De Penitentiaire beginselenwet regelt hoe vrijheidsstraffen
en vrijheidsbenemende maatregelen in penitentiaire inrichtingen ten uitvoer
moeten worden gelegd.
Deze wet vervangt de eerdere Beginselenwet gevangeniswezen
en beoogt een herziening van de penitentiaire regelgeving, met name met
betrekking tot het differentiatie- en selectiestelsel.
Hoofdstuk I. Begripsbepalingen (Definities)
- Artikel
1: Dit artikel legt uit wat de belangrijkste termen in de wet
betekenen. Het definieert onder andere:
- Onze
Minister (de Minister voor Rechtsbescherming).
- Inrichting
(de gevangenis of het huis van bewaring).
- Gedetineerde
(de persoon die vastzit).
- Penitentiair
programma (een programma van activiteiten buiten de inrichting ter
voorbereiding op terugkeer in de maatschappij).
- Vrijheidsstraf
(zoals gevangenisstraf of hechtenis) en vrijheidsbenemende maatregel
(zoals voorlopige hechtenis of vreemdelingenbewaring).
- Goed
gedrag (een opstelling die wijst op geschiktheid tot terugkeer in de
samenleving).
Hoofdstuk II. Doelstelling, beheer en toezicht (Doel,
leiding en controle)
- Artikel
2: De tenuitvoerlegging van de straf gebeurt in een inrichting of via
een penitentiair programma. Het doel is de gedetineerde zoveel mogelijk
voor te bereiden op terugkeer in de maatschappij, waarbij rekening
wordt gehouden met de veiligheid van de samenleving en de belangen van
slachtoffers. Gedetineerden mogen niet meer beperkingen opgelegd krijgen
dan strikt noodzakelijk is voor het doel van de detentie of het handhaven
van orde en veiligheid.
- Artikel
3: De Minister wijst de inrichtingen aan en heeft het opperbeheer
(hoogste leiding). De dagelijkse leiding berust bij de directeur.
- Artikel
4: Omschrijft het penitentiair programma (PP) als een samenstel
van activiteiten dat volgt op het verblijf in de inrichting. Gedetineerden
kunnen deelnemen als hun strafduur aan bepaalde grenzen voldoet (o.a.
gezamenlijke duur minstens zes maanden, maximaal een jaar) en als zij goed
gedrag vertonen. Aan deelname kunnen voorwaarden worden verbonden,
inclusief elektronisch toezicht.
- Artikel
5: De directeur stelt huisregels op. De directeur mag bevelen
geven in het belang van de orde en veiligheid, en gedetineerden moeten
deze opvolgen. Dit artikel somt de belangrijke beslissingen op die de
directeur zelf moet nemen, zoals het plaatsen van een kind, afzondering of
disciplinaire straffen.
- Artikel
5a: De directeur meldt ongewenste afwezigheid en andere bijzondere
incidenten aan de Minister.
- Artikel
5b: De directeur stelt een meldcode vast die beschrijft hoe
ambtenaren omgaan met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling.
- Artikel
6: De Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming
(Raad) behandelt beroepschriften (hoger beroep).
- Artikel
7: Er wordt een commissie van toezicht ingesteld bij elke
inrichting. Hun taak is toezicht houden op de uitvoering van de detentie,
klachten van gedetineerden aanhoren en advies geven. Een lid van de
commissie (de maandcommissaris) heeft regelmatig persoonlijk
contact met de gedetineerden.
Hoofdstuk III. Bestemming (Soorten inrichtingen)
- Artikel
8: De Minister bepaalt de functie (bestemming) van elke inrichting en
stelt regels voor de plaatsing van gedetineerden.
- Artikel
9: Inrichtingen zijn onderverdeeld in huizen van bewaring (voor
mensen in voorlopige hechtenis, vreemdelingenbewaring of in afwachting van
overplaatsing) en gevangenissen.
- Artikel
10: Gevangenissen zijn bestemd voor personen die veroordeeld
zijn tot een vrijheidsstraf.
