woensdag 29 oktober 2025

Advies Raad van State over wetsvoorstel oprichting milieukamers

Bron 

De Raad van State, afdeling Wetgeving, heeft op 22 oktober 2025 advies uitgebracht (Advies Nr. 78.000/16) over het wetsvoorstel houdende de oprichting van milieurechtscolleges. Het onderzoek spitste zich toe op de bevoegdheid van de steller, de rechtsgrond (overeenstemming met hogere normen) en de vervulling van vormvereisten.

De voornaamste opmerkingen van de Raad van State zijn als volgt:

Algemene Opmerkingen

1. Omzetting van EU-richtlijn en vereiste verwijzing: Het wetsvoorstel lijkt een gedeeltelijke omzetting te beogen van richtlijn (EU) 2024/1203 van 11 april 2024 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht. De Raad merkt op dat:

  • Een expliciete verwijzing naar deze richtlijn in de tekst van het voorstel moet worden opgenomen, bij voorkeur door vooraan in het dispositief een nieuw artikel toe te voegen.
  • Artikel 18 van die richtlijn vereist dat alle rechters en aanklagers die betrokken zijn bij strafrechtelijke procedures op geregelde tijdstippen gespecialiseerde opleidingen ontvangen. Er moet over gewaakt worden dat de richtlijn ten aanzien van alle betrokkenen wordt omgezet.

2. Inconsistent en Ondubbelzinnig Begrippenkader: De voormelde begrippen in het voorstel worden niet steeds consistent en ondubbelzinnig gebruikt. Dit betreft onder meer de termen "milieurechtscolleges," "milieurechtbank," "rechter in de milieurechtbank," en de bestaande (maar op te heffen) "milieurechter".

  • Tijdens de parlementaire behandeling moeten de nodige aanpassingen worden gedaan om een consistent en ondubbelzinnig begrippenkader te garanderen.

3. Opleidingsvereisten en Bijzondere Mandaten: De Raad van State vraagt om opheldering over de invoering van de bijzondere mandaten van “rechter in de milieurechtbank” en “milieurechter in hoger beroep”.

  • Er is onduidelijkheid over de opleidingsvereisten: houders van de bijzondere mandaten moeten "een gespecialiseerde opleiding" volgen. Tegelijkertijd geldt voor alle rechters en raadsheren die in de nieuwe rechtscolleges zetelen (in het algemeen) de eis om "een diepgaande opleiding milieurecht" te volgen. Het is onduidelijk hoe deze twee opleidingen zich tot elkaar verhouden en of de titularissen van de bijzondere mandaten beide moeten volgen.
  • De toelichting bij het voorstel licht bovendien niet toe waarom onderzoeksrechters die milieuzaken behandelen en gespecialiseerde substituten-procureurs-generaal geen opleiding moeten volgen, in tegenstelling tot parketmagistraten bij de milieurechtbanken. Dit staat haaks op Richtlijn (EU) 2024/1203 (zie punt 1).

4. Strafrechtelijke Bevoegdheid (Burgerlijke vs. Strafrechtelijke Aspecten): Hoewel de indieners de bedoeling hebben milieurechtscolleges op te richten die zowel de burgerlijke als de strafrechtelijke aspecten van zaken kunnen behandelen (verwijzend naar het model in Bergen), merkt de Raad van State op dat:

  • Het voorstel de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering (Sv.) niet wijzigt en geen ondubbelzinnige strafrechtelijke bevoegdheid aan de milieurechtscolleges verleent.
  • Daardoor lijkt het erop dat het Sv. de bevoegde rechter ter zake blijft aanwijzen (politierechtbank, correctionele rechtbank), en niet de voorgestelde artikelen 565 en 572ter Ger.W..
  • De op te richten milieurechtscolleges zouden dan niet kennis kunnen nemen van milieumisdrijven, maar (slechts) van de overige vorderingen in die aangelegenheden.
  • Om het doel van de indieners met voldoende rechtszekerheid te bereiken, moeten bijkomende bepalingen worden ingevoegd of gewijzigd. Hierbij moet rekening worden gehouden met de inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek op 8 april 2026.

Onderzoek van de Tekst (Artikelsgewijs)

Artikel 9 (Bestuurlijke Inlichtingen):

  • De inleidende zin moet worden aangepast, aangezien het gaat om de invoeging van een nieuw artikel 138quater Ger.W., en niet om een aanvulling van artikel 138ter Ger.W..
  • De voorgestelde bepaling voor het openbaar ministerie om medewerking van ambtenaren te vorderen, verwijst slechts naar ambtenaren belast met toezicht op milieuwetgeving en ruimtelijke ordening. Indien de bedoeling ruimer is (bijvoorbeeld ook ambtenaren belast met toezicht op wetgeving inzake huisvesting, landbouw, energiebeleid of dierenwelzijn), moeten de bewoordingen van de bepaling worden aangepast tijdens de parlementaire behandeling.

Artikel 13 (Aanhangigheid en Samenhang):

  • De Raad herhaalt een eerdere opmerking met betrekking tot de regeling van de verwijzing bij voorrang in geval van aanhangigheid (Art. 565 Ger.W.). Er lijkt verwarring te bestaan tussen het samenbrengen van rechtsplegingen die bij meerdere rechtbanken aanhangig zijn gemaakt, en het vraagstuk van de taakverdeling binnen éénzelfde rechtbank (de rechtbank van eerste aanleg).
  • Er rijst de vraag of ook artikel 566, eerste lid, Ger.W., dat de samenhang regelt, moet worden aangepast in het licht van de oprichting van de milieurechtbank.

Artikel 14 (Bevoegdheidsafbakening):

  • De afbakening van de bevoegdheid van de milieurechtbank gebeurt via een verwijzing naar de materieel-rechtelijke begrippen omschreven in artikel 6, § 1, van de Bijzondere Wet Hervorming Instellingen (BWHI). De Raad adviseert om, met het oog op de rechtszekerheid, nog te verduidelijken dat de bevoegdheid van de milieurechtbank niet samenhangt met de bevoegdheid van de gewesten (aangezien de BWHI een bevoegdheidsverdeling tussen de Federale Staat en de gewesten beoogt).
  • De Raad stelt de logische consistentie in vraag dat vorderingen betreffende nieuwe nucleaire energiebronnen worden uitgesloten van de bevoegdheid van de milieurechtbank, terwijl vorderingen over de kernbrandstofcyclus en bescherming tegen ioniserende stralingen/radioactief afval wel tot de bevoegdheid behoren.
  • Artikel 572ter, 6°, Ger.W. moet worden aangepast omdat het verwijst naar schadevergoeding wegens overtreding van de "regelgeving vermeld in de voorgaande punten," terwijl die punten verwijzen naar bepalingen van de BWHI en niet naar milieurechtelijke regelgevingen.

Slotopmerking

  • Er moet een datumfout in de Nederlandse tekst van het voorstel worden gecorrigeerd: "10 juli 2014" moet "10 juli 2024" zijn.