt door meer controle en feedback over hun voorschrijfgedrag:

  1. GAOCIT-databank: De oprichting van de GAOCIT-databank binnen het RIZIV is bedoeld voor kennisverzameling over het voorschrijfgedrag van behandelend artsen, de duur van arbeidsongeschiktheid en de diagnose/pathologie.
  2. Verplicht Elektronisch Getuigschrift en Maximale Duur:
    • Huisartsen zijn verplicht om het elektronische circuit te gebruiken voor getuigschriften van arbeidsongeschiktheid die langer duren dan veertien dagen of bij verlenging van de erkende ongeschiktheid.
    • De duur van elke voorgeschreven periode van arbeidsongeschiktheid mag maximaal drie maanden bedragen.
  3. Datamining en Rapportering (Feedback): De Dienst voor uitkeringen van het RIZIV krijgt de expliciete bevoegdheid om dataminingoperaties uit te voeren op de GAOCIT-gegevens. Dit moet leiden tot:
    • Het versturen van een rapport aan de behandelend artsen met informatie over hun voorschrijfgedrag.
    • Het aanbieden van zelfbeheertools en richtlijnen aan artsen om hen te ondersteunen en oneigenlijk voorschrijfgedrag (zoals het voorschrijven van abnormaal lange periodes) te vermijden of te verhelpen.
  4. Financiële Sancties (Toekomstig): Er is voorzien in de mogelijkheid om artsen die aanzienlijk meer en/of langere periodes voorschrijven, te kunnen identificeren, contacteren, opvolgen en financieel sanctioneren, waarbij de effectieve implementatie van deze financiële responsabilisering uiterlijk op 1 januari 2027 zal plaatsvinden.

IV. Versterkte verantwoordelijkheid van de Werkgevers

De werkgevers worden zowel via financiële bijdragen als via verplichtingen in het arbeidsrecht meer geresponsabiliseerd:

  1. Solidariteitsbijdrage (Financiële Druk):
    • Invoering van een trimestriële solidariteitsbijdrage voor werkgevers die geen kmo zijn.
    • Deze is verschuldigd voor werknemers tussen 18 en 54 jaar die meer dan 30 kalenderdagen primair arbeidsongeschikt zijn.
    • De bijdrage bedraagt 30% van de primaire ongeschiktheidsuitkering gedurende de twee maanden die volgen op de dertigste dag van de arbeidsongeschiktheid.
  2. Sanctie bij Nalaten opstart Re-integratietraject (Nieuw in Strafwetboek):
    • Een sanctie van niveau 2 wordt ingevoerd voor werkgevers die twintig of meer werknemers tewerkstellen.
    • Deze sanctie is van toepassing indien de werkgever niet uiterlijk zes maanden na de aanvang van de arbeidsongeschiktheid de preventieadviseur-arbeidsarts heeft gevraagd om een re-integratietraject op te starten voor een werknemer die arbeidspotentieel heeft.
  3. Actief Afwezigheidsbeleid (Arbeidsreglement): De procedure voor het onderhouden van contact met arbeidsongeschikte werknemers moet als verplichting worden opgenomen in het arbeidsreglement.
  4. Verlenging Hervaltermijn Gewaarborgd Loon: De hervaltermijn, waarbinnen bij herval wegens dezelfde oorzaak geen nieuwe periode van gewaarborgd loon start, wordt verlengd van veertien dagen naar acht weken voor zowel werklieden als bedienden (Art. 37, 38).
  5. Neutralisatie Gewaarborgd Loon (Aanmoediging Re-integratie): De beperking van 20 weken voor de neutralisatie van het gewaarborgd loon in het kader van gedeeltelijke werkhervatting (aangepast of ander werk) wordt opgeheven (Art. 40, 41). Dit betekent dat de neutralisatie nu geldt gedurende de hele periode van gedeeltelijke werkhervatting, wat werkgevers aanmoedigt re-integratietrajecten te ondersteunen.
Hoe verschilt de nieuwe aanpak en financiering van arbeidsongeschiktheid voor zelfstandigen en werknemers?

Het wetsontwerp, dat een versterkt Terug Naar Werk-beleid (TNW) beoogt, behandelt de arbeidsongeschiktheidsverzekering voor werknemers en zelfstandigen (inclusief meewerkende echtgenoten) in de sociale zekerheid. Hoewel beide stelsels worden hervormd op het gebied van evaluatie en de rol van de verzekeringsinstellingen, zijn er fundamentele verschillen in de aanpak van de verantwoordelijkheid en financiering.