- Artikel
10a: Inrichtingen voor stelselmatige daders (ISD) zijn voor
personen aan wie een ISD-maatregel is opgelegd.
- Artikel
11: Mannen en vrouwen worden gescheiden ondergebracht, hoewel ze samen
aan activiteiten kunnen deelnemen.
- Artikel
12: Regelt de mogelijkheid voor gedetineerden om hun kind (tot
een bepaalde leeftijd) in de inrichting te laten verblijven voor
verzorging en opvoeding, mits de directeur toestemming geeft.
- Artikel
13: Inrichtingen worden ingedeeld naar de mate van beveiliging
(beperkt, normaal, uitgebreid, extra beveiligd).
- Artikel
14: Er kunnen inrichtingen of afdelingen zijn voor gedetineerden die bijzondere
opvang nodig hebben, bijvoorbeeld vanwege hun gezondheidstoestand of
de noodzaak van intensief toezicht.
Hoofdstuk IV. Selectie en selectieprocedure (Plaatsing en
procedures)
- Artikel
15: Regelt de plaatsing en overplaatsing van gedetineerden
conform de bestemming van de inrichting. De Minister beslist hierover en
over deelname aan een penitentiair programma.
- Artikel
15a: Bepaalt dat, bij gebrek aan plek in een inrichting, een
gedetineerde maximaal tien dagen in een politiecel kan verblijven.
- Artikel
16: De directeur bepaalt de precieze verblijfsruimte binnen de
inrichting.
- Artikel
17: Geeft de gedetineerde het recht om een bezwaarschrift in te
dienen tegen bepaalde beslissingen van de Minister (zoals over plaatsing
of beëindiging van het PP).
- Artikel
18: Geeft het recht om een verzoekschrift in te dienen bij de
Minister (zoals een verzoek om overplaatsing of deelname aan een PP).
Hoofdstuk IVa. Detentie- en re-integratieplan
- Artikel
18a: De directeur moet binnen vier weken een detentie- en
re-integratieplan (DRP) opstellen, in overleg met de gedetineerde. Dit
plan bevat onder meer de begeleiding, gedragsdoelen, activiteiten en
essentiële voorwaarden voor terugkeer in de maatschappij.
- Artikel
18b: Als er een risico is op een ernstig geweld- of zedenmisdrijf,
moeten de directeur, Minister, politie en reclassering gegevens over de
gedetineerde uitwisselen ter bescherming van de veiligheid van anderen.
Hoofdstuk IVb. Inrichtingen voor stelselmatige daders
(ISD)
- Artikel
18c/18d: Regelt het opstellen van een verblijfsplan (binnen een
maand) voor ISD-gedetineerden.
- Artikel
18e: Geeft de ISD-gedetineerde recht op een periodieke evaluatie
van het verblijfsplan, minstens elke zes maanden.
Hoofdstuk IVc. Vervoer
- Artikel
18g: Er is een aparte commissie van toezicht voor het
controleren van de uitvoering van het vervoer van gedetineerden en
het behandelen van klachten daarover.
Hoofdstuk V. Bewegingsvrijheid
- Artikel
19: Detentie vindt plaats in een gemeenschapsregime
(groepsverband), tenzij een individueel regime (afzondering)
noodzakelijk is.
- Artikel
23: De directeur kan een gedetineerde uitsluiten van deelname aan
activiteiten (max. twee weken, verlengbaar) als dat nodig is voor de
orde/veiligheid of ter bescherming van de gedetineerde zelf.
- Artikel
24: De directeur mag een gedetineerde in afzondering (isolatie)
plaatsen om dezelfde redenen, voor maximaal twee weken, met verlenging
mogelijk.
- Artikel
26: Regelt het verlenen van verlof (tijdelijk verlaten van de
inrichting) en de voorwaarden daarvoor. De directeur kan verlof verlenen
voor het bijwonen van gerechtelijke procedures.
Hoofdstuk VI. Controle en geweldgebruik
- Artikel
28: De directeur moet de identiteit van de gedetineerde
vaststellen bij binnenkomst, verlaten en bij bezoek, onder meer door het
opnemen van vingerafdrukken en foto’s.
