|
ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250623.3F.1 |
https://juportal.be/content/ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250623.3F.1 |
|
ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250623.3F.3 |
https://juportal.be/content/ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250623.3F.3 |
|
ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250623.3F.4 |
https://juportal.be/content/ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250623.3F.4 |
|
ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250619.1F.6 |
https://juportal.be/content/ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250619.1F.6 |
|
ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250619.1F.2 |
https://juportal.be/content/ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250619.1F.2 |
|
ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250619.1F.7 |
https://juportal.be/content/ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250619.1F.7 |
|
ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250612.1F.5 |
https://juportal.be/content/ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250612.1F.5 |
|
ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250612.1F.2 |
https://juportal.be/content/ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250612.1F.2 |
-
ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250623.3F.1: Dit arrest benadrukt het algemene principe van de niet-retroactiviteit van wetten. Het Hof van Cassatie oordeelde dat een nieuwe wet die voorwaarden stelt voor de cumulatie van onderbrekingsuitkeringen met een complementaire zelfstandige activiteit, niet met terugwerkende kracht van toepassing is op een periode vóór de inwerkingtreding ervan. Het toepassen van een later gewijzigde wet op een eerdere periode schendt dit principe.
-
ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250623.3F.3: In deze zaak ging het over buitencontractuele aansprakelijkheid en materiële schade. Het Hof van Cassatie stelde dat een integrale vergoeding voor schade inhoudt dat het slachtoffer in de toestand wordt hersteld alsof de schadeveroorzakende handeling niet was gepleegd. De noodzaak tot verhoogde inspanningen is een manifestatie van de vermindering van economische waarde op de arbeidsmarkt bij blijvende arbeidsongeschiktheid. Het afzonderlijk vergoeden van "verhoogde inspanningen" en "vermindering van economische waarde" is onjuist, aangezien deze deel uitmaken van dezelfde economische schade.
-
ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250623.3F.4: Dit arrest behandelt de gunning van overheidsopdrachten. Het Hof van Cassatie bevestigde dat een onregelmatig terzijde geschoven inschrijver die het laagste regelmatige bod heeft ingediend, recht heeft op de forfaitaire schadevergoeding van 10% zoals bepaald in artikel 24 van de wet van 15 juni 2006. De procedure zelf was onwettig, maar dit ontneemt de benadeelde inschrijver niet het recht op de forfaitaire vergoeding. De lagere rechter kon niet eisen dat de klagende partij moest bewijzen dat zij de opdracht zeker had gekregen indien de procedure wettig was geweest.
-
ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250619.1F.6: Dit arrest betreft disciplinaire maatregelen binnen de rechterlijke macht. Het Hof van Cassatie oordeelde dat een tijdelijke schorsing van ambtsuitoefening gerechtvaardigd kan zijn als de feiten ernstig zijn en het algemeen belang van de dienstverlening vereisen dat de betrokkene zijn functie niet voortzet, ondanks het vermoeden van onschuld. Dit is essentieel voor het behoud van het vertrouwen van de rechtzoekenden en het goede functioneren van de dienst, vooral bij leidinggevende functies.
-
ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250619.1F.2: Dit complexere arrest gaat over verdeling van bezittingen, specifiek na een echtscheiding en de vereffening van een vennootschap. De kern van de zaak draaide om de waardering van vennootschapsaandelen, de afwikkeling van hypothecaire leningen en de berekening van intresten. Het Hof van Cassatie bevestigde dat de lagere rechter, in afwachting van een beslissing over de ontbinding van een vennootschap, het recht had om de beslissing over bepaalde betwistingen op te schorten. Het Hof bekrachtigde ook de benadering om rente te laten lopen vanaf een eerdere datum (de echtscheidingsaanvraag) wanneer een partij de activa van de gemeenschap voortijdig heeft verhandeld.
