Dit verweerschrift van Shell (Shell plc), ingediend bij de
Hoge Raad in reactie op het principaal cassatieberoep van Milieudefensie, valt
uiteen in vijf hoofdonderdelen.
Shell duidt de gevorderde civielrechtelijke rechtsplicht van
Milieudefensie — een verplichting om absolute emissies met een bepaald
(minimum)percentage op een gefixeerde datum te reduceren — kortheidshalve aan
als de "MD-Reductieplicht". Shell betoogt dat deze plicht geen
steun vindt in het recht en niet kan worden opgelegd.
Hieronder volgt een overzicht van de argumenten van Shell,
per onderdeel van het verweerschrift:
Onderdeel 1: Een MD-Reductieplicht is in strijd met het
Unierecht
Dit onderdeel is het principaal verweer van Shell,
waarin wordt betoogd dat het opleggen van een MD-Reductieplicht door een
nationale rechter in strijd is met het Europese wettelijke en beleidskader.
1.1 Doorkruising van het Europese wettelijke en
beleidskader en strijd met Art. 4 lid 3 VEU
Shell betoogt dat het opleggen van een MD-Reductieplicht het
door de Europese wetgever bereikte complexe evenwicht en de doelstellingen van
het Unierecht op fundamentele wijze doorkruist.
|
Kernklacht/Verweer |
Toelichting (Menselijke Taal) |
Vindplaatsen |
|
Verstoring van het Energietrilemma |
De MD-Reductieplicht is een statische en grofmazige
maatregel die geen rekening houdt met de delicate balans die de EU
nastreeft tussen klimaatdoelen, leveringszekerheid en betaalbaarheid
van energie (het energietrilemma). Een reductieplicht op nationaal niveau
belemmert het vermogen van lidstaten, die afhankelijk zijn van olie en gas,
om veilige en betaalbare energie te leveren. |
|
|
Strijd met EU ETS Systematiek |
De plicht druist in tegen de systematiek van het EU ETS
(Emissions Trading System) en ETS2. Deze systemen werken met een
emissieplafond (cap-and-trade) en marktwerking om kostenefficiënte
reducties te realiseren. Een door de rechter opgelegd absoluut
reductiepercentage voor één bedrijf verstoort deze gecoördineerde en
flexibele aanpak. |
|
|
Schending Loyaliteitsbeginsel (Art. 4 lid 3 VEU) |
Het opleggen van zo'n plicht staat op gespannen voet met
de verplichting van Nederland tot loyale samenwerking met de EU (Art.
4 lid 3 VEU). De plicht ondermijnt de effectiviteit (effet utile) van
de EU-regelgeving en beleidsdoelstellingen. |
|
|
Schending Energiesolidariteit |
De MD-Reductieplicht is in strijd met het Unierechtelijke
beginsel van energiesolidariteit. Als de plicht effectief zou zijn,
zou een vermindering van het aanbod van olie en gas de leveringszekerheid en
betaalbaarheid in andere, meer afhankelijke lidstaten schaden. |
|
|
Ondermijning Interne Markt & Level Playing Field |
De plicht ondermijnt de interne markt en het belang van
een gelijk speelveld voor Europese ondernemingen. Nationale
reductieplichten opgelegd door nationale rechters leiden tot fragmentatie
van de interne markt en rechtsonzekerheid. |
|
|
Strijd met Evenredigheidsbeginsel |
De MD-Reductieplicht is disproportioneel. Shell
stelt dat de plicht niet geschikt en niet noodzakelijk is om
daadwerkelijke mondiale emissiereductie te bereiken (gezien het
substitutie-effect), terwijl het wel een enorme, onevenredige impact heeft op
Shell en andere EU-doelstellingen. |
1.2 Beperking van het vrije verkeer van goederen
De MD-Reductieplicht is een ongerechtvaardigde inbreuk op
het vrije verkeer van goederen (Artikelen 34 en 35 VWEU). De
reductieplicht beïnvloedt Shells grensoverschrijdende handelsverkeer binnen de
EU door de productie of verkoop van goederen te beperken, wat in strijd is met
fundamentele verkeersvrijheden. Aangezien de MD-Reductieplicht in Shells visie
ineffectief is voor klimaatdoelen, is deze beperking niet te rechtvaardigen.