- Artikel
29: De directeur mag de gedetineerde, zijn kleding en meegebrachte
voorwerpen onderzoeken (fouilleren), bijvoorbeeld bij
binnenkomst/vertrek of bezoek.
- Artikel
30: De directeur kan urineonderzoek verplichten om te controleren op gedragsbeïnvloedende
middelen (drugs).
- Artikel
31: De directeur kan een onderzoek in het lichaam bevelen als
dit absoluut nodig is ter afwending van ernstig gevaar voor de orde of
gezondheid. Dit moet door een arts of verpleegkundige gebeuren.
- Artikel
32: De directeur kan verplichten dat een bepaalde geneeskundige
handeling wordt verricht, als een arts dit volstrekt noodzakelijk acht
voor de gezondheid of veiligheid.
- Artikel
33: De directeur kan mechanische middelen (zoals handboeien)
toepassen tijdens afzondering (max. 24 uur, verlengbaar) als er ernstig
gevaar uitgaat van de gedetineerde.
- Artikel
34: De directeur mag de verblijfsruimte doorzoeken op verboden
voorwerpen.
- Artikel
35: De directeur of de Minister mag geweld gebruiken of vrijheidsbeperkende
middelen toepassen als dit noodzakelijk is voor het handhaven van de
orde, de uitvoering van een beslissing, of het voorkomen van onttrekking
aan toezicht.
Hoofdstuk VII. Contact met de buitenwereld
- Artikel
36: De gedetineerde heeft recht op postverkeer. De directeur
mag post controleren op bijgesloten voorwerpen en, behoudens
uitzonderingen, op inhoud. Post kan geweigerd worden omwille van
veiligheid, openbare orde of bescherming van slachtoffers.
- Artikel
37: Lijst met personen of instanties (zoals de rechtsbijstandverlener,
de Minister, de Raad) van wie de post niet op inhoud mag worden
gecontroleerd.
- Artikel
38: De gedetineerde heeft recht op bezoek (minstens één uur per
week). Bezoek kan geweigerd of beëindigd worden om veiligheidsredenen.
Toezicht op gesprekken is mogelijk, maar vertrouwelijk contact met de
rechtsbijstandverlener mag niet zodanig gecontroleerd worden dat de inhoud
bekend wordt bij derden.
- Artikel
39: De gedetineerde heeft recht op telefonisch contact
(minstens eenmaal per week, 10 minuten). Ook hier kan toezicht
plaatsvinden, en gesprekken kunnen geweigerd of beëindigd worden om
veiligheidsredenen.
- Artikel
40: Regelt de toegang van vertegenwoordigers van de media;
toestemming van de directeur is vereist en kan geweigerd worden.
- Artikel
40a: Gedetineerden in zwaar beveiligde afdelingen (IT of EBI) moeten maximaal
twee rechtsbijstandverleners aanwijzen. Het recht op vrije toegang en
communicatie geldt alleen voor deze aangewezen personen.
Hoofdstuk VIIA. Bevelen van Onze Minister
- Artikel
40d: De Minister kan een bevel opleggen aan gedetineerden in
IT/EBI-afdelingen dat leidt tot zware beperkingen van contact met de
buitenwereld (activiteiten, post, bezoek, telefoon, media). Dit is alleen
mogelijk als het in het belang is van de openbare orde of veiligheid
buiten de inrichting (bijvoorbeeld bij aanwijzingen van ernstig
intimiderende activiteiten of georganiseerde misdaad). Dit bevel is
schriftelijk en tijdelijk (max. 3 of 12 maanden) en mag de communicatie
met de rechtsbijstandverlener niet beperken.
- Artikel
40e: De Minister kan deze beperkingen op verzoek opheffen of wijzigen.
Hoofdstuk VIII. Verzorging, arbeid en andere activiteiten
- Artikel
41: Regelt het recht op godsdienst- of levensovertuiging,
inclusief de aanwezigheid van geestelijke verzorging in de inrichting.