-
ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250619.1F.7: Dit arrest behandelt de toelaatbaarheid van onrechtmatig verkregen bewijs in fiscale zaken. Het Hof van Cassatie stelde dat de fiscale administratie onrechtmatig verkregen bewijs mag gebruiken, tenzij de naleving van formele voorwaarden op straffe van nietigheid is voorgeschreven, de onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast, of het gebruik van het bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces. Het beginsel van wettigheid in fiscale aangelegenheden (artikel 170 van de Grondwet) is niet van toepassing op regels voor de toelaatbaarheid van bewijs.
-
ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250612.1F.5: Dit arrest verduidelijkt de regels voor betekeningen en kennisgevingen aan mede-eigenaarsverenigingen. Het Hof van Cassatie oordeelde dat wanneer een betekening niet persoonlijk kan gebeuren, deze door de gerechtsdeurwaarder kan worden neergelegd op de zetel van de vereniging. Een gewone brief aan de syndicus, die de vereniging vertegenwoordigt, is dan voldoende om de vereniging in te lichten; een aangetekende brief aan de zetel van de vereniging is niet vereist door de wet.
-
ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250612.1F.2: Deze zaak ging over schadevergoeding bij huurovereenkomsten. Het Hof van Cassatie bepaalde dat een huurder, bij de ontbinding van de huurovereenkomst wegens niet-naleving van elementaire veiligheids-, gezondheids- en uitrustingseisen, enkel recht heeft op schadevergoeding indien er sprake is van een nadeel dat niet door de ontbinding zelf wordt hersteld. Het Hof merkte ook op dat de lagere rechter had verzuimd te antwoorden op het argument van rechtsmisbruik met betrekking tot een opzeggingsvergoeding en opzegtermijn.
1.
ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250623.3F.1 (Zaak: OFFICE NATIONAL DE L'EMPLOI tegen
H.)
- Opgeworpen
middel: De eiser (Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening) voerde aan dat
het arbeidsgerecht van Luik het algemeen rechtsbeginsel van de niet-retroactiviteit
van wetten had geschonden. Het gerecht had een nieuwe wet toegepast op
een periode die voorafging aan de inwerkingtreding ervan, bij de
beoordeling van de cumulatie van onderbrekingsuitkeringen met een
bijkomende zelfstandige activiteit.
- Toegepaste
principes:
- Algemeen
rechtsbeginsel van de niet-retroactiviteit van wetten (artikel 1.2
Burgerlijk Wetboek): Een wet geldt alleen voor de toekomst en heeft
in beginsel geen terugwerkende kracht. Een nieuwe wet is, behoudens
andersluidende bepaling, enkel van toepassing op situaties die ontstaan
zijn na haar inwerkingtreding en op de toekomstige gevolgen van situaties
die onder het regime van de oude wet zijn ontstaan en die zich voordoen
of voortduren onder het regime van de nieuwe wet, voor zover die
toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde
rechten.
- Beslissing
van het Hof: Het Hof heeft het middel gegrond verklaard. Het
oordeelde dat het lagere gerecht het beginsel van niet-retroactiviteit van
wetten en artikel 1.2 van het Burgerlijk Wetboek heeft miskend door een
nieuwe wet toe te passen op een eerdere periode.
- Het
Hof vernietigde de bestreden uitspraak in zoverre deze het
hoofdberoep van de eiser ongegrond verklaarde.
- De
zaak werd verwezen naar het arbeidshof van Bergen.
2. ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250623.3F.3 (Zaak: AXA BELGIUM
s.a. tegen C.)
- Opgeworpen
middel: De eiser (AXA BELGIUM s.a.) betwistte de wijze waarop de
lagere rechter (rechtbank van eerste aanleg van Luxemburg) de materiële
schade als gevolg van een permanente arbeidsongeschiktheid had
begroot. Het middel impliceerde dat de afzonderlijke vergoeding van
"verhoogde inspanningen" (efforts accrus) en "vermindering
van economisch potentieel" (vermindering van de economische waarde op
de arbeidsmarkt) een inbreuk vormde op het beginsel van integrale
schadevergoeding.