Onderdeel 2: Geen basis in het ongeschreven recht
Shell stelt dat er geen juridische grondslag bestaat voor
een ongeschreven algemene rechtsplicht om emissies te beperken (Niveau B), en
al helemaal niet voor een concrete, afdwingbare MD-Reductieplicht (Niveau C).
|
Kernklacht/Verweer |
Toelichting (Menselijke Taal) |
Vindplaatsen |
|
2.1 Past niet in het stelsel van de wet |
De MD-Reductieplicht past niet in en sluit niet aan bij
het bestaande Nederlandse en Europese wettelijke stelsel. Wetgevers hebben welbewust
afgezien van het opleggen van een dergelijke absolute, individuele
reductieplicht aan bedrijven. Integendeel, de wetgever heeft gekozen voor
andere instrumenten (EU ETS, koolstofbeprijzing, inspanningsverplichtingen
onder de CSDDD). |
|
|
2.2 Andere belangen niet betrokken |
Het Hof heeft ten onrechte andere door de wetgever
erkende belangen, zoals leveringszekerheid en betaalbaarheid van
energie (het energietrilemma), onvoldoende meegewogen bij de invulling
van de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm. Het negeren van deze bredere,
soms tegenstrijdige, belangen kan zelfs contraproductief werken voor het
maatschappelijk draagvlak voor de energietransitie. |
|
|
2.3 Mensenrechten ondersteunen de plicht niet |
De aangehaalde mensenrechteninstrumenten (Art. 2 en 8
EVRM) en jurisprudentie (Urgenda, KlimaSeniorinnen)
rechtvaardigen geen MD-Reductieplicht voor private ondernemingen. Deze
uitspraken richten zich op de Staat, die over staatsmacht beschikt om
via wet- en regelgeving emissies te reguleren. De rechter moet terughoudendheid
betrachten bij het toepassen van positieve verplichtingen van staten op
private horizontale verhoudingen, vooral gezien het fundamentele verschil in
controle en mogelijkheden tussen staat en onderneming. |
|
|
2.4 'Soft Law' instrumenten zijn geen rechtsbasis |
Informele en niet-bindende instrumenten zoals de UNGP
en de OESO-richtlijnen ondersteunen het bestaan van een afdwingbare
MD-Reductieplicht niet. Deze instrumenten zijn niet opgesteld door
democratisch gelegitimeerde organen en zijn niet bedoeld om juridisch
bindende civielrechtelijke verplichtingen te creëren. |
|
|
2.5 Algemene rechtsplicht is geen civielrechtelijke
plicht |
Een 'algemene rechtsplicht' van ondernemingen jegens
"alle andere bewoners van de aarde" kan niet bestaan in het
civiele recht. Het burgerlijk recht is van nature relationeel en
bilateraal, en regelt rechtsbetrekkingen tussen specifieke partijen of
nauw omschreven groepen. Een niet-gespecificeerde plicht jegens allen is
onuitvoerbaar en zou ondernemingen blootstellen aan claims van iedereen op
aarde. |
|
|
2.6 MD-Reductieplicht is disproportioneel |
Het opleggen van een MD-Reductieplicht is, gezien de ineffectiviteit
(het substitutie-effect) en de zware lasten voor Shell, disproportioneel.
Dit schendt de fundamentele rechten van Shell als private partij, zoals het recht
op eigendom en de vrijheid van ondernemerschap. |
|
|
2.8 Gebrek aan kenbaarheid en rechtszekerheid |
De MD-Reductieplicht is niet voldoende vanzelfsprekend
en kenbaar om als concrete rechtsplicht in rechte te worden afgedwongen.
Er ontbreekt maatschappelijke consensus over de precieze invulling van zo'n
plicht, wat leidt tot onvoorspelbaarheid en schending van het rechtszekerheidsbeginsel. |
|
|
2.9 Strijd met bestuurdersplichten |
Het opleggen van de MD-Reductieplicht beperkt de
beslissingsvrijheid van het bestuur van Shell om de uiteenlopende belangen
die bij de onderneming betrokken zijn (bijvoorbeeld klimaat, werknemers,
financiële stabiliteit) tegen elkaar af te wegen. |
Onderdeel 3: Aanvullende redenen voor Scope 3-emissies
Meer dan 90% van de door Shell gerapporteerde emissies zijn
Scope 3-emissies, afkomstig van de eindgebruikers van haar producten. Shell
betoogt dat, zelfs als een MD-Reductieplicht voor Scope 1 en 2 zou bestaan,
deze zeker niet kan gelden voor Scope 3-emissies.