- Artikel
42: Regelt het recht op medische verzorging door de aan de
inrichting verbonden arts.
- Artikel
43: Regelt het recht op sociale verzorging en hulpverlening,
geleverd door reclasseringswerkers en gedragsdeskundigen.
- Artikel
44: De directeur zorgt voor voeding, kleding en hygiëne.
- Artikel
45: Regelt het bezit van voorwerpen en de mogelijkheid om bezit
te verbieden als dat nodig is voor de orde of veiligheid.
- Artikel
46: Contant geld is meestal verboden in de inrichting; de
gedetineerde beschikt over een rekening-courant.
Paragraaf 1a. Bijzondere afdeling in verband met de
geestelijke gezondheidstoestand
- Artikel
46a: Definieert "Gevaar" in relatie tot psychische
stoornissen, psychogeriatrische aandoeningen of verstandelijke handicaps.
- Artikel
46b/c: Regelt het opstellen van een geneeskundig behandelingsplan
voor gedetineerden met psychische problemen. Behandeling vindt alleen
plaats met instemming van de gedetineerde.
- Artikel
46d/e: Regelt de mogelijkheid tot gedwongen geneeskundige
behandeling als uiterst redmiddel wanneer de psychische stoornis een
ernstig gevaar veroorzaakt dat anders niet kan worden afgewend. Dit
vereist strikte procedures en een tijdelijke schriftelijke beslissing van
de directeur, inclusief verklaringen van psychiaters.
- Artikel
47: De gedetineerde kan worden ingezet voor arbeid (werk),
tenzij de aard of duur van de detentie dit niet toelaat.
- Artikel
48: Regelt het recht op nieuws, onderwijs, sport en lichamelijke
oefening (minstens tweemaal drie kwartier per week).
- Artikel
49: De gedetineerde heeft recht op recreatie en dagelijks
verblijf in de buitenlucht (minstens een uur per dag).
Hoofdstuk IX. Disciplinaire straffen
- Artikel
50: Als een ambtenaar onverenigbare feiten constateert, meldt hij dit
aan de directeur die over de straf beslist.
- Artikel
51: De directeur kan diverse disciplinaire straffen opleggen,
zoals opsluiting in een strafcel (max. twee weken), ontzegging van bezoek
of een geldboete.
- Artikel
51a: Cameraobservatie is mogelijk in de strafcel ter bescherming van
de gezondheid van de gedetineerde.
- Artikel
53: Straffen kunnen voorwaardelijk worden opgelegd met een
proeftijd van maximaal drie maanden.
- Artikel
55: Een gedetineerde die in een strafcel zit, is uitgesloten van
activiteiten, behalve het dagelijks verblijf in de buitenlucht.
Hoofdstuk X. Informatie, hoor- en mededelingsplicht en
dossier
- Artikel
56: De directeur moet de gedetineerde bij binnenkomst informeren over
zijn rechten en plichten.
- Artikel
57: De directeur moet de gedetineerde horen (in de gelegenheid
stellen zijn standpunt kenbaar te maken) voordat hij beslist over
belangrijke zaken (zoals afzondering, disciplinaire straf of verplichte
medische handeling).
- Artikel
58: De directeur moet elke beslissing schriftelijk en met redenen
omkleed aan de gedetineerde meedelen.
- Artikel
59: Regelt de aanleg, inhoud en inzage van het dossier van de
gedetineerde.
Hoofdstuk Xa. Bemiddeling
- Artikel
59a: De gedetineerde kan de commissie van toezicht vragen om te bemiddelen
bij grieven tegen de directeur, met als doel een aanvaardbare oplossing te
bereiken.
Hoofdstuk XI. Beklag (Klachtenprocedure)
- Artikel
60/61: De gedetineerde kan een klaagschrift indienen bij de beklagcommissie
over een beslissing van de directeur. De deadline is doorgaans zeven
dagen.
- Artikel
62-67: Regelt de behandeling van het klaagschrift door de
beklagcommissie, inclusief het horen van de klager en de directeur. De
commissie doet binnen vier weken uitspraak.