- Toegepaste
principes:
- Integraal
herstel van schade: Degene die door zijn schuld een schade aan een
ander toebrengt, is gehouden deze volledig te herstellen, wat inhoudt dat
het slachtoffer moet worden teruggeplaatst in de toestand waarin het zich
zou hebben bevonden indien de schadeveroorzakende handeling niet was
gepleegd.
- Definitie
van materiële schade bij blijvende arbeidsongeschiktheid: Deze schade
bestaat uit een vermindering van de economische waarde van het
slachtoffer op de arbeidsmarkt, waarvan de noodzaak om verhoogde
inspanningen te leveren een uitingsvorm is.
- Beslissing
van het Hof: Het Hof heeft het middel gegrond verklaard. Het
oordeelde dat het bestreden vonnis artikel 1382 van het oude Burgerlijk
Wetboek schond door "verhoogde inspanningen" afzonderlijk te
vergoeden van de "vermindering van economisch potentieel",
aangezien verhoogde inspanningen een manifestatie zijn van de vermindering
van economische waarde, en geen afzonderlijk schadepost.
- Het
Hof vernietigde de bestreden uitspraak in zoverre zij uitspraak
deed over de materiële schade die de verweerder leed als gevolg van haar
blijvende arbeidsongeschiktheid en over de kosten.
- De
zaak werd verwezen naar de rechtbank van eerste aanleg van Luik.
3.
ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250623.3F.4 (Zaak: RECO s.a. tegen COMMUNE DE
BEAUVECHAIN)
- Opgeworpen
middel (eerste onderdeel): De eiser (RECO s.a.) betwistte het oordeel
van het hof van beroep van Brussel dat de eiser geen recht had op de
forfaitaire vergoeding, omdat de aanbestedingsprocedure zelf illegaal
was vanaf de publicatie van de aankondiging van de opdracht, waardoor de
eiser de opdracht niet had kunnen verkrijgen. De eiser betoogde dat het
feit dat de aanbestedingsprocedure onwettig was door toedoen van de
aanbestedende overheid, niet betekent dat de onterecht uitgesloten laagste
reguliere inschrijver geen aanspraak kan maken op de forfaitaire
schadevergoeding.
- Toegepaste
principes:
- Artikel
24, eerste lid, van de wet van 15 juni 2006 betreffende de
overheidsopdrachten: Wanneer de aanbestedende overheid besluit de
opdracht bij aanbesteding te gunnen, moet deze worden gegund aan de
inschrijver die de laagste reguliere offerte heeft ingediend,
onder sanctie van een forfaitaire vergoeding van tien procent van
het bedrag van die offerte (excl. btw).
- Forfaitair
karakter van de vergoeding: De tien procent vergoeding waarop de
onterecht uitgesloten laagste reguliere inschrijver aanspraak kan maken,
heeft een forfaitair karakter.
- Gevolg
van een onrechtmatige aanbestedingsprocedure: Het feit dat de
aanbestedingsprocedure van de aanbestedende overheid door haar schuld
onwettig was, leidt er niet toe dat de terzijde geschoven inschrijver die
bewijst de laagste reguliere offerte te hebben ingediend, geen aanspraak
kan maken op de forfaitaire vergoeding.
- Beslissing
van het Hof: Het Hof heeft het eerste onderdeel van het middel gegrond
verklaard. Het oordeelde dat het lagere gerecht artikel 24 van de wet van
15 juni 2006 schond door te vereisen dat de eiser zou bewijzen dat, zonder
de fout, de opdracht zeker aan hem zou zijn gegund, ondanks de
vastgestelde illegaliteit van de procedure zelf.
- Het
Hof vernietigde de bestreden uitspraak, behalve in zoverre deze
het beroep ontvankelijk verklaarde.
- De
zaak werd verwezen naar het hof van beroep van Luik.
4.
ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250619.1F.6 (Zaak: F. tegen PROCUREUR GENERAL COUR
D'APPEL DE BXL)
- Opgeworpen
middelen: De eiseres (M. F.) voerde één middel aan met twee
onderdelen, gericht tegen een disciplinaire schorsing.
- Eerste
onderdeel: Betwistte de voorwaarden voor een tijdelijke
orde-maatregel van schorsing, stellend dat de feiten (verkeersongevallen,
vluchtmisdrijf, rijden onder invloed) niet ernstig genoeg waren en dat de
goede werking van de dienst niet voldoende in gevaar kwam om de schorsing
te rechtvaardigen, gezien het vermoeden van onschuld.
- Tweede
onderdeel: Bekritiseerde de beoordeling van de motivatie van het
schorsingsbesluit, stellend dat de gevolgen van de schorsing onvoldoende
waren meegewogen.
- Toegepaste
principes:
- Artikel
406, § 1, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek: Biedt de
mogelijkheid om een persoon, wanneer deze strafrechtelijk of
tuchtrechtelijk wordt vervolgd, als orde-maatregel tijdens de duur van de
vervolgingen en tot de eindbeslissing van zijn functie te schorsen,
indien het dienstbelang dit vereist.
- Voorwaarden
voor schorsing: Een dergelijke maatregel, die botst met het vermoeden
van onschuld, kan enkel worden uitgesproken indien de feiten van het
straf- of tuchtrechtelijk onderzoek ernstig zijn en de goede werking van
de dienst zich verzet tegen het voortzetten van de functie door de
betrokkene. De maatregel moet ook worden beoordeeld in functie van het vertrouwen
dat de justitiabele mag hebben in degene die de rechterlijke functie
uitoefent en die boven alle verdenking moet staan.
- Adequate
motivering van administratieve besluiten: Administratieve overheden
moeten hun besluiten formeel motiveren, met vermelding van de rechts- en
feitelijke gronden. Een adequate motivering is er een die het besluit
redelijkerwijs onderbouwt.
- Beslissing
van het Hof:
- Ontvankelijkheid
van het beroep tegen de Procureur-Generaal: Het Hof verklaarde het
beroep onontvankelijk tegen de Procureur-Generaal, omdat deze
enkel een advies had gegeven en geen partij was.
- Eerste
onderdeel van het middel: Het Hof verklaarde het ongegrond.
Het bevestigde dat de lagere rechter de schorsing adequaat had
gemotiveerd door de ernst van de beweerde feiten (vluchtmisdrijf, rijden
onder invloed) en hun impact op het publieke vertrouwen en de autoriteit
van de eiser als korpschef in overweging te nemen.
- Tweede
onderdeel van het middel: Het Hof verklaarde het onontvankelijk.
Het stelde dat het middel enkel kritiek uitte op de feitelijke
beoordeling door de lagere rechter van de motivering van het
schorsingsbesluit, wat geen cassatiegrond is.
- Het
Hof heeft het beroep afgewezen.
5. ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250619.1F.2 (Zaak: A. tegen
D.)
- Opgeworpen
middelen (vijf middelen): Dit is een complexe zaak over de verdeling
van bezittingen na een echtscheiding, met betrekking tot een coöperatieve
vennootschap (EHJJA) en hypotheekterugbetalingen.
- Eerste
middel: Betwistte de beslissing van de lagere rechter om een
uitspraak over de vordering van de eiser tot terugbetaling van een
rekening-courant schuld en hypotheekaflossingen aan te houden, in
afwachting van een beslissing van een andere rechter over de ontbinding
van de EHJJA vennootschap.
- Tweede
middel: Betrof de waardering van de maatschappelijke aandelen van de
EHJJA coöperatieve vennootschap. De eiser voerde aan dat de betwisting
door de verweerster niet als een loutere aanpassing van de
liquidatiestaat mocht worden beschouwd.