|
Kernklacht/Verweer |
Toelichting (Menselijke Taal) |
Vindplaatsen |
|
3.1 Geen controle en geen effect |
Shell heeft geen controle over de daadwerkelijke
Scope 1-emissies van haar klanten en eindgebruikers (wat Shell als Scope 3
rapporteert). Een reductie van Shells aanbod leidt hoogstwaarschijnlijk tot substitutie,
waarbij andere leveranciers de markt overnemen, zonder dat de wereldwijde
emissies verminderen. Zonder controle of een reëel voorzienbaar effect
ontbreekt de basis voor aansprakelijkheid in het ongeschreven recht. |
|
|
3.1.2 Onverenigbaar met rechtmatigheid van klanten |
Klanten en eindgebruikers handelen rechtmatig door
fossiele brandstoffen te kopen en te gebruiken, aangezien overheden dit
gedrag via wet- en regelgeving reguleren. Shell kan niet onrechtmatig
handelen door te leveren aan klanten die rechtmatig handelen. Bovendien
impliceert een MD-Reductieplicht voor Scope 3 een (risico)aansprakelijkheid
voor het gedrag van anderen (de klanten), wat in strijd is met
fundamentele rechtsbeginselen. |
|
|
3.1.3 Scope 3 als maatstaf ongeschikt |
Gerapporteerde Scope 3-emissies zijn een ongeschikte
maatstaf voor een civielrechtelijke reductieplicht. Rapportage is
vrijwillig en de methoden voor het meten en rapporteren verschillen sterk,
wat leidt tot wezenlijke verschillen tussen bedrijven. Bovendien correleren
gerapporteerde Scope 3-emissies niet noodzakelijkerwijs met de
daadwerkelijke emissies naar de atmosfeer (vanwege substitutie). |
|
|
3.2 Instrumenten rechtvaardigen de plicht niet |
De bestaande EU-wetgeving (ETS2, CSRD, CSDDD) en 'soft
law' (OESO, GHG Protocol) bieden geen steun voor een MD-Reductieplicht
voor Scope 3. Het GHG Protocol is een vrijwillige rapportagestandaard en
creëert geen juridische verplichtingen of impliceert controle over de
emissies van afnemers. De CSDDD vereist inspanningsverplichtingen (due
diligence), maar niet dat ondernemingen in alle omstandigheden garanderen dat
negatieve effecten (zoals Scope 3-emissies) worden beëindigd. |
|
|
3.3 Vrijwillige ambities zijn niet bindend |
Shells vrijwillig gestelde doelstellingen en ambities
(zoals de Netto Koolstof Intensiteit - NCI) kunnen geen civielrechtelijk
bindende MD-Reductieplicht ondersteunen of rechtvaardigen. Shell kiest er
juist voor om Scope 3-doelstellingen als ambitie te formuleren om
duidelijk te maken dat zij geen controle heeft over de vraag van
klanten en de regelgeving van overheden. |
Onderdeel 4: Oordeel over investeringen is processueel
ontoelaatbaar
Shell betoogt dat de overwegingen van het Hof (in rov.
7.58-7.62) over een maatschappelijke zorgvuldigheidsplicht ten aanzien van investeringen
in nieuwe olie- en gasvelden processueel ontoelaatbaar zijn.
|
Kernklacht/Verweer |
Toelichting (Menselijke Taal) |
Vindplaatsen |
|
4.1 Buiten de grenzen van de rechtsstrijd |
De overwegingen van het Hof zijn overwegingen ten
overvloede (obiter dicta) en hadden achterwege moeten blijven.
Milieudefensie had geen vordering ingesteld die strekte tot een verbod
op investeringen in nieuwe olie- en gasvelden. Door toch hierover te
oordelen, trad het Hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd en schuurt dit
met het verbod op het doen van algemene verordeningen door de rechter (Art.
12 Wet Algemene Bepalingen). |
|
|
4.2 Schending hoor en wederhoor |
Als deze overwegingen wél juridische betekenis zouden
hebben, dan zijn ze strijdig met het beginsel van hoor en wederhoor.