- Artikel
68: Als het beklag gegrond wordt verklaard (omdat de beslissing
onwettig, onredelijk of onbillijk is), wordt de beslissing geheel of
gedeeltelijk vernietigd. De commissie kan de directeur opdragen een nieuwe
beslissing te nemen, of zelf een beslissing in de plaats stellen. Er kan
een tegemoetkoming (schadevergoeding) worden vastgesteld.
Hoofdstuk XIa. Beklag inzake vervoer
- Artikel
68a/68b: Regelt de specifieke klachtenprocedure voor beslissingen
genomen tijdens het vervoer van gedetineerden.
Hoofdstuk XII. Beroep tegen de uitspraak van de
beklagcommissie
- Artikel
69/71: Zowel de directeur als de klager kunnen beroep instellen
tegen de uitspraak van de beklagcommissie bij de beroepscommissie
van de Raad.
Hoofdstuk XIIa. Beroep inzake vervoer
- Artikel
71a: Regelt beroepsprocedures voor klachten over vervoer.
Hoofdstuk XIIb. Beroep tegen medisch handelen
- Artikel
71b/c/d/f: Gedetineerden kunnen beroep instellen tegen medisch
handelen van de inrichtingsarts. Dit begint met een verplicht
bemiddelingsverzoek aan de Medisch Adviseur. Het beroep wordt behandeld
door een commissie bestaande uit een jurist en twee artsen.
Hoofdstuk XIII. Beroep inzake plaatsing, overplaatsing en
verzoekschriften
- Artikel
72/73: Regelt het beroep tegen beslissingen van de Minister
over plaatsing, overplaatsing en afwijzing van verzoekschriften. Dit wordt
behandeld door een commissie van de Raad.
Hoofdstuk XIV. Overleg en vertegenwoordiging
- Artikel
74/75: De directeur zorgt voor regelmatig overleg met
gedetineerden. De rechten van de gedetineerde kunnen ook worden
uitgeoefend door hun wettelijke vertegenwoordiger (curator, mentor,
of ouders/voogd bij minderjarigen).
Hoofdstuk XV, XVI, XVIa, XVII. Bijzondere bepalingen,
Experimenten en Slotbepalingen
- Artikel
76/77: Bevat regels over de plaatsing van veroordeelden in
TBS-instellingen en over klinische observatie.
- Artikel
77a/b: Biedt de mogelijkheid om via een algemene maatregel van bestuur
tijdelijk van bepaalde artikelen af te wijken (max. twee jaar) om experimenten
met nieuwe regels mogelijk te maken, bijvoorbeeld op het gebied van
beveiliging, samenstelling van groepen of arbeid.
- Artikel
91/95: Trekt de oude Beginselenwet gevangeniswezen in en stelt vast
dat de wet wordt aangehaald als de Penitentiaire beginselenwet.
Gedeelte in verband met verstrenging
Het gedeelte van de Penitentiaire beginselenwet dat een verstrenging
(oftewel een beperking van de vrijheden) inhoudt, richt zich voornamelijk op de
criteria voor het plaatsen van gedetineerden in zwaar beveiligde regimes en de
mogelijkheid voor de Minister om verregaande beperkingen op te leggen als de
veiligheid van de buitenwereld in gevaar is.
Hier zijn de belangrijkste artikelen die betrekking hebben
op deze verstrenging:
Hoofdstuk III: Bestemming (Beveiligingsniveaus)
- Artikel
13 definieert de indeling van inrichtingen of afdelingen naar de mate
van beveiliging. Een van de zwaarste categorieën die de wet benoemt is de extra
beveiligde inrichting.
- Artikel
14 maakt het mogelijk dat inrichtingen of afdelingen worden aangewezen
voor gedetineerden die bijzondere opvang behoeven, onder meer
vanwege de intensiteit van het toezicht dat noodzakelijk is.