- Derde
middel: Betwistte de ingangsdatum voor de moratoire intresten
(15 januari 1996) met betrekking tot de schuld van de maatschappelijke
aandelen. De eiser argumenteerde dat interesten pas zouden mogen lopen
vanaf de homologatie van de liquidatiestaat en dat het hof het recht
van verdediging schond. Ook werd een tegenstrijdigheid in het
arrest aangevoerd m.b.t. het bezit van aandelen en de rekening-courant
schuld.
- Vierde
middel: Pleitte voor de herwaardering van de vorderingen van de eiser
(betalingen voor werken, onroerende voorheffingen,
brandverzekeringspremies) op basis van de theorie van de verrijking
zonder oorzaak.
- Vijfde
middel: Betwistte de interpretatie door de lagere rechter van de
conclusies van de eiser met betrekking tot de vordering tot samengestelde
intrest (anatocisme).
- Toegepaste
principes:
- Verplichting
tot uitspraak over elke eis: Een rechter is niet verplicht om te
antwoorden op conclusies wanneer hij zijn beslissing over het
onderliggende geschil aanhoudt.
- Omvang
van betwistingen bij vereffening: Enkel betwistingen geformuleerd in
of voortvloeiend uit het proces-verbaal van de notaris worden aan de
rechter voorgelegd. Enkel betwistingen met betrekking tot de aanpassing
van de staat kunnen worden opgeworpen, behoudens ontdekking van nieuwe en
doorslaggevende stukken of feiten.
- Intresten
op schulden bij vereffening: Indien een rechter afwijkt van een
waardering op de datum van verdeling wegens het gedrag van een partij
(bv. beschikking over activa), kan de schuld eerder opeisbaar worden
geacht en zo intresten genereren.
- Verrijking
zonder oorzaak: Indien een echtgenoot kosten van een onroerend goed
betaalt of een hypotheek aflost tijdens de onverdeeldheid met eigen
middelen, kan hij geen vergoeding eisen, maar wel een vordering instellen
op basis van artikel 577-2, § 3, van het oude Burgerlijk Wetboek (dat
betrekking heeft op deelname in rechten en lasten in verhouding tot het
aandeel, niet op verrijking zonder oorzaak).
- Anatocisme
(samengestelde intrest): Vereist een gerechtelijke aanmaning of
speciale overeenkomst.
- Beslissing
van het Hof:
- Eerste
middel: Ongegrond. Het Hof oordeelde dat de lagere rechter
terecht zijn beslissing aanhield in afwachting van de uitkomst van de
gerelateerde zaak betreffende de ontbinding van de vennootschap.
- Tweede
middel: Het tweede onderdeel werd ongegrond verklaard en het
eerste onderdeel onontvankelijk. Het Hof oordeelde dat de
betwisting van de verweerster inderdaad een aanpassing was aan een eerder
niet-aangevochten arrest en dat het deskundigenrapport niet werd
geschonden.
- Derde
middel: Het eerste rameau van het tweede onderdeel werd ongegrond
verklaard en het tweede rameau van het tweede onderdeel miste
feitelijke grondslag. Het Hof handhaafde de beslissing van de notaris
over de startdatum van de intresten op basis van het gedrag van de eiser
en vond geen tegenstrijdigheid. Het eerste onderdeel werd eveneens geacht
feitelijke grondslag te missen wegens een onvolledige lezing van
het arrest. Het derde onderdeel werd onontvankelijk verklaard
wegens gebrek aan belang (bekritiseren van overbodige overwegingen).
- Vierde
middel: Onontvankelijk. Het Hof stelde dat het middel de
bevinding van de lagere rechter dat de vordering niet gebaseerd
was op verrijking zonder oorzaak, maar op artikel 577-2, § 3 van het oude
Burgerlijk Wetboek, niet betwistte.
- Vijfde
middel: Miste feitelijke grondslag. Het Hof oordeelde dat de
lagere rechter de conclusies van de eiser over samengestelde intrest niet
verkeerd had geïnterpreteerd, aangezien de eiser de specifieke berekening
die door de notarissen was afgewezen, niet had gehandhaafd.
