zaterdag 15 november 2025

Verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep - Shell

 Bron

Dit verweerschrift van Shell (Shell plc), ingediend bij de Hoge Raad in reactie op het principaal cassatieberoep van Milieudefensie, valt uiteen in vijf hoofdonderdelen.

Shell duidt de gevorderde civielrechtelijke rechtsplicht van Milieudefensie — een verplichting om absolute emissies met een bepaald (minimum)percentage op een gefixeerde datum te reduceren — kortheidshalve aan als de "MD-Reductieplicht". Shell betoogt dat deze plicht geen steun vindt in het recht en niet kan worden opgelegd.

Hieronder volgt een overzicht van de argumenten van Shell, per onderdeel van het verweerschrift:



Onderdeel 1: Een MD-Reductieplicht is in strijd met het Unierecht

Dit onderdeel is het principaal verweer van Shell, waarin wordt betoogd dat het opleggen van een MD-Reductieplicht door een nationale rechter in strijd is met het Europese wettelijke en beleidskader.

1.1 Doorkruising van het Europese wettelijke en beleidskader en strijd met Art. 4 lid 3 VEU

Shell betoogt dat het opleggen van een MD-Reductieplicht het door de Europese wetgever bereikte complexe evenwicht en de doelstellingen van het Unierecht op fundamentele wijze doorkruist.

Kernklacht/Verweer

Toelichting (Menselijke Taal)

Vindplaatsen

Verstoring van het Energietrilemma

De MD-Reductieplicht is een statische en grofmazige maatregel die geen rekening houdt met de delicate balans die de EU nastreeft tussen klimaatdoelen, leveringszekerheid en betaalbaarheid van energie (het energietrilemma). Een reductieplicht op nationaal niveau belemmert het vermogen van lidstaten, die afhankelijk zijn van olie en gas, om veilige en betaalbare energie te leveren.

Strijd met EU ETS Systematiek

De plicht druist in tegen de systematiek van het EU ETS (Emissions Trading System) en ETS2. Deze systemen werken met een emissieplafond (cap-and-trade) en marktwerking om kostenefficiënte reducties te realiseren. Een door de rechter opgelegd absoluut reductiepercentage voor één bedrijf verstoort deze gecoördineerde en flexibele aanpak.

Schending Loyaliteitsbeginsel (Art. 4 lid 3 VEU)

Het opleggen van zo'n plicht staat op gespannen voet met de verplichting van Nederland tot loyale samenwerking met de EU (Art. 4 lid 3 VEU). De plicht ondermijnt de effectiviteit (effet utile) van de EU-regelgeving en beleidsdoelstellingen.

Schending Energiesolidariteit

De MD-Reductieplicht is in strijd met het Unierechtelijke beginsel van energiesolidariteit. Als de plicht effectief zou zijn, zou een vermindering van het aanbod van olie en gas de leveringszekerheid en betaalbaarheid in andere, meer afhankelijke lidstaten schaden.

Ondermijning Interne Markt & Level Playing Field

De plicht ondermijnt de interne markt en het belang van een gelijk speelveld voor Europese ondernemingen. Nationale reductieplichten opgelegd door nationale rechters leiden tot fragmentatie van de interne markt en rechtsonzekerheid.

Strijd met Evenredigheidsbeginsel

De MD-Reductieplicht is disproportioneel. Shell stelt dat de plicht niet geschikt en niet noodzakelijk is om daadwerkelijke mondiale emissiereductie te bereiken (gezien het substitutie-effect), terwijl het wel een enorme, onevenredige impact heeft op Shell en andere EU-doelstellingen.

1.2 Beperking van het vrije verkeer van goederen

De MD-Reductieplicht is een ongerechtvaardigde inbreuk op het vrije verkeer van goederen (Artikelen 34 en 35 VWEU). De reductieplicht beïnvloedt Shells grensoverschrijdende handelsverkeer binnen de EU door de productie of verkoop van goederen te beperken, wat in strijd is met fundamentele verkeersvrijheden. Aangezien de MD-Reductieplicht in Shells visie ineffectief is voor klimaatdoelen, is deze beperking niet te rechtvaardigen.


