De Zaak: V.O.S. Selections, Inc. v. Trump
Dit arrest, gedateerd 29 augustus 2025, gaat over een beroep van de Amerikaanse regering tegen een beslissing van het Hof voor Internationale Handel (CIT). Het draait om de vraag of de President de bevoegdheid heeft om brede importtarieven op te leggen tijdens een nationale noodsituatie, gebruikmakend van de International Emergency Economic Powers Act (IEEPA).
1. De Partijen in de Zaak:
- Eisers-Appellees (Degenen die de tarieven aanvechten):
- Vijf kleine bedrijven: V.O.S. Selections, Inc., Plastic Services and Products, LLC (dba Genova Pipe), MicroKits, LLC, FishUSA Inc., en Terry Precision Cycling LLC.
- Twaalf Amerikaanse staten: Oregon, Arizona, Colorado, Connecticut, Delaware, Illinois, Maine, Minnesota, Nevada, New Mexico, New York en Vermont.
- Verweerders-Appellanten (De Amerikaanse regering die de tarieven heeft opgelegd):
- Donald J. Trump, in zijn hoedanigheid van President van de Verenigde Staten.
- Het Uitvoerende Bureau van de President, de Verenigde Staten.
- Verschillende overheidsfunctionarissen in hun officiële hoedanigheid, zoals de Commissaris van de Amerikaanse douane en grensbeveiliging en de Amerikaanse Handelsvertegenwoordiger.
- Het Amerikaanse Ministerie van Binnenlandse Veiligheid.
2. Aanleiding van de Zaak: Presidentiële Tarieven:
De zaak begon toen president Donald J. Trump, na het uitroepen van verschillende nationale noodsituaties, Executive Orders uitvaardigde om tarieven op te leggen op importgoederen. Deze tarieven werden ingevoerd zonder een vooraf vastgesteld einde. Het hof behandelde twee hoofdgroepen van tarieven:
- De "Trafficking Tariffs" (Handelstarieven):
- De President verklaarde een nationale noodsituatie aan de zuidgrens met Mexico op 20 januari 2025, wegens de aanwezigheid van bendes, terroristen, mensensmokkelaars en illegale verdovende middelen. Hij breidde deze noodsituatie uit met bedreigingen vanuit Canada en China, die onvoldoende actie ondernamen tegen de stroom van illegale opioïden.
- Als reactie hierop werden 25% ad valorem (douanewaarde) heffingen opgelegd op "alle artikelen die producten zijn van Canada" en "alle artikelen die producten zijn van Mexico". Op "alle artikelen die producten zijn van China" werd oorspronkelijk een heffing van 10% opgelegd, later verhoogd naar 20%.
- De President beriep zich hiervoor op artikel 1702(a)(1)(B) van de IEEPA.
- De "Reciprocal Tariffs" (Wederkerige Tarieven):
- Op 2 april 2025 legde de President 10% ad valorem basisheffingen op importen uit bijna elk land met een significante handelsrelatie met de VS, met aanvullende heffingen variërend van 11% tot 50% die "kort daarna" per land zouden worden opgelegd. Voor China liepen deze extra tarieven op tot 125%.
- Deze tarieven waren gericht op het aanpakken van een "ongewone en buitengewone bedreiging" voor de nationale veiligheid en economie, veroorzaakt door "onderliggende omstandigheden, waaronder een gebrek aan wederkerigheid in onze bilaterale handelsrelaties, uiteenlopende tarieven en niet-tarifaire belemmeringen, en het economische beleid van Amerikaanse handelspartners dat binnenlandse lonen en consumptie onderdrukt".
- Ook hiervoor beriep de President zich op de IEEPA.
3. De Uitspraak van het Hof voor Internationale Handel (CIT):
- De bedrijven en staten spanden een rechtszaak aan bij het CIT.
- Op 28 mei 2025 kende een driekoppig panel van het CIT de eisers gelijk toe. Het CIT oordeelde dat zowel de "Reciprocal Tariffs" als de "Trafficking Tariffs" de bevoegdheid van de President onder de IEEPA overschreden en verbood de regering permanent om deze tarieven op te leggen.
- De regering ging hiertegen in beroep bij het Hof van Beroep voor het Federale Circuit.
4. De Beslissing van het Hof van Beroep (Federal Circuit):
Het Hof van Beroep heeft de zaak beoordeeld en is tot de volgende conclusies gekomen:
A. Jurisdictie (Bevoegdheid van de Rechtbank):
- Het Hof van Beroep bevestigde dat het CIT de bevoegdheid had om de zaak te behandelen, en daarmee het Hof van Beroep zelf ook.
