Dit is een overzicht van de zaak **Greenpeace Nordic en Anderen v. Noorwegen** (Aanvraag nr. 34068/21), waarin het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) op 28 oktober 2025 uitspraak deed.
Greenpeace Nordic en Anderen v. Noorwegen (Aanvraag
nr. 34068/21), waarin het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) op 28
oktober 2025 uitspraak deed.
De Feiten (De Achtergrond van de Zaak)
De zaak draait om de beslissing van de Noorse overheid in
2016 om tien vergunningen voor exploratie van aardoliegas toe te kennen op het
Noorse Continentale Plat (NCS), bekend als de 23e vergunningsronde.
De Aanvragers De klagers waren zes individuele Noorse
burgers en twee niet-gouvernementele milieuorganisaties (NGO's): Greenpeace
Nordic en Young Friends of the Earth (Natur og Ungdom).
- De individuele
aanvragers waren jonge mensen, van wie sommigen lid waren van de
inheemse SΓ‘mi-gemeenschap, die beweerden te lijden onder de ernstige
gevolgen van klimaatverandering, waaronder "klimaatangst" en
vrees voor de impact op hun traditionele levenswijze.
- De organisaties
traden op ter verdediging van de mensenrechten van hun leden en andere
getroffen personen tegen de dreigingen van klimaatverandering in
Noorwegen.
Het Noorse Proces voor Aardolieactiviteiten De Noorse
aardolieprocedure kent drie fasen: (i) het openen van een gebied voor
exploratie, (ii) het verlenen van exploratievergunningen, en (iii) het Plan
voor Ontwikkeling en Exploitatie (PDO), wat de uiteindelijke productiefase
is.
- De
fase van het openen van een gebied (strategische milieu-evaluatie,
of SEA) vereist een milieueffectrapportage.
- De
fase van de exploratievergunningen (de 23e ronde) vereist formeel
geen MER of openbare raadpleging.
- De
fase van het PDO vereist, in beginsel, een milieueffectrapportage
(EIA) door de licentiehouder, maar hiervan kan in bepaalde gevallen worden
afgezien.
De Binnenlandse Uitkomst De NGO's daagden de
beslissing van 2016 aan bij de Noorse rechtbanken, met als argument dat deze in
strijd was met onder meer Artikel 112 van de Grondwet (recht op een gezond
milieu) en de ECHM. Het Noorse Hooggerechtshof verwierp het beroep in december
2020. Het Hof oordeelde dat hoewel de klimaatkwesties onder de Grondwet vielen,
de beoordeling van de geΓ«xporteerde emissies (stroomafwaartse emissies, die 95%
van de BKG-emissies uitmaken) kon worden uitgesteld tot de latere PDO-fase.
Dit uitstel kon het eerdere gebrek aan beoordeling herstellen.
De Middelen (Klachten) bij het EHRM
De aanvragers klaagden dat de beslissing om de vergunningen
toe te kennen in strijd was met de positieve verplichtingen van Noorwegen onder
Artikel 8 (recht op privΓ©- en gezinsleven) en Artikel 2 (recht op
leven) van het Verdrag, omdat de staat had nagelaten hen effectief te
beschermen tegen de ernstige gevolgen van klimaatverandering.
Hun klachten richtten zich op het procedurele aspect:
- Gebrek
aan adequate beoordeling: De autoriteiten hadden nagelaten een MER uit
te voeren die de totale verwachte emissies, inclusief de geΓ«xporteerde
verbrandingsemissies (stroomafwaartse emissies), kwantificeerde en
beoordeelde tegenover internationale klimaatdoelstellingen (zoals de
1,5°C-doelstelling van Parijs).
- Uitstel
is Ineffectief: Het uitstellen van de beoordeling van de
klimaateffecten naar de PDO-fase was in strijd met het EU/EER-recht (de
SEA-richtlijn, Strategic Environmental Assessment) en internationaal
recht. Volgens de aanvragers kwam dit uitstel neer op "project-splitting"
en maakte het effectieve openbare deelname op een strategisch niveau
onmogelijk.
- Causaal
Verband: Het verlenen van exploratievergunningen was een noodzakelijke
voorwaarde voor toekomstige winning en emissies, en het latere inleveren
van de licenties (zoals gebeurd was in de 23e ronde) verbrak de causale
keten niet, omdat de exploratie het gebied openstelde voor toekomstige
ontdekkingen.
De Principes die het Hof Hanteert
Het Hof baseerde zijn beoordeling op de principes die zijn
uiteengezet in de baanbrekende uitspraak Verein KlimaSeniorinnen Schweiz en
Anderen v. Zwitserland.
1. Locus Standi en Slachtofferstatus
- Individuele
Aanvragers: Individuen moeten een drempel van "hoge
intensiteit van blootstelling" aan de nadelige gevolgen van
klimaatverandering aantonen, samen met een "dringende noodzaak tot
individuele bescherming". Deze drempel is bijzonder hoog.