Onderdeel 2: Geen basis in het ongeschreven recht

Shell stelt dat er geen juridische grondslag bestaat voor een ongeschreven algemene rechtsplicht om emissies te beperken (Niveau B), en al helemaal niet voor een concrete, afdwingbare MD-Reductieplicht (Niveau C).

Kernklacht/Verweer

Toelichting (Menselijke Taal)

Vindplaatsen

2.1 Past niet in het stelsel van de wet

De MD-Reductieplicht past niet in en sluit niet aan bij het bestaande Nederlandse en Europese wettelijke stelsel. Wetgevers hebben welbewust afgezien van het opleggen van een dergelijke absolute, individuele reductieplicht aan bedrijven. Integendeel, de wetgever heeft gekozen voor andere instrumenten (EU ETS, koolstofbeprijzing, inspanningsverplichtingen onder de CSDDD).

2.2 Andere belangen niet betrokken

Het Hof heeft ten onrechte andere door de wetgever erkende belangen, zoals leveringszekerheid en betaalbaarheid van energie (het energietrilemma), onvoldoende meegewogen bij de invulling van de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm. Het negeren van deze bredere, soms tegenstrijdige, belangen kan zelfs contraproductief werken voor het maatschappelijk draagvlak voor de energietransitie.

2.3 Mensenrechten ondersteunen de plicht niet

De aangehaalde mensenrechteninstrumenten (Art. 2 en 8 EVRM) en jurisprudentie (Urgenda, KlimaSeniorinnen) rechtvaardigen geen MD-Reductieplicht voor private ondernemingen. Deze uitspraken richten zich op de Staat, die over staatsmacht beschikt om via wet- en regelgeving emissies te reguleren. De rechter moet terughoudendheid betrachten bij het toepassen van positieve verplichtingen van staten op private horizontale verhoudingen, vooral gezien het fundamentele verschil in controle en mogelijkheden tussen staat en onderneming.

2.4 'Soft Law' instrumenten zijn geen rechtsbasis

Informele en niet-bindende instrumenten zoals de UNGP en de OESO-richtlijnen ondersteunen het bestaan van een afdwingbare MD-Reductieplicht niet. Deze instrumenten zijn niet opgesteld door democratisch gelegitimeerde organen en zijn niet bedoeld om juridisch bindende civielrechtelijke verplichtingen te creëren.

2.5 Algemene rechtsplicht is geen civielrechtelijke plicht

Een 'algemene rechtsplicht' van ondernemingen jegens "alle andere bewoners van de aarde" kan niet bestaan in het civiele recht. Het burgerlijk recht is van nature relationeel en bilateraal, en regelt rechtsbetrekkingen tussen specifieke partijen of nauw omschreven groepen. Een niet-gespecificeerde plicht jegens allen is onuitvoerbaar en zou ondernemingen blootstellen aan claims van iedereen op aarde.

2.6 MD-Reductieplicht is disproportioneel

Het opleggen van een MD-Reductieplicht is, gezien de ineffectiviteit (het substitutie-effect) en de zware lasten voor Shell, disproportioneel. Dit schendt de fundamentele rechten van Shell als private partij, zoals het recht op eigendom en de vrijheid van ondernemerschap.

2.8 Gebrek aan kenbaarheid en rechtszekerheid

De MD-Reductieplicht is niet voldoende vanzelfsprekend en kenbaar om als concrete rechtsplicht in rechte te worden afgedwongen. Er ontbreekt maatschappelijke consensus over de precieze invulling van zo'n plicht, wat leidt tot onvoorspelbaarheid en schending van het rechtszekerheidsbeginsel.

2.9 Strijd met bestuurdersplichten

Het opleggen van de MD-Reductieplicht beperkt de beslissingsvrijheid van het bestuur van Shell om de uiteenlopende belangen die bij de onderneming betrokken zijn (bijvoorbeeld klimaat, werknemers, financiële stabiliteit) tegen elkaar af te wegen.