Hieronder wordt uiteengezet hoe de nieuwe aanpak en financiering van arbeidsongeschiktheid verschillen tussen werknemers en zelfstandigen:


I. Gedeelde Beleidskaders (Werknemers en Zelfstandigen)

De basis van de TNW-hervorming is grotendeels uniform over beide stelsels:

  1. Arbeidspotentieel: De notie "restcapaciteiten" wordt in de wetgeving voor beide regimes (werknemers en zelfstandigen) vervangen door het positievere begrip "arbeidspotentieel". Dit vormt het uitgangspunt voor de te ondernemen acties.
  2. Opheffing Vermoeden van Arbeidsongeschiktheid: De mogelijkheid om een wettelijk vermoeden van arbeidsongeschiktheid aan te nemen tijdens een lopend TNW-traject (maximaal zes maanden) wordt voor zowel de uitkeringsverzekering voor werknemers als voor zelfstandigen opgeheven. Dit zorgt ervoor dat de staat van arbeidsongeschiktheid altijd kan worden geëvalueerd, zelfs tijdens een re-integratietraject.
  3. Kennisverzameling (GAOCIT-databank): De nieuwe GAOCIT-databank bij het RIZIV zal gegevens verzamelen over elektronisch verzonden getuigschriften van arbeidsongeschiktheid van alle sociaal verzekerden die potentieel recht hebben op uitkeringen, dus zowel werknemers als zelfstandigen en meewerkende echtgenoten.
  4. Responsabilisering Verzekeringsinstellingen (VI's): De toekenning van administratiekosten aan de ziekenfondsen wordt in beide regimes (werknemers en zelfstandigen/meewerkende echtgenoten) meer afhankelijk gemaakt van hun prestaties inzake de evaluatie van arbeidsongeschiktheid en socioprofessionele re-integratie.

II. Verschillen in Verantwoordelijkheid en Procedures

De specifieke verantwoordelijkheden die aan de gerechtigden worden opgelegd, verschillen naargelang zij een werkgever hebben of niet:

1. Werknemers (Door een Arbeidsovereenkomst Verbonden Gerechtigden)

Werknemers zijn gehouden aan verplichtingen binnen het kader van het arbeidsrecht en het welzijn op het werk:

  • Verplicht Fysiek Contact met Arbeidsarts: Werknemers moeten gevolg geven aan de uitnodiging van de preventieadviseur-arbeidsarts voor een fysiek contact met het oog op een re-integratiebeoordeling.
  • Sanctie bij Niet-medewerking: De verplichting om mee te werken aan fysieke contacten met de preventieadviseur-arbeidsarts wordt gesanctioneerd met de stopzetting van de uitkering bij een tweede onterechte afwezigheid.

2. Zelfstandigen (Niet door een Arbeidsovereenkomst Verbonden Gerechtigden)

Voor gerechtigden die niet door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden (waaronder zelfstandigen) gelden specifieke verplichtingen gericht op socioprofessionele re-integratie via regionale diensten:

  • Verplicht Inschrijven bij Regionale Dienst: Zij moeten zich binnen veertien dagen na de doorverwijzing inschrijven bij de bevoegde dienst of instelling van de Gewesten en Gemeenschappen die deelneemt aan de socioprofessionele re-integratie.
  • Verplicht Contactmoment: Zij moeten gevolg geven aan de uitnodiging van de begeleider van deze regionale dienst voor een contactmoment.
  • Sanctie bij Niet-medewerking/Niet-inschrijving:
    • Niet-inschrijving bij de regionale dienst leidt tot stopzetting van de uitkering.
    • Afwezigheid op het contactmoment met de regionale begeleider leidt tot een vermindering van het dagbedrag van de uitkering met 10%.

3. Beleidskeuze ten aanzien van Sancties voor Zelfstandigen

Er wordt uitdrukkelijk opgemerkt dat de responsabiliserende maatregelen in de uitkeringsverzekering voor zelfstandigen op dit moment niet worden gewijzigd. De regering rechtvaardigt deze keuze als volgt:

  • De "Terug Naar Werk-trajecten" zijn voor zelfstandigen pas vanaf 1 januari 2023 ingevoerd (later dan voor werknemers, 1 januari 2022).
  • Het invaliditeitspercentage voor zelfstandigen is aanzienlijk lager dan voor werknemers (4,67% tegenover 11,20% in 2023).
  • Zelfstandigen regelen vaak alles alleen en hebben geen werkgever die administratieve formaliteiten overneemt.
  • De uitkeringen van zelfstandigen zijn vaak lager vanwege het forfaitaire karakter van de uitkeringen in hun stelsel. Hierdoor heeft een verhoging van de sanctie (van 2,5% naar 10%) een veel grotere impact voor zelfstandigen dan voor werknemers.

