zaterdag 1 november 2025

Nederland - penitentiaire beginselenwet - vanaf 1 november 2025

Bron


De Penitentiaire beginselenwet regelt hoe vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen in penitentiaire inrichtingen ten uitvoer moeten worden gelegd.

Deze wet vervangt de eerdere Beginselenwet gevangeniswezen en beoogt een herziening van de penitentiaire regelgeving, met name met betrekking tot het differentiatie- en selectiestelsel.


Hoofdstuk I. Begripsbepalingen (Definities)

  • Artikel 1: Dit artikel legt uit wat de belangrijkste termen in de wet betekenen. Het definieert onder andere:
    • Onze Minister (de Minister voor Rechtsbescherming).
    • Inrichting (de gevangenis of het huis van bewaring).
    • Gedetineerde (de persoon die vastzit).
    • Penitentiair programma (een programma van activiteiten buiten de inrichting ter voorbereiding op terugkeer in de maatschappij).
    • Vrijheidsstraf (zoals gevangenisstraf of hechtenis) en vrijheidsbenemende maatregel (zoals voorlopige hechtenis of vreemdelingenbewaring).
    • Goed gedrag (een opstelling die wijst op geschiktheid tot terugkeer in de samenleving).

Hoofdstuk II. Doelstelling, beheer en toezicht (Doel, leiding en controle)

  • Artikel 2: De tenuitvoerlegging van de straf gebeurt in een inrichting of via een penitentiair programma. Het doel is de gedetineerde zoveel mogelijk voor te bereiden op terugkeer in de maatschappij, waarbij rekening wordt gehouden met de veiligheid van de samenleving en de belangen van slachtoffers. Gedetineerden mogen niet meer beperkingen opgelegd krijgen dan strikt noodzakelijk is voor het doel van de detentie of het handhaven van orde en veiligheid.
  • Artikel 3: De Minister wijst de inrichtingen aan en heeft het opperbeheer (hoogste leiding). De dagelijkse leiding berust bij de directeur.
  • Artikel 4: Omschrijft het penitentiair programma (PP) als een samenstel van activiteiten dat volgt op het verblijf in de inrichting. Gedetineerden kunnen deelnemen als hun strafduur aan bepaalde grenzen voldoet (o.a. gezamenlijke duur minstens zes maanden, maximaal een jaar) en als zij goed gedrag vertonen. Aan deelname kunnen voorwaarden worden verbonden, inclusief elektronisch toezicht.
  • Artikel 5: De directeur stelt huisregels op. De directeur mag bevelen geven in het belang van de orde en veiligheid, en gedetineerden moeten deze opvolgen. Dit artikel somt de belangrijke beslissingen op die de directeur zelf moet nemen, zoals het plaatsen van een kind, afzondering of disciplinaire straffen.
  • Artikel 5a: De directeur meldt ongewenste afwezigheid en andere bijzondere incidenten aan de Minister.
  • Artikel 5b: De directeur stelt een meldcode vast die beschrijft hoe ambtenaren omgaan met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling.
  • Artikel 6: De Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming (Raad) behandelt beroepschriften (hoger beroep).
  • Artikel 7: Er wordt een commissie van toezicht ingesteld bij elke inrichting. Hun taak is toezicht houden op de uitvoering van de detentie, klachten van gedetineerden aanhoren en advies geven. Een lid van de commissie (de maandcommissaris) heeft regelmatig persoonlijk contact met de gedetineerden.