Shell had immers, omdat dit buiten de vordering viel, niet kunnen anticiperen
op een oordeel over de zorgplicht met betrekking tot investeringen, en kon
zich hierover niet adequaat uitlaten. |
Onderdeel 5: Grenzen rechtsvormende taak rechter
Shell stelt dat het opleggen van een MD-Reductieplicht de grenzen
van de rechtsvormende taak van de rechter overschrijdt en op ontoelaatbare
wijze treedt in het politieke domein.
|
Kernklacht/Verweer |
Toelichting (Menselijke Taal) |
Vindplaatsen |
|
5.1 Overschrijding in het politieke domein |
De gevorderde MD-Reductieplicht vereist een complexe,
politieke afweging op systeemniveau (over de verdeling van de
reductielast, het energietrilemma en internationale implicaties). Dit soort
beslissingen is voorbehouden aan de democratisch gelegitimeerde wetgevende en
uitvoerende macht. De rechter mist zowel het nodige overzicht als de
instrumenten om de effecten van een dergelijke plicht op verschillende
belangen (economie, veiligheid, internationale betrekkingen) te beoordelen. |
|
|
5.1.1 Fundamenteel verschil met Urgenda |
Deze zaak verschilt fundamenteel van de Urgenda-zaak,
omdat die zaak de staat verplichtte tot het naleven van een reeds
vastgestelde territoriale reductiedoelstelling op basis van bindend
verdragsrecht. Hier wordt de rechter gevraagd een nieuw instrument
(MD-Reductieplicht) op te leggen aan een individuele, private
onderneming, wat een ingreep in het politieke verdelingsvraagstuk behelst. |
|
|
5.1.3 Gevolgen voor Veiligheids- en Buitenlandbeleid |
De MD-Reductieplicht kan ingrijpende extraterritoriale
gevolgen hebben, de internationale betrekkingen raken en inmenging vormen
in de soevereine beslissingen van andere staten over hun energievoorziening
en de exploitatie van hun grondstoffen. Dit vereist extra terughoudendheid
van de rechter. |
|
|
5.1.5 Verstoring Level Playing Field |
Het opleggen van de plicht leidt tot zeer ingrijpende
verstoringen in het Europese en mondiale level playing field.
Aangezien Nederland het enige land ter wereld zou zijn dat een dergelijke
plicht oplegt, zou dit grote en onwenselijke gevolgen hebben voor de
concurrentiepositie van Shell en de Nederlandse economie. |
|
|
5.2 Grenzen burgerlijk materieel- en procesrecht |
Een MD-Reductieplicht overschrijdt de grenzen van het
burgerlijk recht. Een civiele procedure is geen geschikt forum om deze
fundamentele verdelings- en ordeningsvraagstukken op te lossen. Bovendien is
het instrumentarium van de rechter niet toereikend om toezicht te
houden op de uitvoering van een onherroepelijk en statisch reductiebevel, wat
zou leiden tot een ongewenste en onmogelijke rol van 'permanente
toezichthouder' voor de rechter. |
Vergelijking met een klok:
Stel u voor dat de energietransitie een gigantische,
mondiale klok is, waarbij alle radertjes (landen, sectoren, wetgeving,
technologie) samenwerken om de tijd aan te passen. Shells argument is dat
Milieudefensie de rechter vraagt om handmatig één specifiek tandwiel (Shell)
met een vaste kracht en snelheid te dwingen om sneller te draaien.
Shell betoogt:
- Dit
ene tandwiel is via het EU-systeem (ETS) al verbonden met een
ander, groter mechanisme dat de snelheid marktconform regelt. Door het
handmatig te forceren (Onderdeel 1), breek je de fijne afstelling
van het hele systeem af en raakt de klok uit balans.
- De
rechter is bovendien niet de klokkenmaker (wetgever). Het opleggen
van deze vaste snelheid (MD-Reductieplicht) is een politieke keuze
(Onderdeel 5).
- Zelfs
als het Shell-tandwiel langzamer gaat (vermindering van aanbod), pakken
andere, mogelijk minder efficiënte tandwielen (concurrenten) de vertraging
op (Scope 3). De klok als geheel gaat dus niet daadwerkelijk sneller of
langzamer, maar Shell lijdt wel enorme schade. De actie is daarmee ineffectief
en disproportioneel (Onderdeel 2 en 3).