III. Verschillen in Financiering en Kostenverantwoordelijkheid

Het grootste verschil ligt in de financiële verantwoordelijkheid van de werkgever:

1. Werknemers (Werkgeversbijdragen en Plichten)

De verantwoordelijkheid van de werkgever voor arbeidsongeschikte werknemers wordt significant verzwaard door:

  • Nieuwe Solidariteitsbijdrage: Er wordt een trimestriële solidariteitsbijdrage ingevoerd voor werkgevers die geen kmo zijn.
    • Deze bijdrage bedraagt 30% van de primaire ongeschiktheidsuitkering voor de periode van twee maanden volgend op de 30e dag van arbeidsongeschiktheid.
    • Het doel is om werkgevers te stimuleren een versterkt re-integratiebeleid te voeren voor langdurig zieke werknemers (tussen 18 en 54 jaar).
  • Bestraffing bij Nalaten Re-integratie: Werkgevers die 20 of meer werknemers tewerkstellen en die niet binnen zes maanden na de aanvang van de arbeidsongeschiktheid een re-integratietraject hebben aangevraagd voor werknemers met arbeidspotentieel, worden bestraft met een sanctie van niveau 2 in het Sociaal Strafwetboek.
  • Gewaarborgd Loon (Neutralisatie): De beperking van 20 weken voor de neutralisatie van het gewaarborgd loon bij herval tijdens de uitvoering van aangepast of ander werk wordt opgeheven. Dit versoepelt de regels voor werkgevers en moedigt hen aan re-integratie te ondersteunen, omdat ze niet opnieuw het gewaarborgd loon moeten betalen.

2. Zelfstandigen (Geen Werkgeversbijdragen)

Aangezien zelfstandigen geen werkgever in de klassieke zin hebben, zijn de maatregelen gericht op werkgevers (solidariteitsbijdrage, sancties in het Sociaal Strafwetboek en wijzigingen in het gewaarborgd loon) niet van toepassing op hen.

  • Zij zijn zelf verantwoordelijk voor het regelen van administratieve formaliteiten, wat hun kwetsbaarheid bij het opleggen van strengere sancties verklaart.
Wat is het percentagesolidariteitsbijdrage werkgevers?

De trimestriële solidariteitsbijdrage die van toepassing is op werkgevers bedraagt 30%.

Deze bijdrage is specifiek van toepassing op de primaire arbeidsongeschiktheid van werknemers en wordt berekend over de uitkeringen die door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering (RIZIV) ten laste worden genomen.

Hier zijn de details over de berekening en de toepassing van dit percentage:

  1. Percentage: De solidariteitsbijdrage bedraagt dertig procent (30%).
  2. Basis van de Berekening: Het percentage wordt toegepast op de primaire ongeschiktheidsuitkering van de werknemer.
  3. Periode: De bijdrage is verschuldigd over de uitkeringen voor een periode van twee maanden, welke berekend wordt vanaf de eenendertigste dag van de primaire arbeidsongeschiktheid van de werknemer.
  4. Doelgroep Werkgevers: De bijdrage is enkel verschuldigd door werkgevers die geen kmo zijn (gemiddeld 50 of meer werknemers tewerkstellen).
  5. Doelgroep Werknemers: De bijdrage is verschuldigd voor meerderjarige werknemers die op de datum van aanvang van de arbeidsongeschiktheid de leeftijd van 55 jaar nog niet hebben bereikt en die meer dan dertig kalenderdagen arbeidsongeschikt erkend zijn.
  6. Werkelijke Uitkeringen: De solidariteitsbijdrage wordt berekend op de uitkeringen die werkelijk worden toegekend. Als een werknemer niet langer arbeidsongeschikt erkend is na een kortere periode, stopt de bijdrage.
  7. Inwerkingtreding: De bepalingen over de solidariteitsbijdrage treden in werking op 1 januari 2026.
Wanneer eindigt de bestaanderesponsabiliseringsbijdrage inzake invaliditeit?

De beëindiging van de bestaande trimestriële responsabiliseringsbijdrage van werkgevers inzake invaliditeit, die was vastgelegd in Titel 8, Hoofdstuk 5 van de programmawet van 27 december 2021, vindt in twee stappen plaats:

  1. Laatste Berekening en Inning (Feitelijk Einde): De laatste berekening en inning van de responsabiliseringsbijdrage inzake invaliditeit door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ) zal gebeuren via een debetbericht samen met de bijdragen voor het vierde kwartaal van 2025.

  2. Wettelijke Opheffing (Formeel Einde): De artikelen (Artikelen 139 tot 148) van de Programmawet van 27 december 2021 die dit hoofdstuk bevatten, zullen formeel opgeheven worden op 1 april 2026.

De bestaande responsabiliseringsbijdrage wordt vervangen door de nieuwe solidariteitsbijdrage inzake primaire arbeidsongeschiktheid.