Hoofdstuk III. Bestemming (Soorten inrichtingen)

  • Artikel 8: De Minister bepaalt de functie (bestemming) van elke inrichting en stelt regels voor de plaatsing van gedetineerden.
  • Artikel 9: Inrichtingen zijn onderverdeeld in huizen van bewaring (voor mensen in voorlopige hechtenis, vreemdelingenbewaring of in afwachting van overplaatsing) en gevangenissen.
  • Artikel 10: Gevangenissen zijn bestemd voor personen die veroordeeld zijn tot een vrijheidsstraf.
  • Artikel 10a: Inrichtingen voor stelselmatige daders (ISD) zijn voor personen aan wie een ISD-maatregel is opgelegd.
  • Artikel 11: Mannen en vrouwen worden gescheiden ondergebracht, hoewel ze samen aan activiteiten kunnen deelnemen.
  • Artikel 12: Regelt de mogelijkheid voor gedetineerden om hun kind (tot een bepaalde leeftijd) in de inrichting te laten verblijven voor verzorging en opvoeding, mits de directeur toestemming geeft.
  • Artikel 13: Inrichtingen worden ingedeeld naar de mate van beveiliging (beperkt, normaal, uitgebreid, extra beveiligd).
  • Artikel 14: Er kunnen inrichtingen of afdelingen zijn voor gedetineerden die bijzondere opvang nodig hebben, bijvoorbeeld vanwege hun gezondheidstoestand of de noodzaak van intensief toezicht.

Hoofdstuk IV. Selectie en selectieprocedure (Plaatsing en procedures)

  • Artikel 15: Regelt de plaatsing en overplaatsing van gedetineerden conform de bestemming van de inrichting. De Minister beslist hierover en over deelname aan een penitentiair programma.
  • Artikel 15a: Bepaalt dat, bij gebrek aan plek in een inrichting, een gedetineerde maximaal tien dagen in een politiecel kan verblijven.
  • Artikel 16: De directeur bepaalt de precieze verblijfsruimte binnen de inrichting.
  • Artikel 17: Geeft de gedetineerde het recht om een bezwaarschrift in te dienen tegen bepaalde beslissingen van de Minister (zoals over plaatsing of beëindiging van het PP).
  • Artikel 18: Geeft het recht om een verzoekschrift in te dienen bij de Minister (zoals een verzoek om overplaatsing of deelname aan een PP).

Hoofdstuk IVa. Detentie- en re-integratieplan

  • Artikel 18a: De directeur moet binnen vier weken een detentie- en re-integratieplan (DRP) opstellen, in overleg met de gedetineerde. Dit plan bevat onder meer de begeleiding, gedragsdoelen, activiteiten en essentiële voorwaarden voor terugkeer in de maatschappij.
  • Artikel 18b: Als er een risico is op een ernstig geweld- of zedenmisdrijf, moeten de directeur, Minister, politie en reclassering gegevens over de gedetineerde uitwisselen ter bescherming van de veiligheid van anderen.

Hoofdstuk IVb. Inrichtingen voor stelselmatige daders (ISD)

  • Artikel 18c/18d: Regelt het opstellen van een verblijfsplan (binnen een maand) voor ISD-gedetineerden.
  • Artikel 18e: Geeft de ISD-gedetineerde recht op een periodieke evaluatie van het verblijfsplan, minstens elke zes maanden.

Hoofdstuk IVc. Vervoer

  • Artikel 18g: Er is een aparte commissie van toezicht voor het controleren van de uitvoering van het vervoer van gedetineerden en het behandelen van klachten daarover.

Hoofdstuk V. Bewegingsvrijheid

  • Artikel 19: Detentie vindt plaats in een gemeenschapsregime (groepsverband), tenzij een individueel regime (afzondering) noodzakelijk is.
  • Artikel 23: De directeur kan een gedetineerde uitsluiten van deelname aan activiteiten (max. twee weken, verlengbaar) als dat nodig is voor de orde/veiligheid of ter bescherming van de gedetineerde zelf.
  • Artikel 24: De directeur mag een gedetineerde in afzondering (isolatie) plaatsen om dezelfde redenen, voor maximaal twee weken, met verlenging mogelijk.
  • Artikel 26: Regelt het verlenen van verlof (tijdelijk verlaten van de inrichting) en de voorwaarden daarvoor. De directeur kan verlof verlenen voor het bijwonen van gerechtelijke procedures.