- Organisaties
(Locus Standi): NGO's moeten aantonen dat zij wettelijk zijn
opgericht, een specifiek doel nastreven ter verdediging van de
mensenrechten van hun leden tegen klimaatdreigingen, en daadwerkelijk
gekwalificeerd en representatief zijn om namens hen op te treden. Het
is niet nodig dat de individuen namens wie zij optreden zelf de
slachtofferstatus drempel halen.
2. Procedurele Verplichtingen onder Artikel 8
- Effectieve
Bescherming: Artikel 8 garandeert het recht op effectieve bescherming
door de staat tegen ernstige nadelige gevolgen van klimaatverandering op
leven, gezondheid, welzijn en levenskwaliteit.
- De
Belangrijkste Waarborg: Een cruciale procedurele waarborg is dat een adequate,
tijdige en alomvattende milieueffectrapportage (MER), gebaseerd op de
best beschikbare wetenschap en te goeder trouw, moet worden uitgevoerd
voordat een potentieel gevaarlijke activiteit wordt toegestaan.
- Scope
van de MER: In het kader van aardolieprojecten moet een MER ten minste
de kwantificering van de verwachte BKG-emissies omvatten, inclusief
de verbrandingsemissies (zowel in binnen- als buitenland).
Bovendien moet de overheid beoordelen of de activiteit verenigbaar is met
de nationale en internationale klimaatverplichtingen.
- Brede
Marges en Klimaatgewicht: Staten hebben een ruime beoordelingsmarge
("wide margin of appreciation") bij het kiezen van de middelen
om klimaatdoelen te bereiken. Gezien de ernstige en onomkeerbare aard van
de risico's moet klimaatbescherming echter aanzienlijk gewicht in
de schaal leggen.
- Causaal
Verband: Het Hof bevestigde dat er een voldoende nauw verband
(sufficiently close link) bestaat tussen de exploratievergunning en de
ernstige nadelige gevolgen van klimaatverandering voor individuen.
Exploratie is een juridische en praktische voorwaarde voor de
uiteindelijke winning.
De Uitspraak van het Hof
1. Ontvankelijkheid (Legal Standing)
- Individuele
Aanvragers: Het Hof oordeelde dat de zes individuele aanvragers niet
voldeden aan de drempel voor slachtofferstatus. Hun klachten over
klimaatangst en de gevolgen op hun levenswijze (zelfs voor de SΓ‘mi-leden)
werden niet ondersteund door medische certificaten en gingen niet verder
dan de effecten die elke jonge Noorse burger ervaart die zich bewust is
van klimaatverandering. Hun klachten waren onverenigbaar ratione
personae.
- Organisaties:
De organisaties Greenpeace Nordic en Young Friends of the Earth voldeden wel
aan de vereisten voor locus standi (procesbevoegdheid) en konden de
belangen van getroffen individuen vertegenwoordigen. Hun klacht onder
Artikel 8 werd ontvankelijk verklaard.
2. Inhoudelijke Beoordeling (Artikel 8)
Het Hof oordeelde unaniem dat er geen schending van
Artikel 8 van het Verdrag was.
- De
Fout en het Herstel: Het Hof erkende dat de processen die leidden tot
de vergunningsbeslissing van 2016 niet volledig waren, aangezien de
beoordeling van significante klimaateffecten, zoals geΓ«xporteerde
emissies, was uitgesteld.
- Voldoende
Waarborgen in Latere Fase: Het Hof hechtte echter groot belang aan de structuur
van de Noorse wetgeving en de juridische ontwikkelingen in Noorwegen.
De tekortkomingen in de MER-besluitvorming konden worden hersteld in de
laatste procedurele fase: de PDO-fase.
- Juridische
Verplichtingen: Het Hof stelde vast dat:
- Noorwegen
de grondwettelijke plicht heeft om een PDO niet goed te keuren als
klimaat- en milieufactoren dit vereisen.
- De
Noorse overheid had officiΓ«le garanties gegeven dat de klimaateffecten
van aardolieproductie en verbrandingsemissies zouden worden beoordeeld
bij de overweging van nieuwe PDO's.
- Er
was geen indicatie dat een uitgestelde MER (naar de PDO-fase) op zichzelf
onvoldoende zou zijn om de garanties van Artikel 8 te waarborgen, mits
deze beoordeling alomvattend en tijdig is, en effectieve juridische
aanvechting mogelijk maakt.
- Conclusie:
Aangezien de PDO-fase een alomvattende beoordeling van de klimaateffecten
van de verwachte aardolieproductie (inclusief verbrandingsemissies) zal
inhouden, en aangezien geΓ―nformeerde openbare raadpleging zal plaatsvinden
voordat de beslissing wordt genomen, concludeerde het Hof dat er geen
schending van Artikel 8 was .
Overige Klachten Het Hof achtte het niet nodig om de
klachten onder Artikel 2 afzonderlijk te behandelen. De klachten onder Artikel
13 (effectief rechtsmiddel) en Artikel 14 (discriminatie) werden onontvankelijk
verklaard. De klachten van de individuele aanvragers waren onontvankelijk
wegens het ontbreken van slachtofferstatus, en de klachten over discriminatie
waren niet in essentie aan de nationale gerechten voorgelegd.