- Het
Hof heeft het beroep afgewezen.
6.
ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250619.1F.7 (Zaak: D. tegen ETAT BELGE FINANCES)
- Opgeworpen
middel (twee onderdelen): De eisers betwistten de toelaatbaarheid
van onrechtmatig verkregen bewijs in fiscale zaken.
- Eerste
onderdeel: Argumenteerde dat de toelaatbaarheid van onrechtmatig
verkregen bewijs in fiscale zaken moet worden beheerst door artikel 32
van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering (de
zogeheten Antigone-criteria) en dat regels betreffende dergelijk
bewijs bij wet moeten worden vastgesteld wegens het legaliteitsbeginsel
in fiscale zaken en het eigendomsrecht. Het middel impliceerde
ook discriminatie in de behandeling van dergelijk bewijs.
- Tweede
onderdeel: Betoogde dat bewijs verkregen door een onderzoeksrechter
die zijn mandaat overschrijdt (niet op straffe van nietigheid
voorgeschreven), ambtshalve moet worden uitgesloten door de
fiscale rechter, en wees op discriminatie.
- Toegepaste
principes:
- Onafhankelijkheid
van fiscaal geschil van strafvervolging: Een fiscaal geschil staat
los van de uitkomst van een strafprocedure.
- Legaliteitsbeginsel
in fiscale zaken (artikel 170, § 1, Grondwet): De essentiële
elementen van een belasting (belastingplichtige, belastbare materie,
grondslag, tarief, vrijstellingen) moeten bij wet worden bepaald met
precieze, ondubbelzinnige en duidelijke bewoordingen. Regels betreffende
de toelaatbaarheid van onrechtmatig verkregen bewijs worden niet
als essentiële elementen van de belasting beschouwd.
- Recht
op eigendom (artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM,
artikel 16 Grondwet): Een inmenging van de Staat in het genot van het
eigendomsrecht (zoals belastingheffing) moet voorzien zijn door een
rechtsnorm die voldoende toegankelijk, precies en voorspelbaar is in haar
toepassing. Dit betekent niet dat regels over onrechtmatig
verkregen bewijs formele wetten moeten zijn, noch dat een
proportionaliteitscontrole (belangenafweging tussen algemeen en
individueel belang) aan voorspelbaarheid ontbreekt.
- Toelaatbaarheid
van onrechtmatig verkregen bewijs in fiscale zaken: Het fiscaal recht
bevat geen algemene bepaling die het gebruik door de
belastingadministratie van onrechtmatig verkregen bewijs verbiedt.
Dergelijk bewijs kan enkel worden uitgesloten indien de betrokken formele
voorwaarden op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven, indien de
begane onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs heeft
aangetast, of indien het gebruik van het bewijs strijdig is met het recht
op een eerlijk proces. De rechter houdt bij zijn beoordeling onder
meer rekening met het louter formele karakter van de onregelmatigheid, de
impact ervan op het door de geschonden norm beschermde recht of de
vrijheid, het al dan niet opzettelijke karakter van de door de overheid
begane onwettigheid en de omstandigheid dat de ernst van het misdrijf de
door het bewijs nagestreefde doelen ver overstijgt.
- Bewijskracht
van belastingaangiften (artikel 314bis WIB 1992): Belastingaangiften
hebben bewijskracht. De administratie kan alle bewijsmiddelen gebruiken
die door het gemeen recht zijn toegelaten (artikel 340 WIB 1992). Deze
bepalingen bepalen niet het lot van onregelmatig verkregen bewijs.
- Mandaat
van de onderzoeksrechter (artikelen 61 en 56, § 1, zesde lid, Wetboek van
Strafvordering): Het verbod voor de onderzoeksrechter om andere
feiten te onderzoeken dan die waarvan hij in kennis is gesteld, is niet
op straffe van nietigheid voorgeschreven. Daarom kan bewijs verkregen
door een dergelijke overschrijding van het mandaat niet ambtshalve
door de fiscale rechter worden uitgesloten.