Hoofdstuk VI. Controle en geweldgebruik

  • Artikel 28: De directeur moet de identiteit van de gedetineerde vaststellen bij binnenkomst, verlaten en bij bezoek, onder meer door het opnemen van vingerafdrukken en foto’s.
  • Artikel 29: De directeur mag de gedetineerde, zijn kleding en meegebrachte voorwerpen onderzoeken (fouilleren), bijvoorbeeld bij binnenkomst/vertrek of bezoek.
  • Artikel 30: De directeur kan urineonderzoek verplichten om te controleren op gedragsbeïnvloedende middelen (drugs).
  • Artikel 31: De directeur kan een onderzoek in het lichaam bevelen als dit absoluut nodig is ter afwending van ernstig gevaar voor de orde of gezondheid. Dit moet door een arts of verpleegkundige gebeuren.
  • Artikel 32: De directeur kan verplichten dat een bepaalde geneeskundige handeling wordt verricht, als een arts dit volstrekt noodzakelijk acht voor de gezondheid of veiligheid.
  • Artikel 33: De directeur kan mechanische middelen (zoals handboeien) toepassen tijdens afzondering (max. 24 uur, verlengbaar) als er ernstig gevaar uitgaat van de gedetineerde.
  • Artikel 34: De directeur mag de verblijfsruimte doorzoeken op verboden voorwerpen.
  • Artikel 35: De directeur of de Minister mag geweld gebruiken of vrijheidsbeperkende middelen toepassen als dit noodzakelijk is voor het handhaven van de orde, de uitvoering van een beslissing, of het voorkomen van onttrekking aan toezicht.

Hoofdstuk VII. Contact met de buitenwereld

  • Artikel 36: De gedetineerde heeft recht op postverkeer. De directeur mag post controleren op bijgesloten voorwerpen en, behoudens uitzonderingen, op inhoud. Post kan geweigerd worden omwille van veiligheid, openbare orde of bescherming van slachtoffers.
  • Artikel 37: Lijst met personen of instanties (zoals de rechtsbijstandverlener, de Minister, de Raad) van wie de post niet op inhoud mag worden gecontroleerd.
  • Artikel 38: De gedetineerde heeft recht op bezoek (minstens één uur per week). Bezoek kan geweigerd of beëindigd worden om veiligheidsredenen. Toezicht op gesprekken is mogelijk, maar vertrouwelijk contact met de rechtsbijstandverlener mag niet zodanig gecontroleerd worden dat de inhoud bekend wordt bij derden.
  • Artikel 39: De gedetineerde heeft recht op telefonisch contact (minstens eenmaal per week, 10 minuten). Ook hier kan toezicht plaatsvinden, en gesprekken kunnen geweigerd of beëindigd worden om veiligheidsredenen.
  • Artikel 40: Regelt de toegang van vertegenwoordigers van de media; toestemming van de directeur is vereist en kan geweigerd worden.
  • Artikel 40a: Gedetineerden in zwaar beveiligde afdelingen (IT of EBI) moeten maximaal twee rechtsbijstandverleners aanwijzen. Het recht op vrije toegang en communicatie geldt alleen voor deze aangewezen personen.

Hoofdstuk VIIA. Bevelen van Onze Minister

  • Artikel 40d: De Minister kan een bevel opleggen aan gedetineerden in IT/EBI-afdelingen dat leidt tot zware beperkingen van contact met de buitenwereld (activiteiten, post, bezoek, telefoon, media). Dit is alleen mogelijk als het in het belang is van de openbare orde of veiligheid buiten de inrichting (bijvoorbeeld bij aanwijzingen van ernstig intimiderende activiteiten of georganiseerde misdaad). Dit bevel is schriftelijk en tijdelijk (max. 3 of 12 maanden) en mag de communicatie met de rechtsbijstandverlener niet beperken.
  • Artikel 40e: De Minister kan deze beperkingen op verzoek opheffen of wijzigen.