- Reden: De Executive Orders die de tarieven oplegden, waren bedoeld om het "Harmonized Tariff Schedule of the United States (HTSUS)" te wijzigen. Aangezien het HTSUS als een wet van de Verenigde Staten wordt beschouwd, en de zaak draait om "wetten van de Verenigde Staten die voorzien in... tarieven, heffingen, vergoedingen of andere belastingen op de import van goederen", had het CIT de exclusieve jurisdictie. Dit zorgt voor uniformiteit in de rechtspraak over tariefzaken.
B. Beoordeling van de Wettigheid van de Tarieven (Meerderheidsstandpunt):
De kernvraag was of de "Trafficking Tariffs" en "Reciprocal Tariffs" geautoriseerd waren door de IEEPA. De meerderheid van het Hof concludeerde van niet.
- Tekst van de IEEPA en het ontbreken van "Tarief":
- De IEEPA geeft de President weliswaar brede bevoegdheden in een noodsituatie, zoals "onderzoeken, blokkeren, reguleren, dirigeren en afdwingen, ongeldig maken, voorkomen of verbieden" van importen.
- Maar de wet vermeldt nergens expliciet de woorden "tarieven," "heffingen," "douanerechten," "belastingen" of vergelijkbare termen.
- Andere wetten van het Congres die de President wel de bevoegdheid geven om tarieven op te leggen, gebruiken deze termen altijd expliciet en voorzien tevens in duidelijke procedurele en inhoudelijke beperkingen. Het ontbreken hiervan in de IEEPA is veelzeggend.
- "Reguleren van Importatie" is niet hetzelfde als Tarieven Opleggen:
- De regering stelde dat "reguleren van importatie" de bevoegdheid om tarieven op te leggen omvatte.
- Het Hof benadrukte dat de Grondwet de bevoegdheid om "belastingen, heffingen, imposts en accijnzen" op te leggen en de bevoegdheid om "handel met buitenlandse naties te reguleren" apart aan het Congres toekent. De bevoegdheid om te belasten is niet altijd een incident van de bevoegdheid om te reguleren.
- Andere voorbeelden van regulerende bevoegdheden die aan de uitvoerende macht zijn gedelegeerd (bijvoorbeeld aan de SEC of FCC) omvatten geen belastingbevoegdheid.
- De andere werkwoorden in de IEEPA, zoals "onderzoeken, blokkeren, dirigeren, ongeldig maken, voorkomen of verbieden", impliceren geen monetaire acties of tarieven.
- De "Major Questions Doctrine":
- Deze doctrine houdt in dat voor zaken van "enorme economische en politieke betekenis" het Congres "duidelijke congresbevoegdheid" moet geven.
- Het Hof achtte de tarieven van de President "ongekend" en "transformatief".
- Sinds de invoering van IEEPA bijna 50 jaar geleden, heeft geen enkele president deze wet gebruikt om brede tarieven op importen op te leggen. Presidenten gebruikten IEEPA meestal om financiële transacties te beperken, tegoeden te bevriezen of gerichte sancties op te leggen.
- De tarieven hebben een geschatte economische impact van 2,3 tot 3,3 biljoen dollar en vormen 14% van de Amerikaanse economie. Dit is vele malen groter dan eerdere programma's die als "major questions" werden aangemerkt.
- Omdat tarieven een kernbevoegdheid van het Congres zijn (de "macht van de beurs"), vereist het opleggen van zulke grootschalige tarieven duidelijke delegatie van het Congres. Die duidelijke bevoegdheid ontbreekt in de IEEPA.
- Het Precedent Yoshida II:
- De regering beriep zich op Yoshida II (1975), een beslissing over de voorloper van de IEEPA, de Trading with the Enemy Act (TWEA). In die zaak werd een tijdelijke, beperkte importtoeslag van 10% door President Nixon goedgekeurd om een betalingsbalanscrisis aan te pakken.
- Het Hof van Beroep erkende Yoshida II, maar merkte op dat die zaak ging over beperkte en tijdelijke tarieven, die niet de "onbegrensde bevoegdheid om tarief tarieven op te leggen die de President wenselijk acht" impliceerden.
- De huidige "Trafficking Tariffs" en "Reciprocal Tariffs" zijn echter onbegrensd in omvang, bedrag en duur en gelden voor bijna alle importartikelen uit bijna alle landen, met steeds veranderende hoge tarieven die de door het HTSUS vastgestelde tarieven overschrijden. Dit gaat veel verder dan de beperkte autorisatie in Yoshida II.
C. Het Beroep en Terugverwijzing:
- Het Hof van Beroep bekrachtigde de beslissing van het CIT dat de tarieven onwettig waren en nietig als "strijdig met de wet".
- Het permanent verbod (injunction) van het CIT om de tarieven toe te passen, werd echter ingetrokken.