Onderdeel 3: Aanvullende redenen voor Scope 3-emissies

Meer dan 90% van de door Shell gerapporteerde emissies zijn Scope 3-emissies, afkomstig van de eindgebruikers van haar producten. Shell betoogt dat, zelfs als een MD-Reductieplicht voor Scope 1 en 2 zou bestaan, deze zeker niet kan gelden voor Scope 3-emissies.

Kernklacht/Verweer

Toelichting (Menselijke Taal)

Vindplaatsen

3.1 Geen controle en geen effect

Shell heeft geen controle over de daadwerkelijke Scope 1-emissies van haar klanten en eindgebruikers (wat Shell als Scope 3 rapporteert). Een reductie van Shells aanbod leidt hoogstwaarschijnlijk tot substitutie, waarbij andere leveranciers de markt overnemen, zonder dat de wereldwijde emissies verminderen. Zonder controle of een reëel voorzienbaar effect ontbreekt de basis voor aansprakelijkheid in het ongeschreven recht.

3.1.2 Onverenigbaar met rechtmatigheid van klanten

Klanten en eindgebruikers handelen rechtmatig door fossiele brandstoffen te kopen en te gebruiken, aangezien overheden dit gedrag via wet- en regelgeving reguleren. Shell kan niet onrechtmatig handelen door te leveren aan klanten die rechtmatig handelen. Bovendien impliceert een MD-Reductieplicht voor Scope 3 een (risico)aansprakelijkheid voor het gedrag van anderen (de klanten), wat in strijd is met fundamentele rechtsbeginselen.

3.1.3 Scope 3 als maatstaf ongeschikt

Gerapporteerde Scope 3-emissies zijn een ongeschikte maatstaf voor een civielrechtelijke reductieplicht. Rapportage is vrijwillig en de methoden voor het meten en rapporteren verschillen sterk, wat leidt tot wezenlijke verschillen tussen bedrijven. Bovendien correleren gerapporteerde Scope 3-emissies niet noodzakelijkerwijs met de daadwerkelijke emissies naar de atmosfeer (vanwege substitutie).

3.2 Instrumenten rechtvaardigen de plicht niet

De bestaande EU-wetgeving (ETS2, CSRD, CSDDD) en 'soft law' (OESO, GHG Protocol) bieden geen steun voor een MD-Reductieplicht voor Scope 3. Het GHG Protocol is een vrijwillige rapportagestandaard en creëert geen juridische verplichtingen of impliceert controle over de emissies van afnemers. De CSDDD vereist inspanningsverplichtingen (due diligence), maar niet dat ondernemingen in alle omstandigheden garanderen dat negatieve effecten (zoals Scope 3-emissies) worden beëindigd.

3.3 Vrijwillige ambities zijn niet bindend

Shells vrijwillig gestelde doelstellingen en ambities (zoals de Netto Koolstof Intensiteit - NCI) kunnen geen civielrechtelijk bindende MD-Reductieplicht ondersteunen of rechtvaardigen. Shell kiest er juist voor om Scope 3-doelstellingen als ambitie te formuleren om duidelijk te maken dat zij geen controle heeft over de vraag van klanten en de regelgeving van overheden.


Onderdeel 4: Oordeel over investeringen is processueel ontoelaatbaar

Shell betoogt dat de overwegingen van het Hof (in rov. 7.58-7.62) over een maatschappelijke zorgvuldigheidsplicht ten aanzien van investeringen in nieuwe olie- en gasvelden processueel ontoelaatbaar zijn.

Kernklacht/Verweer

Toelichting (Menselijke Taal)

Vindplaatsen

4.1 Buiten de grenzen van de rechtsstrijd

De overwegingen van het Hof zijn overwegingen ten overvloede (obiter dicta) en hadden achterwege moeten blijven. Milieudefensie had geen vordering ingesteld die strekte tot een verbod op investeringen in nieuwe olie- en gasvelden. Door toch hierover te oordelen, trad het Hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd en schuurt dit met het verbod op het doen van algemene verordeningen door de rechter (Art. 12 Wet Algemene Bepalingen).

4.2 Schending hoor en wederhoor

Als deze overwegingen wél juridische betekenis zouden hebben, dan zijn ze strijdig met het beginsel van hoor en wederhoor. Shell had immers, omdat dit buiten de vordering viel, niet kunnen anticiperen op een oordeel over de zorgplicht met betrekking tot investeringen, en kon zich hierover niet adequaat uitlaten.