Hoofdstuk IV: Selectie en selectieprocedure
- Artikel
18, vijfde lid: Dit artikel introduceert een verstrenging voor het
indienen van verzoekschriften (bijvoorbeeld tot overplaatsing) voor
gedetineerden in een afdeling intensief toezicht of een extra beveiligde
inrichting. Zij moeten twaalf maanden wachten na een afwijzing,
terwijl voor anderen een termijn van zes maanden geldt.
Hoofdstuk VI: Controle en geweldgebruik
- Artikel
34a staat cameraobservatie (dag en nacht) toe voor gedetineerden die
in een individueel regime of in een extra beveiligde inrichting
verblijven. Dit is toegestaan als het noodzakelijk is in het belang van de
orde of veiligheid, of ter bescherming van de gedetineerde, of indien bij
ontvluchting grote maatschappelijke onrust zou ontstaan.
Hoofdstuk VII: Contact met de buitenwereld (EBI en IT)
Deze bepalingen leggen verregaande beperkingen op aan
contact met de buitenwereld voor de zwaarste categorieën gedetineerden
(afdeling voor intensief toezicht (IT) en extra beveiligde inrichting (EBI)):
- Artikel
40a: Een gedetineerde in een IT-afdeling of EBI mag maximaal twee
rechtsbijstandverleners aanwijzen die toegang hebben. Brieven en
stukken van andere rechtsbijstandverleners dan de aangewezenen worden niet
uitgereikt. Vrije toegang en het recht op ongestoord telefoongesprek met
de rechtsbijstandverlener is eveneens beperkt tot deze twee aangewezen
personen.
- Artikel
40b stelt zeer strikte regels voor gedetineerden in een EBI:
zij hebben recht op één uur per week bezoek en éénmaal per week
tien minuten één telefoongesprek. Ze mogen per bezoekmoment slechts
één meerderjarige bezoeker ontvangen (of één minderjarige bezoeker met één
meerderjarige).
- Artikel
40c stelt strikte regels voor gedetineerden in een IT-afdeling:
zij hebben recht op één uur per week bezoek en driemaal per week
tien minuten één telefoongesprek.
Hoofdstuk VIIA: Bevelen van Onze Minister (De zwaarste
beperkingen)
Dit hoofdstuk geeft de Minister bevoegdheid om nog
zwaardere beperkingen op te leggen dan die al gelden in een EBI of
IT-afdeling:
- Artikel
40d, eerste lid: De Minister kan een bevel geven aan
gedetineerden in een IT-afdeling of EBI indien dit noodzakelijk is in het
belang van de openbare orde of veiligheid buiten de inrichting. Dit
bevel kan worden gegeven:
- bij
aanwijzingen dat de gedetineerde zijn contacten gebruikt voor ernstig
intimiderende of levensbedreigende activiteiten in de buitenwereld;
- of
indien, gelet op de aard van het misdrijf of de persoonlijkheid, een
gevaar voor de openbare orde of veiligheid moet worden aangenomen
(bijvoorbeeld bij verdenking of veroordeling wegens deelname aan een
criminele organisatie als leider of bestuurder).
- Artikel
40d, derde lid: Het bevel kan de volgende vergaande beperkingen
inhouden:
- Beperking
of uitsluiting van deelname aan activiteiten;
- Beperking
of uitsluiting van het ontvangen en verzenden van brieven en
intensivering van toezicht daarop;
- Beperking
of uitsluiting van bezoek en intensivering van toezicht daarop;
- Beperking
of uitsluiting van telefoonverkeer en intensivering van toezicht
daarop;
- Beperking
van het recht op het kennisnemen van het nieuws.
Dit type bevel is tijdelijk (maximaal drie maanden als alle
contacten worden beperkt, of maximaal twaalf maanden in overige gevallen). Het
bevel mag echter de vrijheid van verkeer tussen de rechtsbijstandverlener en
de gedetineerde niet beperken.
De maatregelen, in het bijzonder de Ministeriële bevelen, laten zien dat de wet rekening houdt met gedetineerden die een ernstig gevaar vormen voor de samenleving en de inrichting, en dat hun rechten op contact en bewegingsvrijheid daarvoor zwaar beperkt kunnen worden.