- De zaak werd terugverwezen naar het CIT om opnieuw te beoordelen of een verbod gepast is en wat de juiste reikwijdte ervan is, gezien recente jurisprudentie van het Hooggerechtshof (Trump v. CASA, Inc.) over de beperkingen van universele verboden.
5. Aanvullende Standpunten van Rechters (Separated Opinions):
- Aanvullende visie van Rechter Cunningham (met LOURIE, REYNA, en STARK):
- Rechter Cunningham stemde in met de meerderheid, maar wilde verder gaan. Haar visie is dat de IEEPA de President helemaal geen bevoegdheid geeft om tarieven op te leggen, ongeacht de omvang.
- Zij stelde dat de gewone betekenis van "reguleren" (vaststellen, controleren, dirigeren) geen inkomsten genereren door middel van belastingen omvat.
- Een brede interpretatie van "reguleren" zou vereisen dat het woord verschillende betekenissen krijgt in dezelfde wettelijke bepaling, wat het Hooggerechtshof heeft afgewezen.
- Het zou ook de andere, specifiek genoemde bevoegdheden in IEEPA (zoals "voorkomen of verbieden") overbodig maken, wat indruist tegen het principe dat elk woord in een wet betekenis moet hebben.
- Bovendien zou de interpretatie van de regering neerkomen op een ongrondwettelijke delegatie van de belastingbevoegdheid van het Congres, zonder voldoende "begrijpelijke principes" of "grenzen".
- Afwijkende mening van Rechter Taranto (met MOORE, PROST, en CHEN):
- Rechter Taranto was het niet eens met de conclusie dat de tarieven onwettig waren en zou de beslissing van het CIT hebben vernietigd.
- "Reguleren van Importatie" omvat Tarieven: Hij stelde dat "reguleren van importatie" wel degelijk het opleggen van tarieven omvat. Dit wordt ondersteund door historische jurisprudentie (Gibbons v. Ogden, Algonquin SNG, Inc.) die erkent dat belastingen vaak een vorm van regulering zijn en door de brede betekenis van "reguleren" in noodsituaties.
- Yoshida II Ratificatie: Hij betoogde dat het Congres, bij het opstellen van de IEEPA, dezelfde taal gebruikte als in de TWEA die in Yoshida II werd geïnterpreteerd als inclusief tariefbevoegdheid. Dit duidt op een bevestiging van die interpretatie.
- Geen Extra Beperkingen: Er zijn geen tekstuele beperkingen in de IEEPA die de tarieven in tijd, bedrag of reikwijdte begrenzen, zoals de meerderheid suggereert. De Presidentiële bevoegdheden in noodsituaties moeten breed zijn.
- Geen Verdringing door Andere Wetten: De "Reciprocal Tariffs" werden niet verdrongen door Sectie 122 van de Trade Act van 1974. Die wet ging over "fundamentele internationale betalingsproblemen", wat niet hetzelfde is als de fabricage- en nationale veiligheidsproblemen die de President aanvoerde voor de "Reciprocal Tariffs". Sectie 122 is bovendien bedoeld voor niet-noodsituaties, en het is onwaarschijnlijk dat het noodbevoegdheden zou uitsluiten.
- "Major Questions Doctrine" niet van toepassing: Deze doctrine is niet van toepassing in het kader van buitenlandse zaken en nationale veiligheid, waar de President traditioneel over aanzienlijke bevoegdheid en flexibiliteit beschikt. De IEEPA is een expliciete en brede delegatie van noodbevoegdheden.
- Constitutionele Delegatie: De IEEPA-standaarden (ongewone en buitengewone dreiging, buitenlandse bron, noodsituatieverklaring, uitsluitend om de dreiging aan te pakken) vormen een "begrijpelijk principe" en zijn voldoende om een grondwettelijke delegatie te zijn, vooral gezien de grote speelruimte die het Congres heeft in buitenlandse zaken.
Samenvattend:
De meerderheid van het Hof van Beroep voor het Federale Circuit oordeelde dat de President zijn bevoegdheid onder de IEEPA had overschreden door de brede "Trafficking Tariffs" en "Reciprocal Tariffs" op te leggen. Dit kwam voornamelijk doordat de IEEPA niet expliciet melding maakt van tariefbevoegdheid, de aard van de tarieven veel verder ging dan eerdere, beperkte interpretaties van noodbevoegdheden, en de "Major Questions Doctrine" vereist dat voor dergelijke ingrijpende maatregelen een duidelijke congresbevoegdheid bestaat. Het verbod op de tarieven door het lagere hof werd echter terugverwezen voor heroverweging van de reikwijdte. Er was echter een aanzienlijke afwijkende mening die stelde dat de IEEPA wel degelijk tarieven toestaat en constitutioneel is, gezien de brede bevoegdheden van de President in zaken van nationale veiligheid en buitenlandse handel in noodsituaties.