- Beslissing
van het Hof:
- Eerste
onderdeel van het middel: Het Hof oordeelde dat het feitelijke
grondslag miste (wat betreft de Antigone-criteria) en juridische
grondslag miste (wat betreft essentiële elementen van belasting en
eigendomsrechten). De voorgestelde prejudiciële vraag aan het
Grondwettelijk Hof werd onnodig geacht omdat geen specifieke wet die
grondwetsartikelen zou schenden, werd geïdentificeerd.
- Tweede
onderdeel van het middel: Het Hof oordeelde dat het juridische
grondslag miste (wat betreft ambtshalve uitsluiting) en feitelijke
grondslag miste (wat betreft de Antigone-criteria). Het werd ook onprecies
en dus onontvankelijk bevonden met betrekking tot het
discriminatie-argument, aangezien geen vergelijkbare situatie die zou
leiden tot automatische uitsluiting werd gespecificeerd. De voorgestelde
prejudiciële vraag werd onnodig geacht.
- Het
Hof heeft het beroep afgewezen.
7.
ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250612.1F.5 (Zaak: Association copropriétaires LES
CEDRES tegen A.)
- Opgeworpen
middel: De eiser (Association des copropriétaires) betwistte de
geldigheid van een betekening, stellend dat wanneer een
gerechtsdeurwaarder een akte betekende door deze op de zetel van de
vereniging van mede-eigenaars neer te leggen en de syndicus per gewone brief
hiervan in kennis stelde, de vereniging zelf ook per aangetekende brief
op haar zetel moest worden geïnformeerd.
- Toegepaste
principes:
- Artikelen
35 en 38, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek: Regelen de betekening.
Artikel 35 specificeert persoonlijke betekening of betekening aan het
domicilie/verblijf. Artikel 38, § 1, beschrijft betekening door
neerlegging en de vereiste voor de gerechtsdeurwaarder om een brief
(uiterlijk de eerste werkdag na de betekening) naar het
domicilie/verblijf van de geadresseerde te sturen, met vermelding van
datum/uur van aanbieding en de mogelijkheid om een kopie af te halen.
- Artikel
3.89, § 4 en § 5, van het Burgerlijk Wetboek (voor mede-eigendom):
Artikel 3.89, § 4, bepaalt dat indien betekening niet conform artikel 35
Gerechtelijk Wetboek kan geschieden, dit conform artikel 38 van dat
wetboek geschiedt, en de brief van artikel 38, § 1, derde lid, aan het
domicilie van de syndicus moet worden gericht. Artikel 3.89, § 5, bepaalt
dat, behoudens andersluidende bepalingen, aangetekende briefwisseling, op
straffe van nietigheid, gericht moet zijn aan het domicilie/verblijf of
de maatschappelijke zetel van de syndicus en aan de zetel van de
vereniging van mede-eigenaars.
- Geen
vereiste voor aangetekende brief aan de vereniging: Het Hof stelt
expliciet dat noch deze bepalingen, noch enige andere, vereisen dat
indien de gerechtsdeurwaarder de akte betekende door neerlegging op de
zetel van de vereniging van mede-eigenaars en de syndicus per gewone
brief informeerde, de vereniging ook per aangetekende brief op
haar zetel moest worden geïnformeerd.
- Beslissing
van het Hof: Het Hof heeft het middel juridische grondslag ontzegd.
Het oordeelde dat de wet de eis van een aangetekende brief aan de
vereniging zelf in dit specifieke scenario niet oplegt.
- Het
Hof heeft het beroep afgewezen.
8. ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250612.1F.2 (Zaak: Z. tegen
A.)