Hoofdstuk VIII. Verzorging, arbeid en andere activiteiten

  • Artikel 41: Regelt het recht op godsdienst- of levensovertuiging, inclusief de aanwezigheid van geestelijke verzorging in de inrichting.
  • Artikel 42: Regelt het recht op medische verzorging door de aan de inrichting verbonden arts.
  • Artikel 43: Regelt het recht op sociale verzorging en hulpverlening, geleverd door reclasseringswerkers en gedragsdeskundigen.
  • Artikel 44: De directeur zorgt voor voeding, kleding en hygiëne.
  • Artikel 45: Regelt het bezit van voorwerpen en de mogelijkheid om bezit te verbieden als dat nodig is voor de orde of veiligheid.
  • Artikel 46: Contant geld is meestal verboden in de inrichting; de gedetineerde beschikt over een rekening-courant.

Paragraaf 1a. Bijzondere afdeling in verband met de geestelijke gezondheidstoestand

  • Artikel 46a: Definieert "Gevaar" in relatie tot psychische stoornissen, psychogeriatrische aandoeningen of verstandelijke handicaps.
  • Artikel 46b/c: Regelt het opstellen van een geneeskundig behandelingsplan voor gedetineerden met psychische problemen. Behandeling vindt alleen plaats met instemming van de gedetineerde.
  • Artikel 46d/e: Regelt de mogelijkheid tot gedwongen geneeskundige behandeling als uiterst redmiddel wanneer de psychische stoornis een ernstig gevaar veroorzaakt dat anders niet kan worden afgewend. Dit vereist strikte procedures en een tijdelijke schriftelijke beslissing van de directeur, inclusief verklaringen van psychiaters.
  • Artikel 47: De gedetineerde kan worden ingezet voor arbeid (werk), tenzij de aard of duur van de detentie dit niet toelaat.
  • Artikel 48: Regelt het recht op nieuws, onderwijs, sport en lichamelijke oefening (minstens tweemaal drie kwartier per week).
  • Artikel 49: De gedetineerde heeft recht op recreatie en dagelijks verblijf in de buitenlucht (minstens een uur per dag).

Hoofdstuk IX. Disciplinaire straffen

  • Artikel 50: Als een ambtenaar onverenigbare feiten constateert, meldt hij dit aan de directeur die over de straf beslist.
  • Artikel 51: De directeur kan diverse disciplinaire straffen opleggen, zoals opsluiting in een strafcel (max. twee weken), ontzegging van bezoek of een geldboete.
  • Artikel 51a: Cameraobservatie is mogelijk in de strafcel ter bescherming van de gezondheid van de gedetineerde.
  • Artikel 53: Straffen kunnen voorwaardelijk worden opgelegd met een proeftijd van maximaal drie maanden.
  • Artikel 55: Een gedetineerde die in een strafcel zit, is uitgesloten van activiteiten, behalve het dagelijks verblijf in de buitenlucht.

Hoofdstuk X. Informatie, hoor- en mededelingsplicht en dossier

  • Artikel 56: De directeur moet de gedetineerde bij binnenkomst informeren over zijn rechten en plichten.
  • Artikel 57: De directeur moet de gedetineerde horen (in de gelegenheid stellen zijn standpunt kenbaar te maken) voordat hij beslist over belangrijke zaken (zoals afzondering, disciplinaire straf of verplichte medische handeling).
  • Artikel 58: De directeur moet elke beslissing schriftelijk en met redenen omkleed aan de gedetineerde meedelen.
  • Artikel 59: Regelt de aanleg, inhoud en inzage van het dossier van de gedetineerde.

Hoofdstuk Xa. Bemiddeling

  • Artikel 59a: De gedetineerde kan de commissie van toezicht vragen om te bemiddelen bij grieven tegen de directeur, met als doel een aanvaardbare oplossing te bereiken.

