De Raad van State, afdeling Wetgeving, heeft op 22 oktober
2025 advies uitgebracht (Advies Nr. 78.000/16) over het wetsvoorstel houdende
de oprichting van milieurechtscolleges. Het onderzoek spitste zich toe op de
bevoegdheid van de steller, de rechtsgrond (overeenstemming met hogere normen)
en de vervulling van vormvereisten.
De voornaamste opmerkingen van de Raad van State zijn als
volgt:
Algemene Opmerkingen
1. Omzetting van EU-richtlijn en vereiste verwijzing:
Het wetsvoorstel lijkt een gedeeltelijke omzetting te beogen van richtlijn
(EU) 2024/1203 van 11 april 2024 inzake de bescherming van het milieu door
middel van het strafrecht. De Raad merkt op dat:
- Een
expliciete verwijzing naar deze richtlijn in de tekst van het voorstel
moet worden opgenomen, bij voorkeur door vooraan in het dispositief een
nieuw artikel toe te voegen.
- Artikel 18 van die richtlijn vereist dat alle rechters en aanklagers die betrokken zijn bij strafrechtelijke procedures op geregelde tijdstippen gespecialiseerde opleidingen ontvangen. Er moet over gewaakt worden dat de richtlijn ten aanzien van alle betrokkenen wordt omgezet.
2. Inconsistent en Ondubbelzinnig Begrippenkader: De
voormelde begrippen in het voorstel worden niet steeds consistent en
ondubbelzinnig gebruikt. Dit betreft onder meer de termen
"milieurechtscolleges," "milieurechtbank," "rechter in
de milieurechtbank," en de bestaande (maar op te heffen)
"milieurechter".
- Tijdens
de parlementaire behandeling moeten de nodige aanpassingen worden gedaan
om een consistent en ondubbelzinnig begrippenkader te garanderen.
3. Opleidingsvereisten en Bijzondere Mandaten: De
Raad van State vraagt om opheldering over de invoering van de bijzondere
mandaten van “rechter in de milieurechtbank” en “milieurechter in hoger
beroep”.
- Er
is onduidelijkheid over de opleidingsvereisten: houders van de bijzondere
mandaten moeten "een gespecialiseerde opleiding" volgen.
Tegelijkertijd geldt voor alle rechters en raadsheren die in de nieuwe
rechtscolleges zetelen (in het algemeen) de eis om "een diepgaande
opleiding milieurecht" te volgen. Het is onduidelijk hoe deze twee
opleidingen zich tot elkaar verhouden en of de titularissen van de
bijzondere mandaten beide moeten volgen.
- De
toelichting bij het voorstel licht bovendien niet toe waarom
onderzoeksrechters die milieuzaken behandelen en gespecialiseerde
substituten-procureurs-generaal geen opleiding moeten volgen, in
tegenstelling tot parketmagistraten bij de milieurechtbanken. Dit staat
haaks op Richtlijn (EU) 2024/1203 (zie punt 1).
4. Strafrechtelijke Bevoegdheid (Burgerlijke vs.
Strafrechtelijke Aspecten): Hoewel de indieners de bedoeling hebben
milieurechtscolleges op te richten die zowel de burgerlijke als de
strafrechtelijke aspecten van zaken kunnen behandelen (verwijzend naar het
model in Bergen), merkt de Raad van State op dat:
- Het
voorstel de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering (Sv.) niet
wijzigt en geen ondubbelzinnige strafrechtelijke bevoegdheid
aan de milieurechtscolleges verleent.
- Daardoor
lijkt het erop dat het Sv. de bevoegde rechter ter zake blijft aanwijzen
(politierechtbank, correctionele rechtbank), en niet de voorgestelde
artikelen 565 en 572ter Ger.W..
- De
op te richten milieurechtscolleges zouden dan niet kennis kunnen nemen
van milieumisdrijven, maar (slechts) van de overige vorderingen in die
aangelegenheden.
- Om
het doel van de indieners met voldoende rechtszekerheid te bereiken,
moeten bijkomende bepalingen worden ingevoegd of gewijzigd. Hierbij
moet rekening worden gehouden met de inwerkingtreding van het nieuwe
Strafwetboek op 8 april 2026.
Onderzoek van de Tekst (Artikelsgewijs)
Artikel 9 (Bestuurlijke Inlichtingen):
- De
inleidende zin moet worden aangepast, aangezien het gaat om de invoeging
van een nieuw artikel 138quater Ger.W., en niet om een aanvulling van
artikel 138ter Ger.W..
- De
voorgestelde bepaling voor het openbaar ministerie om medewerking van
ambtenaren te vorderen, verwijst slechts naar ambtenaren belast met
toezicht op milieuwetgeving en ruimtelijke ordening. Indien de
bedoeling ruimer is (bijvoorbeeld ook ambtenaren belast met toezicht op
wetgeving inzake huisvesting, landbouw, energiebeleid of dierenwelzijn),
moeten de bewoordingen van de bepaling worden aangepast tijdens de
parlementaire behandeling.
Artikel 13 (Aanhangigheid en Samenhang):
- De
Raad herhaalt een eerdere opmerking met betrekking tot de regeling van de
verwijzing bij voorrang in geval van aanhangigheid (Art. 565 Ger.W.). Er
lijkt verwarring te bestaan tussen het samenbrengen van rechtsplegingen
die bij meerdere rechtbanken aanhangig zijn gemaakt, en het vraagstuk van
de taakverdeling binnen éénzelfde rechtbank (de rechtbank van
eerste aanleg).
- Er
rijst de vraag of ook artikel 566, eerste lid, Ger.W., dat de samenhang
regelt, moet worden aangepast in het licht van de oprichting van de
milieurechtbank.
Artikel 14 (Bevoegdheidsafbakening):
- De
afbakening van de bevoegdheid van de milieurechtbank gebeurt via een
verwijzing naar de materieel-rechtelijke begrippen omschreven in artikel
6, § 1, van de Bijzondere Wet Hervorming Instellingen (BWHI). De Raad
adviseert om, met het oog op de rechtszekerheid, nog te verduidelijken dat
de bevoegdheid van de milieurechtbank niet samenhangt met de
bevoegdheid van de gewesten (aangezien de BWHI een
bevoegdheidsverdeling tussen de Federale Staat en de gewesten beoogt).
- De
Raad stelt de logische consistentie in vraag dat vorderingen betreffende nieuwe
nucleaire energiebronnen worden uitgesloten van de bevoegdheid van de
milieurechtbank, terwijl vorderingen over de kernbrandstofcyclus en
bescherming tegen ioniserende stralingen/radioactief afval wel tot de
bevoegdheid behoren.
- Artikel
572ter, 6°, Ger.W. moet worden aangepast omdat het verwijst naar
schadevergoeding wegens overtreding van de "regelgeving vermeld in
de voorgaande punten," terwijl die punten verwijzen naar
bepalingen van de BWHI en niet naar milieurechtelijke regelgevingen.
Slotopmerking
- Er
moet een datumfout in de Nederlandse tekst van het voorstel worden
gecorrigeerd: "10 juli 2014" moet "10 juli 2024" zijn.