dinsdag 8 juli 2025

Arresten Hof van Cassatie - invoerdatum 8 juli 2025

ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250623.3F.1

https://juportal.be/content/ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250623.3F.1

ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250623.3F.3

https://juportal.be/content/ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250623.3F.3

ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250623.3F.4

https://juportal.be/content/ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250623.3F.4

ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250619.1F.6

https://juportal.be/content/ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250619.1F.6

ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250619.1F.2

https://juportal.be/content/ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250619.1F.2

ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250619.1F.7

https://juportal.be/content/ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250619.1F.7

ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250612.1F.5

https://juportal.be/content/ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250612.1F.5

ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250612.1F.2

https://juportal.be/content/ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250612.1F.2



  • ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250623.3F.1: Dit arrest benadrukt het algemene principe van de niet-retroactiviteit van wetten. Het Hof van Cassatie oordeelde dat een nieuwe wet die voorwaarden stelt voor de cumulatie van onderbrekingsuitkeringen met een complementaire zelfstandige activiteit, niet met terugwerkende kracht van toepassing is op een periode vóór de inwerkingtreding ervan. Het toepassen van een later gewijzigde wet op een eerdere periode schendt dit principe.

  • ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250623.3F.3: In deze zaak ging het over buitencontractuele aansprakelijkheid en materiële schade. Het Hof van Cassatie stelde dat een integrale vergoeding voor schade inhoudt dat het slachtoffer in de toestand wordt hersteld alsof de schadeveroorzakende handeling niet was gepleegd. De noodzaak tot verhoogde inspanningen is een manifestatie van de vermindering van economische waarde op de arbeidsmarkt bij blijvende arbeidsongeschiktheid. Het afzonderlijk vergoeden van "verhoogde inspanningen" en "vermindering van economische waarde" is onjuist, aangezien deze deel uitmaken van dezelfde economische schade.

  • ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250623.3F.4: Dit arrest behandelt de gunning van overheidsopdrachten. Het Hof van Cassatie bevestigde dat een onregelmatig terzijde geschoven inschrijver die het laagste regelmatige bod heeft ingediend, recht heeft op de forfaitaire schadevergoeding van 10% zoals bepaald in artikel 24 van de wet van 15 juni 2006. De procedure zelf was onwettig, maar dit ontneemt de benadeelde inschrijver niet het recht op de forfaitaire vergoeding. De lagere rechter kon niet eisen dat de klagende partij moest bewijzen dat zij de opdracht zeker had gekregen indien de procedure wettig was geweest.

  • ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250619.1F.6: Dit arrest betreft disciplinaire maatregelen binnen de rechterlijke macht. Het Hof van Cassatie oordeelde dat een tijdelijke schorsing van ambtsuitoefening gerechtvaardigd kan zijn als de feiten ernstig zijn en het algemeen belang van de dienstverlening vereisen dat de betrokkene zijn functie niet voortzet, ondanks het vermoeden van onschuld. Dit is essentieel voor het behoud van het vertrouwen van de rechtzoekenden en het goede functioneren van de dienst, vooral bij leidinggevende functies.

  • ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250619.1F.2: Dit complexere arrest gaat over verdeling van bezittingen, specifiek na een echtscheiding en de vereffening van een vennootschap. De kern van de zaak draaide om de waardering van vennootschapsaandelen, de afwikkeling van hypothecaire leningen en de berekening van intresten. Het Hof van Cassatie bevestigde dat de lagere rechter, in afwachting van een beslissing over de ontbinding van een vennootschap, het recht had om de beslissing over bepaalde betwistingen op te schorten. Het Hof bekrachtigde ook de benadering om rente te laten lopen vanaf een eerdere datum (de echtscheidingsaanvraag) wanneer een partij de activa van de gemeenschap voortijdig heeft verhandeld.

  • ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250619.1F.7: Dit arrest behandelt de toelaatbaarheid van onrechtmatig verkregen bewijs in fiscale zaken. Het Hof van Cassatie stelde dat de fiscale administratie onrechtmatig verkregen bewijs mag gebruiken, tenzij de naleving van formele voorwaarden op straffe van nietigheid is voorgeschreven, de onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast, of het gebruik van het bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces. Het beginsel van wettigheid in fiscale aangelegenheden (artikel 170 van de Grondwet) is niet van toepassing op regels voor de toelaatbaarheid van bewijs.

  • ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250612.1F.5: Dit arrest verduidelijkt de regels voor betekeningen en kennisgevingen aan mede-eigenaarsverenigingen. Het Hof van Cassatie oordeelde dat wanneer een betekening niet persoonlijk kan gebeuren, deze door de gerechtsdeurwaarder kan worden neergelegd op de zetel van de vereniging. Een gewone brief aan de syndicus, die de vereniging vertegenwoordigt, is dan voldoende om de vereniging in te lichten; een aangetekende brief aan de zetel van de vereniging is niet vereist door de wet.

  • ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250612.1F.2: Deze zaak ging over schadevergoeding bij huurovereenkomsten. Het Hof van Cassatie bepaalde dat een huurder, bij de ontbinding van de huurovereenkomst wegens niet-naleving van elementaire veiligheids-, gezondheids- en uitrustingseisen, enkel recht heeft op schadevergoeding indien er sprake is van een nadeel dat niet door de ontbinding zelf wordt hersteld. Het Hof merkte ook op dat de lagere rechter had verzuimd te antwoorden op het argument van rechtsmisbruik met betrekking tot een opzeggingsvergoeding en opzegtermijn.


Uitgebreide samenvatting

1. ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250623.3F.1 (Zaak: OFFICE NATIONAL DE L'EMPLOI tegen H.)

  • Opgeworpen middel: De eiser (Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening) voerde aan dat het arbeidsgerecht van Luik het algemeen rechtsbeginsel van de niet-retroactiviteit van wetten had geschonden. Het gerecht had een nieuwe wet toegepast op een periode die voorafging aan de inwerkingtreding ervan, bij de beoordeling van de cumulatie van onderbrekingsuitkeringen met een bijkomende zelfstandige activiteit.
  • Toegepaste principes:
    • Algemeen rechtsbeginsel van de niet-retroactiviteit van wetten (artikel 1.2 Burgerlijk Wetboek): Een wet geldt alleen voor de toekomst en heeft in beginsel geen terugwerkende kracht. Een nieuwe wet is, behoudens andersluidende bepaling, enkel van toepassing op situaties die ontstaan zijn na haar inwerkingtreding en op de toekomstige gevolgen van situaties die onder het regime van de oude wet zijn ontstaan en die zich voordoen of voortduren onder het regime van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten.
  • Beslissing van het Hof: Het Hof heeft het middel gegrond verklaard. Het oordeelde dat het lagere gerecht het beginsel van niet-retroactiviteit van wetten en artikel 1.2 van het Burgerlijk Wetboek heeft miskend door een nieuwe wet toe te passen op een eerdere periode.
    • Het Hof vernietigde de bestreden uitspraak in zoverre deze het hoofdberoep van de eiser ongegrond verklaarde.
    • De zaak werd verwezen naar het arbeidshof van Bergen.

2. ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250623.3F.3 (Zaak: AXA BELGIUM s.a. tegen C.)

  • Opgeworpen middel: De eiser (AXA BELGIUM s.a.) betwistte de wijze waarop de lagere rechter (rechtbank van eerste aanleg van Luxemburg) de materiële schade als gevolg van een permanente arbeidsongeschiktheid had begroot. Het middel impliceerde dat de afzonderlijke vergoeding van "verhoogde inspanningen" (efforts accrus) en "vermindering van economisch potentieel" (vermindering van de economische waarde op de arbeidsmarkt) een inbreuk vormde op het beginsel van integrale schadevergoeding.
  • Toegepaste principes:
    • Integraal herstel van schade: Degene die door zijn schuld een schade aan een ander toebrengt, is gehouden deze volledig te herstellen, wat inhoudt dat het slachtoffer moet worden teruggeplaatst in de toestand waarin het zich zou hebben bevonden indien de schadeveroorzakende handeling niet was gepleegd.
    • Definitie van materiële schade bij blijvende arbeidsongeschiktheid: Deze schade bestaat uit een vermindering van de economische waarde van het slachtoffer op de arbeidsmarkt, waarvan de noodzaak om verhoogde inspanningen te leveren een uitingsvorm is.
  • Beslissing van het Hof: Het Hof heeft het middel gegrond verklaard. Het oordeelde dat het bestreden vonnis artikel 1382 van het oude Burgerlijk Wetboek schond door "verhoogde inspanningen" afzonderlijk te vergoeden van de "vermindering van economisch potentieel", aangezien verhoogde inspanningen een manifestatie zijn van de vermindering van economische waarde, en geen afzonderlijk schadepost.
    • Het Hof vernietigde de bestreden uitspraak in zoverre zij uitspraak deed over de materiële schade die de verweerder leed als gevolg van haar blijvende arbeidsongeschiktheid en over de kosten.
    • De zaak werd verwezen naar de rechtbank van eerste aanleg van Luik.

3. ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250623.3F.4 (Zaak: RECO s.a. tegen COMMUNE DE BEAUVECHAIN)

  • Opgeworpen middel (eerste onderdeel): De eiser (RECO s.a.) betwistte het oordeel van het hof van beroep van Brussel dat de eiser geen recht had op de forfaitaire vergoeding, omdat de aanbestedingsprocedure zelf illegaal was vanaf de publicatie van de aankondiging van de opdracht, waardoor de eiser de opdracht niet had kunnen verkrijgen. De eiser betoogde dat het feit dat de aanbestedingsprocedure onwettig was door toedoen van de aanbestedende overheid, niet betekent dat de onterecht uitgesloten laagste reguliere inschrijver geen aanspraak kan maken op de forfaitaire schadevergoeding.
  • Toegepaste principes:
    • Artikel 24, eerste lid, van de wet van 15 juni 2006 betreffende de overheidsopdrachten: Wanneer de aanbestedende overheid besluit de opdracht bij aanbesteding te gunnen, moet deze worden gegund aan de inschrijver die de laagste reguliere offerte heeft ingediend, onder sanctie van een forfaitaire vergoeding van tien procent van het bedrag van die offerte (excl. btw).
    • Forfaitair karakter van de vergoeding: De tien procent vergoeding waarop de onterecht uitgesloten laagste reguliere inschrijver aanspraak kan maken, heeft een forfaitair karakter.
    • Gevolg van een onrechtmatige aanbestedingsprocedure: Het feit dat de aanbestedingsprocedure van de aanbestedende overheid door haar schuld onwettig was, leidt er niet toe dat de terzijde geschoven inschrijver die bewijst de laagste reguliere offerte te hebben ingediend, geen aanspraak kan maken op de forfaitaire vergoeding.
  • Beslissing van het Hof: Het Hof heeft het eerste onderdeel van het middel gegrond verklaard. Het oordeelde dat het lagere gerecht artikel 24 van de wet van 15 juni 2006 schond door te vereisen dat de eiser zou bewijzen dat, zonder de fout, de opdracht zeker aan hem zou zijn gegund, ondanks de vastgestelde illegaliteit van de procedure zelf.
    • Het Hof vernietigde de bestreden uitspraak, behalve in zoverre deze het beroep ontvankelijk verklaarde.
    • De zaak werd verwezen naar het hof van beroep van Luik.

4. ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250619.1F.6 (Zaak: F. tegen PROCUREUR GENERAL COUR D'APPEL DE BXL)

  • Opgeworpen middelen: De eiseres (M. F.) voerde één middel aan met twee onderdelen, gericht tegen een disciplinaire schorsing.
    • Eerste onderdeel: Betwistte de voorwaarden voor een tijdelijke orde-maatregel van schorsing, stellend dat de feiten (verkeersongevallen, vluchtmisdrijf, rijden onder invloed) niet ernstig genoeg waren en dat de goede werking van de dienst niet voldoende in gevaar kwam om de schorsing te rechtvaardigen, gezien het vermoeden van onschuld.
    • Tweede onderdeel: Bekritiseerde de beoordeling van de motivatie van het schorsingsbesluit, stellend dat de gevolgen van de schorsing onvoldoende waren meegewogen.
  • Toegepaste principes:
    • Artikel 406, § 1, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek: Biedt de mogelijkheid om een persoon, wanneer deze strafrechtelijk of tuchtrechtelijk wordt vervolgd, als orde-maatregel tijdens de duur van de vervolgingen en tot de eindbeslissing van zijn functie te schorsen, indien het dienstbelang dit vereist.
    • Voorwaarden voor schorsing: Een dergelijke maatregel, die botst met het vermoeden van onschuld, kan enkel worden uitgesproken indien de feiten van het straf- of tuchtrechtelijk onderzoek ernstig zijn en de goede werking van de dienst zich verzet tegen het voortzetten van de functie door de betrokkene. De maatregel moet ook worden beoordeeld in functie van het vertrouwen dat de justitiabele mag hebben in degene die de rechterlijke functie uitoefent en die boven alle verdenking moet staan.
    • Adequate motivering van administratieve besluiten: Administratieve overheden moeten hun besluiten formeel motiveren, met vermelding van de rechts- en feitelijke gronden. Een adequate motivering is er een die het besluit redelijkerwijs onderbouwt.
  • Beslissing van het Hof:
    • Ontvankelijkheid van het beroep tegen de Procureur-Generaal: Het Hof verklaarde het beroep onontvankelijk tegen de Procureur-Generaal, omdat deze enkel een advies had gegeven en geen partij was.
    • Eerste onderdeel van het middel: Het Hof verklaarde het ongegrond. Het bevestigde dat de lagere rechter de schorsing adequaat had gemotiveerd door de ernst van de beweerde feiten (vluchtmisdrijf, rijden onder invloed) en hun impact op het publieke vertrouwen en de autoriteit van de eiser als korpschef in overweging te nemen.
    • Tweede onderdeel van het middel: Het Hof verklaarde het onontvankelijk. Het stelde dat het middel enkel kritiek uitte op de feitelijke beoordeling door de lagere rechter van de motivering van het schorsingsbesluit, wat geen cassatiegrond is.
    • Het Hof heeft het beroep afgewezen.

5. ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250619.1F.2 (Zaak: A. tegen D.)

  • Opgeworpen middelen (vijf middelen): Dit is een complexe zaak over de verdeling van bezittingen na een echtscheiding, met betrekking tot een coöperatieve vennootschap (EHJJA) en hypotheekterugbetalingen.
    • Eerste middel: Betwistte de beslissing van de lagere rechter om een uitspraak over de vordering van de eiser tot terugbetaling van een rekening-courant schuld en hypotheekaflossingen aan te houden, in afwachting van een beslissing van een andere rechter over de ontbinding van de EHJJA vennootschap.
    • Tweede middel: Betrof de waardering van de maatschappelijke aandelen van de EHJJA coöperatieve vennootschap. De eiser voerde aan dat de betwisting door de verweerster niet als een loutere aanpassing van de liquidatiestaat mocht worden beschouwd.
    • Derde middel: Betwistte de ingangsdatum voor de moratoire intresten (15 januari 1996) met betrekking tot de schuld van de maatschappelijke aandelen. De eiser argumenteerde dat interesten pas zouden mogen lopen vanaf de homologatie van de liquidatiestaat en dat het hof het recht van verdediging schond. Ook werd een tegenstrijdigheid in het arrest aangevoerd m.b.t. het bezit van aandelen en de rekening-courant schuld.
    • Vierde middel: Pleitte voor de herwaardering van de vorderingen van de eiser (betalingen voor werken, onroerende voorheffingen, brandverzekeringspremies) op basis van de theorie van de verrijking zonder oorzaak.
    • Vijfde middel: Betwistte de interpretatie door de lagere rechter van de conclusies van de eiser met betrekking tot de vordering tot samengestelde intrest (anatocisme).
  • Toegepaste principes:
    • Verplichting tot uitspraak over elke eis: Een rechter is niet verplicht om te antwoorden op conclusies wanneer hij zijn beslissing over het onderliggende geschil aanhoudt.
    • Omvang van betwistingen bij vereffening: Enkel betwistingen geformuleerd in of voortvloeiend uit het proces-verbaal van de notaris worden aan de rechter voorgelegd. Enkel betwistingen met betrekking tot de aanpassing van de staat kunnen worden opgeworpen, behoudens ontdekking van nieuwe en doorslaggevende stukken of feiten.
    • Intresten op schulden bij vereffening: Indien een rechter afwijkt van een waardering op de datum van verdeling wegens het gedrag van een partij (bv. beschikking over activa), kan de schuld eerder opeisbaar worden geacht en zo intresten genereren.
    • Verrijking zonder oorzaak: Indien een echtgenoot kosten van een onroerend goed betaalt of een hypotheek aflost tijdens de onverdeeldheid met eigen middelen, kan hij geen vergoeding eisen, maar wel een vordering instellen op basis van artikel 577-2, § 3, van het oude Burgerlijk Wetboek (dat betrekking heeft op deelname in rechten en lasten in verhouding tot het aandeel, niet op verrijking zonder oorzaak).
    • Anatocisme (samengestelde intrest): Vereist een gerechtelijke aanmaning of speciale overeenkomst.
  • Beslissing van het Hof:
    • Eerste middel: Ongegrond. Het Hof oordeelde dat de lagere rechter terecht zijn beslissing aanhield in afwachting van de uitkomst van de gerelateerde zaak betreffende de ontbinding van de vennootschap.
    • Tweede middel: Het tweede onderdeel werd ongegrond verklaard en het eerste onderdeel onontvankelijk. Het Hof oordeelde dat de betwisting van de verweerster inderdaad een aanpassing was aan een eerder niet-aangevochten arrest en dat het deskundigenrapport niet werd geschonden.
    • Derde middel: Het eerste rameau van het tweede onderdeel werd ongegrond verklaard en het tweede rameau van het tweede onderdeel miste feitelijke grondslag. Het Hof handhaafde de beslissing van de notaris over de startdatum van de intresten op basis van het gedrag van de eiser en vond geen tegenstrijdigheid. Het eerste onderdeel werd eveneens geacht feitelijke grondslag te missen wegens een onvolledige lezing van het arrest. Het derde onderdeel werd onontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang (bekritiseren van overbodige overwegingen).
    • Vierde middel: Onontvankelijk. Het Hof stelde dat het middel de bevinding van de lagere rechter dat de vordering niet gebaseerd was op verrijking zonder oorzaak, maar op artikel 577-2, § 3 van het oude Burgerlijk Wetboek, niet betwistte.
    • Vijfde middel: Miste feitelijke grondslag. Het Hof oordeelde dat de lagere rechter de conclusies van de eiser over samengestelde intrest niet verkeerd had geïnterpreteerd, aangezien de eiser de specifieke berekening die door de notarissen was afgewezen, niet had gehandhaafd.
    • Het Hof heeft het beroep afgewezen.

6. ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250619.1F.7 (Zaak: D. tegen ETAT BELGE FINANCES)

  • Opgeworpen middel (twee onderdelen): De eisers betwistten de toelaatbaarheid van onrechtmatig verkregen bewijs in fiscale zaken.
    • Eerste onderdeel: Argumenteerde dat de toelaatbaarheid van onrechtmatig verkregen bewijs in fiscale zaken moet worden beheerst door artikel 32 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering (de zogeheten Antigone-criteria) en dat regels betreffende dergelijk bewijs bij wet moeten worden vastgesteld wegens het legaliteitsbeginsel in fiscale zaken en het eigendomsrecht. Het middel impliceerde ook discriminatie in de behandeling van dergelijk bewijs.
    • Tweede onderdeel: Betoogde dat bewijs verkregen door een onderzoeksrechter die zijn mandaat overschrijdt (niet op straffe van nietigheid voorgeschreven), ambtshalve moet worden uitgesloten door de fiscale rechter, en wees op discriminatie.
  • Toegepaste principes:
    • Onafhankelijkheid van fiscaal geschil van strafvervolging: Een fiscaal geschil staat los van de uitkomst van een strafprocedure.
    • Legaliteitsbeginsel in fiscale zaken (artikel 170, § 1, Grondwet): De essentiële elementen van een belasting (belastingplichtige, belastbare materie, grondslag, tarief, vrijstellingen) moeten bij wet worden bepaald met precieze, ondubbelzinnige en duidelijke bewoordingen. Regels betreffende de toelaatbaarheid van onrechtmatig verkregen bewijs worden niet als essentiële elementen van de belasting beschouwd.
    • Recht op eigendom (artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM, artikel 16 Grondwet): Een inmenging van de Staat in het genot van het eigendomsrecht (zoals belastingheffing) moet voorzien zijn door een rechtsnorm die voldoende toegankelijk, precies en voorspelbaar is in haar toepassing. Dit betekent niet dat regels over onrechtmatig verkregen bewijs formele wetten moeten zijn, noch dat een proportionaliteitscontrole (belangenafweging tussen algemeen en individueel belang) aan voorspelbaarheid ontbreekt.
    • Toelaatbaarheid van onrechtmatig verkregen bewijs in fiscale zaken: Het fiscaal recht bevat geen algemene bepaling die het gebruik door de belastingadministratie van onrechtmatig verkregen bewijs verbiedt. Dergelijk bewijs kan enkel worden uitgesloten indien de betrokken formele voorwaarden op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven, indien de begane onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast, of indien het gebruik van het bewijs strijdig is met het recht op een eerlijk proces. De rechter houdt bij zijn beoordeling onder meer rekening met het louter formele karakter van de onregelmatigheid, de impact ervan op het door de geschonden norm beschermde recht of de vrijheid, het al dan niet opzettelijke karakter van de door de overheid begane onwettigheid en de omstandigheid dat de ernst van het misdrijf de door het bewijs nagestreefde doelen ver overstijgt.
    • Bewijskracht van belastingaangiften (artikel 314bis WIB 1992): Belastingaangiften hebben bewijskracht. De administratie kan alle bewijsmiddelen gebruiken die door het gemeen recht zijn toegelaten (artikel 340 WIB 1992). Deze bepalingen bepalen niet het lot van onregelmatig verkregen bewijs.
    • Mandaat van de onderzoeksrechter (artikelen 61 en 56, § 1, zesde lid, Wetboek van Strafvordering): Het verbod voor de onderzoeksrechter om andere feiten te onderzoeken dan die waarvan hij in kennis is gesteld, is niet op straffe van nietigheid voorgeschreven. Daarom kan bewijs verkregen door een dergelijke overschrijding van het mandaat niet ambtshalve door de fiscale rechter worden uitgesloten.
  • Beslissing van het Hof:
    • Eerste onderdeel van het middel: Het Hof oordeelde dat het feitelijke grondslag miste (wat betreft de Antigone-criteria) en juridische grondslag miste (wat betreft essentiële elementen van belasting en eigendomsrechten). De voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof werd onnodig geacht omdat geen specifieke wet die grondwetsartikelen zou schenden, werd geïdentificeerd.
    • Tweede onderdeel van het middel: Het Hof oordeelde dat het juridische grondslag miste (wat betreft ambtshalve uitsluiting) en feitelijke grondslag miste (wat betreft de Antigone-criteria). Het werd ook onprecies en dus onontvankelijk bevonden met betrekking tot het discriminatie-argument, aangezien geen vergelijkbare situatie die zou leiden tot automatische uitsluiting werd gespecificeerd. De voorgestelde prejudiciële vraag werd onnodig geacht.
    • Het Hof heeft het beroep afgewezen.

7. ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250612.1F.5 (Zaak: Association copropriétaires LES CEDRES tegen A.)

  • Opgeworpen middel: De eiser (Association des copropriétaires) betwistte de geldigheid van een betekening, stellend dat wanneer een gerechtsdeurwaarder een akte betekende door deze op de zetel van de vereniging van mede-eigenaars neer te leggen en de syndicus per gewone brief hiervan in kennis stelde, de vereniging zelf ook per aangetekende brief op haar zetel moest worden geïnformeerd.
  • Toegepaste principes:
    • Artikelen 35 en 38, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek: Regelen de betekening. Artikel 35 specificeert persoonlijke betekening of betekening aan het domicilie/verblijf. Artikel 38, § 1, beschrijft betekening door neerlegging en de vereiste voor de gerechtsdeurwaarder om een brief (uiterlijk de eerste werkdag na de betekening) naar het domicilie/verblijf van de geadresseerde te sturen, met vermelding van datum/uur van aanbieding en de mogelijkheid om een kopie af te halen.
    • Artikel 3.89, § 4 en § 5, van het Burgerlijk Wetboek (voor mede-eigendom): Artikel 3.89, § 4, bepaalt dat indien betekening niet conform artikel 35 Gerechtelijk Wetboek kan geschieden, dit conform artikel 38 van dat wetboek geschiedt, en de brief van artikel 38, § 1, derde lid, aan het domicilie van de syndicus moet worden gericht. Artikel 3.89, § 5, bepaalt dat, behoudens andersluidende bepalingen, aangetekende briefwisseling, op straffe van nietigheid, gericht moet zijn aan het domicilie/verblijf of de maatschappelijke zetel van de syndicus en aan de zetel van de vereniging van mede-eigenaars.
    • Geen vereiste voor aangetekende brief aan de vereniging: Het Hof stelt expliciet dat noch deze bepalingen, noch enige andere, vereisen dat indien de gerechtsdeurwaarder de akte betekende door neerlegging op de zetel van de vereniging van mede-eigenaars en de syndicus per gewone brief informeerde, de vereniging ook per aangetekende brief op haar zetel moest worden geïnformeerd.
  • Beslissing van het Hof: Het Hof heeft het middel juridische grondslag ontzegd. Het oordeelde dat de wet de eis van een aangetekende brief aan de vereniging zelf in dit specifieke scenario niet oplegt.
    • Het Hof heeft het beroep afgewezen.

8. ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250612.1F.2 (Zaak: Z. tegen A.)

  • Opgeworpen middelen (drie middelen): De eiseres (S. Z.) voerde drie middelen aan in een zaak over een huurovereenkomst en vorderingen tot schadevergoeding en opzeggingsvergoedingen.
    • Eerste middel: Pleitte voor schadevergoeding, zelfs als de huurder niet kiest voor de uitvoering van werken, wanneer het gehuurde goed niet voldoet aan de elementaire veiligheids-, gezondheids- en uitrustingsvereisten.
    • Tweede middel:
      • Eerste onderdeel: Betwistte de motivering van de lagere rechter voor het ontkennen van de verantwoordelijkheid van de verhuurder voor de aanwezigheid van knaagdieren, stellend dat het gerecht niet adequaat op alle argumenten was ingegaan.
      • Tweede onderdeel: Voerde schending aan van meerdere wetsbepalingen met verschillende inhoud zonder specifieke motivering voor elk.
    • Derde middel: Betoogde dat de vordering van de verhuurder tot een opzeggings- en vooropzeggingsvergoeding een rechtsmisbruik vormde, en dat de lagere rechter dit argument niet had behandeld.
  • Toegepaste principes:
    • Schadevergoeding (artikel 1149 oud Burgerlijk Wetboek): De schadevergoeding die aan de schuldeiser verschuldigd is, bestaat uit het geleden verlies en de gederfde winst.
    • Vereisten huurwoning (artikel 219 Brussels Wooncode): De gehuurde woning moet voldoen aan de elementaire veiligheids-, gezondheids- en uitrustingsvereisten. Indien niet, en de huurder is niet aansprakelijk, kan de huurder kiezen tussen het eisen van noodzakelijke werken of de ontbinding van het contract met schadevergoeding. Bij ontbinding van de huurovereenkomst door de schuld van de verhuurder, kan de rechter in de eventuele schadevergoeding aan de huurder de kosten van herhuisvesting (zoals verhuiskosten) opnemen.
    • Schadevergoeding bij non-conformiteit: Indien de huurder niet kiest voor de uitvoering van de werken, heeft hij enkel recht op schadevergoeding indien hij een nadeel lijdt dat niet door de ontbinding zelf wordt hersteld.
    • Verhuurdersaansprakelijkheid voor ongedierte: Niet automatisch verantwoordelijk voor ongedierte zoals muizen; hangt af van de oorzaak (schuld van huurder of verhuurder).
    • Rechtsmisbruik: Een algemeen rechtsbeginsel dat inhoudt dat men zijn recht niet mag uitoefenen op een wijze die kennelijk de grenzen overschrijdt van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en redelijk persoon.
  • Beslissing van het Hof:
    • Eerste middel: Juridische grondslag ontzegd. Het Hof oordeelde dat schadevergoeding voor non-conformiteit alleen verschuldigd is indien de ontbinding alleen het nadeel niet volledig herstelt, en indien de huurder kiest voor ontbinding boven het eisen van werken.
    • Tweede middel:
      • Eerste onderdeel: Ongegrond. Het Hof oordeelde dat de lagere rechter adequaat had geantwoord op het argument betreffende knaagdieren door uit te leggen waarom de schuld van de verhuurder niet was vastgesteld.
      • Tweede onderdeel: Onprecies en dus onontvankelijk, omdat het meerdere wetsbepalingen met verschillende inhoud aanvoerde zonder te specificeren hoe elk werd geschonden.
    • Derde middel: Gegrond. Het Hof oordeelde dat het lagere gerecht niet had geantwoord op de conclusies van de eiseres die betoogden dat de vordering van de verhuurder tot een opzeggings- en vooropzeggingsvergoeding een rechtsmisbruik vormde.
    • Het Hof vernietigde de bestreden uitspraak in zoverre deze uitspraak deed over de opzeggings- en vooropzeggingsvergoeding en over de kosten.
    • Het beroep werd voor het overige afgewezen.