Hoofdstuk XI. Beklag (Klachtenprocedure)

  • Artikel 60/61: De gedetineerde kan een klaagschrift indienen bij de beklagcommissie over een beslissing van de directeur. De deadline is doorgaans zeven dagen.
  • Artikel 62-67: Regelt de behandeling van het klaagschrift door de beklagcommissie, inclusief het horen van de klager en de directeur. De commissie doet binnen vier weken uitspraak.
  • Artikel 68: Als het beklag gegrond wordt verklaard (omdat de beslissing onwettig, onredelijk of onbillijk is), wordt de beslissing geheel of gedeeltelijk vernietigd. De commissie kan de directeur opdragen een nieuwe beslissing te nemen, of zelf een beslissing in de plaats stellen. Er kan een tegemoetkoming (schadevergoeding) worden vastgesteld.

Hoofdstuk XIa. Beklag inzake vervoer

  • Artikel 68a/68b: Regelt de specifieke klachtenprocedure voor beslissingen genomen tijdens het vervoer van gedetineerden.

Hoofdstuk XII. Beroep tegen de uitspraak van de beklagcommissie

  • Artikel 69/71: Zowel de directeur als de klager kunnen beroep instellen tegen de uitspraak van de beklagcommissie bij de beroepscommissie van de Raad.

Hoofdstuk XIIa. Beroep inzake vervoer

  • Artikel 71a: Regelt beroepsprocedures voor klachten over vervoer.

Hoofdstuk XIIb. Beroep tegen medisch handelen

  • Artikel 71b/c/d/f: Gedetineerden kunnen beroep instellen tegen medisch handelen van de inrichtingsarts. Dit begint met een verplicht bemiddelingsverzoek aan de Medisch Adviseur. Het beroep wordt behandeld door een commissie bestaande uit een jurist en twee artsen.

Hoofdstuk XIII. Beroep inzake plaatsing, overplaatsing en verzoekschriften

  • Artikel 72/73: Regelt het beroep tegen beslissingen van de Minister over plaatsing, overplaatsing en afwijzing van verzoekschriften. Dit wordt behandeld door een commissie van de Raad.

Hoofdstuk XIV. Overleg en vertegenwoordiging

  • Artikel 74/75: De directeur zorgt voor regelmatig overleg met gedetineerden. De rechten van de gedetineerde kunnen ook worden uitgeoefend door hun wettelijke vertegenwoordiger (curator, mentor, of ouders/voogd bij minderjarigen).

Hoofdstuk XV, XVI, XVIa, XVII. Bijzondere bepalingen, Experimenten en Slotbepalingen

  • Artikel 76/77: Bevat regels over de plaatsing van veroordeelden in TBS-instellingen en over klinische observatie.
  • Artikel 77a/b: Biedt de mogelijkheid om via een algemene maatregel van bestuur tijdelijk van bepaalde artikelen af te wijken (max. twee jaar) om experimenten met nieuwe regels mogelijk te maken, bijvoorbeeld op het gebied van beveiliging, samenstelling van groepen of arbeid.
  • Artikel 91/95: Trekt de oude Beginselenwet gevangeniswezen in en stelt vast dat de wet wordt aangehaald als de Penitentiaire beginselenwet.

Gedeelte in verband met verstrenging

Het gedeelte van de Penitentiaire beginselenwet dat een verstrenging (oftewel een beperking van de vrijheden) inhoudt, richt zich voornamelijk op de criteria voor het plaatsen van gedetineerden in zwaar beveiligde regimes en de mogelijkheid voor de Minister om verregaande beperkingen op te leggen als de veiligheid van de buitenwereld in gevaar is.

Hier zijn de belangrijkste artikelen die betrekking hebben op deze verstrenging:

Hoofdstuk III: Bestemming (Beveiligingsniveaus)

  • Artikel 13 definieert de indeling van inrichtingen of afdelingen naar de mate van beveiliging. Een van de zwaarste categorieën die de wet benoemt is de extra beveiligde inrichting.
  • Artikel 14 maakt het mogelijk dat inrichtingen of afdelingen worden aangewezen voor gedetineerden die bijzondere opvang behoeven, onder meer vanwege de intensiteit van het toezicht dat noodzakelijk is.

