donderdag 26 juni 2025

AFFAIRE CIMPAKA KAPETA c. BELGIQUE

 Bron

Hier is een samenvatting van de zaak Cimpaka Kapeta v. België, inclusief de aangevoerde middelen, de toegepaste principes en de uiteindelijke beslissing van het Hof:


Middelen (Argumenten) Aangevoerd

Door de verzoeker (M. Harris Cimpaka Kapeta):

  • Betreffende Artikel 8 van het Verdrag (Recht op respect voor privé- en gezinsleven):
    • De weigering van een paspoort was een inbreuk op zijn recht op privé- en gezinsleven, aangezien hij aanvankelijk naar Marokko wilde reizen met zijn partner en later naar zijn land van herkomst, de Democratische Republiek Congo, waar een groot deel van zijn familie woont.
  • Betreffende Artikel 2 van Protocol Nr. 4 (Vrijheid van verkeer en het recht om een land te verlaten):
    • Het ontnemen van een paspoort vormt een onvermijdelijke inmenging in het recht om een land te verlaten, zelfs als hij België kon verlaten met alleen een identiteitskaart voor bepaalde landen (bijv. Schengenlanden of Turkije). Het verhinderde hem om naar elk land van zijn keuze te reizen.
    • Hoewel de inmenging wettelijk was, kon hij de geldigheid ervan niet concreet betwisten omdat hij geen toegang had tot het vertrouwelijke OCAM-rapport van 26 februari 2016, waardoor hij zich moest beperken tot algemene argumenten.
    • De beslissing tot weigering werd bijna een jaar na het opstellen van het OCAM-rapport genomen, waardoor zijn persoonlijke ontwikkeling in de tussentijd niet in aanmerking werd genomen.
    • De weigering was niet onderworpen aan een tijdelijke beperking of vervaldatum.
    • Het (nu gedeclassificeerde) OCAM-rapport bracht weinig nieuwe informatie, los van zijn eerdere veroordeling. Beweringen zoals het 'wens om terug te keren naar de jihad', contacten met zijn broer, of 'staat van radicalisering' waren vaag en onvoldoende onderbouwd.
    • De Raad van State motiveerde niet waarom de vertrouwelijkheid van het OCAM-rapport noodzakelijk was, maar stelde enkel vast dat het een geheim document was. Hij stelde dat de overheid de substantie van de beschuldigingen aan hem had moeten meedelen, voor zover compatibel met de vertrouwelijkheid.
  • Betreffende Artikel 13 van het Verdrag (Recht op een effectief rechtsmiddel):
    • Hij werd beroofd van een effectief rechtsmiddel omdat hij geen toegang had tot het OCAM-rapport van 26 februari 2016 tijdens de procedure voor de Raad van State.
    • De mogelijkheid voor de Raad van State om het rapport in te zien, zonder enig tegensprekelijk debat over dit stuk, garandeerde de effectiviteit van het beroep niet.
    • Artikel 87 van het algemeen procedurereglement van de Raad van State bood geen expliciete mogelijkheid om de geheimhoudingsaanvraag van de Belgische Staat formeel te betwisten.
    • Hij had in alle stadia van de nationale procedure geprobeerd toegang te krijgen tot het rapport (via het SPF Buitenlandse Zaken en de Commissie voor toegang tot administratieve documenten).
    • Hij stelde de strikte vertrouwelijkheid van het rapport in wezen ter discussie in zijn annulatieberoep, door te klagen over het gebrek aan feitelijke motivatie in de weigeringsbeslissing en het feit dat de onderliggende documenten niet toegankelijk waren.

Door de Regering:

