vrijdag 21 november 2025

Uitspraak Hof van Justitie over het verzamelen en opslaan van biometrische en genetische gegevens

Bron

Dit arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ), gewezen door de Vijfde kamer op 20 november 2025 in zaak C‑57/23, betreft een prejudiciële verwijzing ingediend door de Nejvyšší správní soud (hoogste bestuursrechter, Tsjechië) over de uitlegging van Richtlijn (EU) 2016/680 (de richtlijn inzake gegevensverwerking door bevoegde autoriteiten voor strafrechtelijke doeleinden).

De centrale thematiek van het arrest is de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking en opslag van biometrische en genetische gegevens door de politie in het kader van strafrechtelijke procedures.

Hieronder volgt een uitvoerige bespreking van de feiten, de middelen (prejudiciële vragen) en de beslissing van het Hof.



I. De Feiten van het Hoofdgeding (De Zaak JH)

Het geschil betrof JH tegen het Policejní prezidium (politiedirectoraat, Tsjechië).

De strafzaak: In 2015 werd een strafprocedure tegen JH ingeleid op verdenking van het opzettelijk plegen van een strafbaar feit, namelijk de niet-nakoming van zijn verplichtingen bij het beheren van andermans vermogen, en misbruik van zijn bevoegdheden als openbaar ambtenaar.

De identificatiehandelingen: Op 13 januari 2016 voerde de Tsjechische politie, ondanks JH's verzet, identificatiehandelingen uit:

  1. Afname van vingerafdrukken.
  2. Afname van een wanguitstrijkje om een DNA-profiel te creëren.
  3. Het maken van foto’s en het opstellen van een beschrijving. Deze gegevens werden vervolgens ingevoerd in de relevante databanken van de Tsjechische politie.

De nationale procedure: JH werd op 15 maart 2017 veroordeeld tot een voorwaardelijke vrijheidsstraf van drie jaar en een beroepsverbod van vier jaar. JH stelde beroep in tegen de identificatiehandelingen, stellende dat deze een onrechtmatige inmenging vormden in zijn grondrecht op eerbiediging van het privéleven. Uiteindelijk oordeelde de Městský soud v Praze (rechter voor de stad Praag, Tsjechië) op 23 juni 2022 dat de handelingen onrechtmatig waren en gelastte de politie de verkregen persoonsgegevens te wissen. De rechter benadrukte dat de afname van genetisch materiaal een aanzienlijke inmenging vormt en dat de Tsjechische wet (§ 65 van de wet betreffende de Tsjechische politie) onvoldoende aanknopingspunten bood om de evenredigheid te beoordelen. De rechter merkte op dat JH slechts van een licht strafbaar feit werd beschuldigd, een voorwaardelijke straf had gekregen, en dat recidive onwaarschijnlijk was.

Het directoraat van de Tsjechische politie stelde vervolgens cassatieberoep in bij de verwijzende rechter, de Nejvyšší správní soud, en voerde aan dat de evenredigheid wel degelijk intern was beoordeeld.

De verwijzende rechter beklemtoonde dat het verzamelen en opslaan van persoonsgegevens niet louter rechtmatig is op basis van de formele vereisten van de nationale wet, maar dat de politie in elk concreet geval de evenredigheid moet beoordelen, rekening houdend met factoren zoals het strafrechtelijke verleden, de persoonlijkheid en de ernst van het strafbare feit.

II. De Middelen (Prejudiciële Vragen)

De Nejvyšší správní soud stelde drie prejudiciële vragen aan het Hof over de verenigbaarheid van de Tsjechische wettelijke regeling (§ 65 van de wet betreffende de Tsjechische politie) met Richtlijn 2016/680:

Vraag 1: Onderscheid en Minimale Gegevensverwerking Is het verenigbaar met het beginsel van minimale gegevensverwerking (artikel 4, lid 1, onder c)) en de verplichting tot onderscheid tussen categorieën van betrokkenen (artikel 6, gelezen in samenhang met artikel 10) dat de nationale wetgeving het verzamelen van genetische gegevens toestaat van iedereen die ervan wordt verdacht of beschuldigd opzettelijk een strafbaar feit te hebben gepleegd (dus zonder onderscheid)?

Vraag 2: Opslagtermijn en Interne Regels Is het verenigbaar met de bewaartermijnbeperking (artikel 4, lid 1, onder e)) dat er geen maximumtermijn voor de bewaring van gevoelige persoonsgegevens wordt vastgesteld en dat de noodzaak om een DNA-profiel langer te bewaren door de politie wordt beoordeeld op basis van hun interne regelgeving?

Vraag 3: Begrip „Lidstatelijk recht” Kan de rechtspraak van de nationale rechterlijke instanties worden aangemerkt als „lidstatelijk recht” in de zin van artikel 8, lid 2, gelezen in samenhang met artikel 10 van de richtlijn, waarin de materiële en procedurele voorwaarden voor het verzamelen, bewaren en wissen van bijzonder gevoelige persoonsgegevens zijn neergelegd?

III. De Beslissing van het Hof

Het Hof besloot om te beginnen met de derde vraag, aangezien deze het toepassingsgebied van het "lidstatelijk recht" definieert.

1. Uitlegging van de Artikelen 8 en 10: „Lidstatelijk recht” (Derde vraag)

Het Hof oordeelde dat de artikelen 8 en 10 van Richtlijn 2016/680 aldus moeten worden uitgelegd dat het begrip „lidstatelijk recht” betrekking heeft op een bepaling van algemene strekking die de minimale voorwaarden voor het verzamelen, opslaan en wissen van biometrische en genetische gegevens vaststelt.