Hoofdstuk IV: Selectie en selectieprocedure

  • Artikel 18, vijfde lid: Dit artikel introduceert een verstrenging voor het indienen van verzoekschriften (bijvoorbeeld tot overplaatsing) voor gedetineerden in een afdeling intensief toezicht of een extra beveiligde inrichting. Zij moeten twaalf maanden wachten na een afwijzing, terwijl voor anderen een termijn van zes maanden geldt.

Hoofdstuk VI: Controle en geweldgebruik

  • Artikel 34a staat cameraobservatie (dag en nacht) toe voor gedetineerden die in een individueel regime of in een extra beveiligde inrichting verblijven. Dit is toegestaan als het noodzakelijk is in het belang van de orde of veiligheid, of ter bescherming van de gedetineerde, of indien bij ontvluchting grote maatschappelijke onrust zou ontstaan.

Hoofdstuk VII: Contact met de buitenwereld (EBI en IT)

Deze bepalingen leggen verregaande beperkingen op aan contact met de buitenwereld voor de zwaarste categorieën gedetineerden (afdeling voor intensief toezicht (IT) en extra beveiligde inrichting (EBI)):

  • Artikel 40a: Een gedetineerde in een IT-afdeling of EBI mag maximaal twee rechtsbijstandverleners aanwijzen die toegang hebben. Brieven en stukken van andere rechtsbijstandverleners dan de aangewezenen worden niet uitgereikt. Vrije toegang en het recht op ongestoord telefoongesprek met de rechtsbijstandverlener is eveneens beperkt tot deze twee aangewezen personen.
  • Artikel 40b stelt zeer strikte regels voor gedetineerden in een EBI: zij hebben recht op één uur per week bezoek en éénmaal per week tien minuten één telefoongesprek. Ze mogen per bezoekmoment slechts één meerderjarige bezoeker ontvangen (of één minderjarige bezoeker met één meerderjarige).
  • Artikel 40c stelt strikte regels voor gedetineerden in een IT-afdeling: zij hebben recht op één uur per week bezoek en driemaal per week tien minuten één telefoongesprek.

Hoofdstuk VIIA: Bevelen van Onze Minister (De zwaarste beperkingen)

Dit hoofdstuk geeft de Minister bevoegdheid om nog zwaardere beperkingen op te leggen dan die al gelden in een EBI of IT-afdeling:

  • Artikel 40d, eerste lid: De Minister kan een bevel geven aan gedetineerden in een IT-afdeling of EBI indien dit noodzakelijk is in het belang van de openbare orde of veiligheid buiten de inrichting. Dit bevel kan worden gegeven:
    • bij aanwijzingen dat de gedetineerde zijn contacten gebruikt voor ernstig intimiderende of levensbedreigende activiteiten in de buitenwereld;
    • of indien, gelet op de aard van het misdrijf of de persoonlijkheid, een gevaar voor de openbare orde of veiligheid moet worden aangenomen (bijvoorbeeld bij verdenking of veroordeling wegens deelname aan een criminele organisatie als leider of bestuurder).
  • Artikel 40d, derde lid: Het bevel kan de volgende vergaande beperkingen inhouden:
    • Beperking of uitsluiting van deelname aan activiteiten;
    • Beperking of uitsluiting van het ontvangen en verzenden van brieven en intensivering van toezicht daarop;
    • Beperking of uitsluiting van bezoek en intensivering van toezicht daarop;
    • Beperking of uitsluiting van telefoonverkeer en intensivering van toezicht daarop;
    • Beperking van het recht op het kennisnemen van het nieuws.

Dit type bevel is tijdelijk (maximaal drie maanden als alle contacten worden beperkt, of maximaal twaalf maanden in overige gevallen). Het bevel mag echter de vrijheid van verkeer tussen de rechtsbijstandverlener en de gedetineerde niet beperken.


De maatregelen, in het bijzonder de Ministeriële bevelen, laten zien dat de wet rekening houdt met gedetineerden die een ernstig gevaar vormen voor de samenleving en de inrichting, en dat hun rechten op contact en bewegingsvrijheid daarvoor zwaar beperkt kunnen worden.