- Opgeworpen
middelen (drie middelen): De eiseres (S. Z.) voerde drie middelen aan
in een zaak over een huurovereenkomst en vorderingen tot schadevergoeding
en opzeggingsvergoedingen.
- Eerste
middel: Pleitte voor schadevergoeding, zelfs als de huurder niet
kiest voor de uitvoering van werken, wanneer het gehuurde goed niet
voldoet aan de elementaire veiligheids-, gezondheids- en
uitrustingsvereisten.
- Tweede
middel:
- Eerste
onderdeel: Betwistte de motivering van de lagere rechter voor het
ontkennen van de verantwoordelijkheid van de verhuurder voor de
aanwezigheid van knaagdieren, stellend dat het gerecht niet adequaat op
alle argumenten was ingegaan.
- Tweede
onderdeel: Voerde schending aan van meerdere wetsbepalingen met
verschillende inhoud zonder specifieke motivering voor elk.
- Derde
middel: Betoogde dat de vordering van de verhuurder tot een
opzeggings- en vooropzeggingsvergoeding een rechtsmisbruik vormde,
en dat de lagere rechter dit argument niet had behandeld.
- Toegepaste
principes:
- Schadevergoeding
(artikel 1149 oud Burgerlijk Wetboek): De schadevergoeding die aan de
schuldeiser verschuldigd is, bestaat uit het geleden verlies en de
gederfde winst.
- Vereisten
huurwoning (artikel 219 Brussels Wooncode): De gehuurde woning moet
voldoen aan de elementaire veiligheids-, gezondheids- en
uitrustingsvereisten. Indien niet, en de huurder is niet aansprakelijk,
kan de huurder kiezen tussen het eisen van noodzakelijke werken of de
ontbinding van het contract met schadevergoeding. Bij ontbinding van de
huurovereenkomst door de schuld van de verhuurder, kan de rechter in de
eventuele schadevergoeding aan de huurder de kosten van herhuisvesting
(zoals verhuiskosten) opnemen.
- Schadevergoeding
bij non-conformiteit: Indien de huurder niet kiest voor de uitvoering
van de werken, heeft hij enkel recht op schadevergoeding indien hij een
nadeel lijdt dat niet door de ontbinding zelf wordt hersteld.
- Verhuurdersaansprakelijkheid
voor ongedierte: Niet automatisch verantwoordelijk voor ongedierte
zoals muizen; hangt af van de oorzaak (schuld van huurder of verhuurder).
- Rechtsmisbruik:
Een algemeen rechtsbeginsel dat inhoudt dat men zijn recht niet mag
uitoefenen op een wijze die kennelijk de grenzen overschrijdt van de
normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en redelijk
persoon.
- Beslissing
van het Hof:
- Eerste
middel: Juridische grondslag ontzegd. Het Hof oordeelde dat
schadevergoeding voor non-conformiteit alleen verschuldigd is indien de
ontbinding alleen het nadeel niet volledig herstelt, en indien de huurder
kiest voor ontbinding boven het eisen van werken.
- Tweede
middel:
- Eerste
onderdeel: Ongegrond. Het Hof oordeelde dat de lagere rechter
adequaat had geantwoord op het argument betreffende knaagdieren door uit
te leggen waarom de schuld van de verhuurder niet was vastgesteld.
- Tweede
onderdeel: Onprecies en dus onontvankelijk, omdat het
meerdere wetsbepalingen met verschillende inhoud aanvoerde zonder te
specificeren hoe elk werd geschonden.
- Derde
middel: Gegrond. Het Hof oordeelde dat het lagere gerecht niet
had geantwoord op de conclusies van de eiseres die betoogden dat de
vordering van de verhuurder tot een opzeggings- en
vooropzeggingsvergoeding een rechtsmisbruik vormde.
- Het
Hof vernietigde de bestreden uitspraak in zoverre deze uitspraak
deed over de opzeggings- en vooropzeggingsvergoeding en over de kosten.
- Het
beroep werd voor het overige afgewezen.