Onderdeel 5: Grenzen rechtsvormende taak rechter

Shell stelt dat het opleggen van een MD-Reductieplicht de grenzen van de rechtsvormende taak van de rechter overschrijdt en op ontoelaatbare wijze treedt in het politieke domein.

Kernklacht/Verweer

Toelichting (Menselijke Taal)

Vindplaatsen

5.1 Overschrijding in het politieke domein

De gevorderde MD-Reductieplicht vereist een complexe, politieke afweging op systeemniveau (over de verdeling van de reductielast, het energietrilemma en internationale implicaties). Dit soort beslissingen is voorbehouden aan de democratisch gelegitimeerde wetgevende en uitvoerende macht. De rechter mist zowel het nodige overzicht als de instrumenten om de effecten van een dergelijke plicht op verschillende belangen (economie, veiligheid, internationale betrekkingen) te beoordelen.

5.1.1 Fundamenteel verschil met Urgenda

Deze zaak verschilt fundamenteel van de Urgenda-zaak, omdat die zaak de staat verplichtte tot het naleven van een reeds vastgestelde territoriale reductiedoelstelling op basis van bindend verdragsrecht. Hier wordt de rechter gevraagd een nieuw instrument (MD-Reductieplicht) op te leggen aan een individuele, private onderneming, wat een ingreep in het politieke verdelingsvraagstuk behelst.

5.1.3 Gevolgen voor Veiligheids- en Buitenlandbeleid

De MD-Reductieplicht kan ingrijpende extraterritoriale gevolgen hebben, de internationale betrekkingen raken en inmenging vormen in de soevereine beslissingen van andere staten over hun energievoorziening en de exploitatie van hun grondstoffen. Dit vereist extra terughoudendheid van de rechter.

5.1.5 Verstoring Level Playing Field

Het opleggen van de plicht leidt tot zeer ingrijpende verstoringen in het Europese en mondiale level playing field. Aangezien Nederland het enige land ter wereld zou zijn dat een dergelijke plicht oplegt, zou dit grote en onwenselijke gevolgen hebben voor de concurrentiepositie van Shell en de Nederlandse economie.

5.2 Grenzen burgerlijk materieel- en procesrecht

Een MD-Reductieplicht overschrijdt de grenzen van het burgerlijk recht. Een civiele procedure is geen geschikt forum om deze fundamentele verdelings- en ordeningsvraagstukken op te lossen. Bovendien is het instrumentarium van de rechter niet toereikend om toezicht te houden op de uitvoering van een onherroepelijk en statisch reductiebevel, wat zou leiden tot een ongewenste en onmogelijke rol van 'permanente toezichthouder' voor de rechter.


Vergelijking met een klok:

Stel u voor dat de energietransitie een gigantische, mondiale klok is, waarbij alle radertjes (landen, sectoren, wetgeving, technologie) samenwerken om de tijd aan te passen. Shells argument is dat Milieudefensie de rechter vraagt om handmatig één specifiek tandwiel (Shell) met een vaste kracht en snelheid te dwingen om sneller te draaien.

Shell betoogt:

  1. Dit ene tandwiel is via het EU-systeem (ETS) al verbonden met een ander, groter mechanisme dat de snelheid marktconform regelt. Door het handmatig te forceren (Onderdeel 1), breek je de fijne afstelling van het hele systeem af en raakt de klok uit balans.
  2. De rechter is bovendien niet de klokkenmaker (wetgever). Het opleggen van deze vaste snelheid (MD-Reductieplicht) is een politieke keuze (Onderdeel 5).
  3. Zelfs als het Shell-tandwiel langzamer gaat (vermindering van aanbod), pakken andere, mogelijk minder efficiënte tandwielen (concurrenten) de vertraging op (Scope 3). De klok als geheel gaat dus niet daadwerkelijk sneller of langzamer, maar Shell lijdt wel enorme schade. De actie is daarmee ineffectief en disproportioneel (Onderdeel 2 en 3).