Dit omvat ook hoe die bepaling wordt uitgelegd in de rechtspraak van de nationale rechterlijke instanties, voor zover die rechtspraak toegankelijk en voldoende voorzienbaar is.

Het Hof benadrukte dat dit begrip in materiële zin moet worden opgevat, in lijn met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en het vereiste van artikel 52 van het Handvest dat beperkingen bij wet worden gesteld. Deze wet, of het ‘lidstatelijk recht’, moet voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn om de toepassing ervan voorspelbaar te maken.

2. Uitlegging van de Artikelen 4, 6 en 10: Onderscheid en Strikte Noodzakelijkheid (Eerste vraag)

Het Hof oordeelde dat artikel 6 en artikel 4, lid 1, onder c), gelezen in samenhang met artikel 10 van Richtlijn 2016/680 zich niet verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan zonder onderscheid biometrische en genetische gegevens kunnen worden verzameld van eenieder die ervan wordt verdacht of beschuldigd opzettelijk een strafbaar feit te hebben gepleegd.

Het Hof stelde twee cruciale voorwaarden:

  1. Onderscheid tussen categorieën (Artikel 6): De richtlijn verplicht tot onderscheid "in voorkomend geval en voor zover mogelijk". Als de nationale wetgeving personen die worden beschuldigd en personen die worden verdacht van een opzettelijk strafbaar feit onder dezelfde categorie (artikel 6, onder a)) schaart, is dit toegestaan als de doeleinden van de verzameling geen onderscheid vereisen.
  2. Strikte noodzakelijkheid (Artikel 10): Aangezien het gaat om gevoelige gegevens, is de verwerking slechts toegestaan indien deze strikt noodzakelijk is en met passende waarborgen geschiedt. Dit vereist een bijzonder strenge beoordeling van de evenredigheid en minimale gegevensverwerking.

De enkele omstandigheid dat de nationale regeling de politie de bevoegdheid (en niet de plicht) geeft om biometrische en genetische gegevens te verzamelen, is niet in strijd met de richtlijn, op voorwaarde dat de politieautoriteiten de beginselen van de richtlijn (met name de strikte noodzakelijkheid) in acht nemen.

Bij de beoordeling van die strikt noodzakelijkheid moet rekening worden gehouden met alle relevante factoren, waaronder:

  • De aard en de ernst van het ten laste gelegde strafbare feit.
  • De gerechtelijke antecedenten of het persoonlijke profiel van de betrokkenen.
  • De specifieke omstandigheden van het strafbare feit.

Het Hof merkte op dat de nationale rechtspraak (die de bevoegde autoriteiten verplichtte om rekening te houden met het strafrechtelijke verleden, de ernst van het feit en de persoonlijkheid van de dader) de naleving van deze beginselen beoogt te waarborgen. Het Hof voegde eraan toe dat het enkele feit dat een misdrijf van economische aard is of dat de persoon nog niet definitief is veroordeeld, niet automatisch uitsluit dat verzameling strikt noodzakelijk kan zijn, bijvoorbeeld met het oog op onderzoek naar lidmaatschap van een criminele organisatie of risico op onderduiken.

3. Uitlegging van Artikel 4, lid 1, onder e): Opslagtermijnen (Tweede vraag)

Het Hof oordeelde dat artikel 4, lid 1, onder e), van Richtlijn 2016/680 zich niet verzet tegen een nationale regeling die geen maximale opslagtermijn vaststelt.

Dit is het geval voor zover die regeling passende termijnen vaststelt voor de periodieke evaluatie van de noodzaak van de opslag van die gegevens, en dat bij die evaluatie wordt beoordeeld of het strikt noodzakelijk is om de opslag ervan te verlengen.

  • Geen maximale termijn nodig: Artikel 5 van de richtlijn geeft lidstaten de keuze om óf termijnen voor het wissen vast te stellen, óf passende termijnen voor periodieke evaluatie. De lidstaten zijn niet verplicht een absolute maximale opslagtermijn vast te stellen waarna gegevens automatisch moeten worden gewist, zelfs bij gevoelige gegevens, mits de evaluatie het mogelijk maakt om gegevens te wissen indien de opslag niet langer strikt noodzakelijk is.
  • Interne regels en bewijslast: De beoordeling door politieautoriteiten op basis van interne regels is op zich niet strijdig met de richtlijn. Echter, aangezien die interne regels niet openbaar zijn, moeten de politieautoriteiten in geval van beroep bij de bevoegde rechter los van die interne regels aantonen dat de voorwaarde van „strikte noodzakelijkheid” naar behoren in acht is genomen.
  • Evaluatieperiode Tsjechië: In de Tsjechische wet is een evaluatietermijn van ten minste om de drie jaar (§ 82, lid 1) vastgesteld. Het is aan de verwijzende rechter om te beoordelen of deze termijn passend is, in het licht van de doelstellingen en het vereiste van strikte noodzakelijkheid . De evaluatie moet bovendien een nieuwe beoordeling van de noodzaak van opslag met zich meebrengen wanneer de strafrechtelijke status van de betrokkene verandert.

Samenvattend kan men dit arrest zien als een bevestiging dat hoewel de lidstaten flexibiliteit behouden in hoe zij de verwerking van gevoelige gegevens (zoals DNA) regelen (via wetgeving of rechtspraak), de autoriteiten in elk geval verplicht blijven de grondbeginselen van minimale gegevensverwerking en, in het bijzonder, de strikt noodzakelijkheid van de opslag, voortdurend en aantoonbaar te waarborgen, ongeacht of er een vaste maximale bewaartermijn is.