  • Betreffende Artikel 8 van het Verdrag:
    • De motieven van de verzoeker voor een paspoort waren vaag; hij gaf geen specifieke details over familiebanden in Congo. De maatregel vormde geen inmenging in zijn privé- of gezinsleven.
  • Betreffende Artikel 2 van Protocol Nr. 4:
    • De weigering was minder restrictief dan in andere zaken (zoals Stamose), aangezien de verzoeker nog steeds met een identiteitskaart kon reizen binnen het Schengengebied en naar landen die alleen een identiteitskaart vereisen.
    • Langdurige reizen waren onmogelijk vanwege de voorwaarden van zijn probatietoezicht, die zijn aanwezigheid in België vereisten.
    • De inmenging was 'voorzien bij wet' (artikel 65, tweede lid, van het Consulair Wetboek) en had een 'legitiem doel' (bescherming van de nationale veiligheid en openbare orde).
    • De maatregel was 'noodzakelijk in een democratische samenleving' gezien zijn veroordeling voor deelname aan een terroristische groepering, de aanwezigheid van een Daesh-vlag in zijn huis en het risico dat hij naar Syrië zou terugkeren.
    • De elementen in het OCAM-rapport waren actueel en niet alleen gebaseerd op zijn eerdere veroordeling.
    • De oorspronkelijke weigeringsbeslissing was tijdelijk, aangezien de verzoeker in 2021 een nieuw paspoort heeft gekregen.
    • De Raad van State voerde een volledig wettelijkheids- en proportionaliteitsonderzoek uit, met toegang tot het volledige administratieve dossier, inclusief het vertrouwelijke OCAM-advies. Vertrouwelijkheid was gerechtvaardigd om de openbare veiligheid en de veiligheid van betrokken personen te beschermen.
    • Artikel 4 van de wet van 29 juli 1991 op de formele motivering van administratieve handelingen voorziet in uitzonderingen op de motiveringsplicht wanneer dit de staatsveiligheid of de openbare orde in gevaar kan brengen.
    • De verzoeker had toegang tot de e-mail van OCAM van 8 december 2016 en de interne nota van het SPF Buitenlandse Zaken van 20 december 2016, waaruit de redenen voor de weigering duidelijk bleken (Passban-lijst, risico op terugkeer naar Syrië, Daesh-vlag).
  • Betreffende Artikel 13 van het Verdrag:
    • De interne rechtsmiddelen waren niet uitgeput, aangezien de verzoeker zich niet had verzet tegen de geheimhoudingsaanvraag van het OCAM-rapport tijdens de procedure voor de Raad van State.
    • De Raad van State heeft een vaste jurisprudentie die partijen toestaat om het vertrouwelijke karakter van stukken te betwisten op grond van artikel 87 van het algemeen procedurereglement, wat een tweestappenonderzoek met belangenafweging inhoudt.

Principes (Beginselen) Toegepast

Het Hof heeft verschillende beginselen toegepast bij de beoordeling van de zaak:

  • Algemene principes betreffende inmenging in grondrechten:
    • Een inmenging moet 'voorzien zijn bij wet', een of meer 'legitieme doelen' nastreven, en 'noodzakelijk zijn in een democratische samenleving' om dat doel te bereiken.
    • 'Noodzakelijk in een democratische samenleving' betekent dat het moet voldoen aan een 'dwingende maatschappelijke behoefte' en proportioneel moet zijn aan het nagestreefde legitieme doel, met 'relevante en voldoende' motieven. Nationale autoriteiten beschikken over een zekere 'beoordelingsmarge'.
    • Preventieve maatregelen moeten gebaseerd zijn op concrete elementen die de actualiteit van het risico aantonen. Een individuele en gedetailleerde risicoanalyse is vereist, rekening houdend met antecedenten en gedrag.
  • Principes betreffende het recht om een land te verlaten (Art. 2 Protocol Nr. 4):
    • De vrijheid van verkeer impliceert het recht om elk land te verlaten, inclusief het eigen land, en om naar elk land van keuze te reizen dat bereid is hem te ontvangen. Dit recht is niet absoluut en kan worden beperkt door formele voorwaarden (zoals het verkrijgen van een reisdocument).
    • Het ontnemen van een paspoort is een inmenging in het recht om een land te verlaten.
  • Principes betreffende de rechterlijke toetsing en procedurele waarborgen:
    • De rechterlijke toetsing van preventieve maatregelen door een onafhankelijk gerecht met toegang tot het volledige dossier (inclusief geheime documenten) is een belangrijke waarborg in een democratische rechtsstaat.
    • De substantie van de motieven die ten grondslag liggen aan een beslissing moeten aan de betrokkene worden meegedeeld, voor zover verenigbaar met de bescherming van vertrouwelijke informatie en het goede verloop van onderzoeken.
  • Principes betreffende een effectief rechtsmiddel (Art. 13):
    • Artikel 13 vereist dat de nationale rechtsorde een effectieve mogelijkheid biedt om de betwiste maatregel aan te vechten en een voldoende grondig onderzoek te verkrijgen, met adequate procedurele waarborgen.
    • De toepasselijkheid van artikel 13 is niet afhankelijk van een voorafgaande vaststelling van een schending van een andere Verdragsbepaling.
    • Het geheel van beschikbare nationale rechtsmiddelen kan voldoen aan de eisen van artikel 13, zelfs als geen enkel middel op zichzelf volledig voldoet.

Uiteindelijke Beslissing van het Hof

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft de volgende beslissingen genomen:

  • Betreffende Artikel 8 van het Verdrag:
    • Het Hof oordeelde dat de klacht kennelijk ongegrond was en verwierp deze. De verzoeker had de impact van de weigering van het paspoort op zijn privé- en gezinsleven niet voldoende onderbouwd, met name het bestaan van voldoende sterke persoonlijke en familiale banden die ernstig zouden zijn aangetast.
  • Betreffende Artikel 2 van Protocol Nr. 4 (afzonderlijk en in combinatie met Artikel 13 van het Verdrag):
    • Het Hof verklaarde de klacht ontvankelijk.
    • Op de inhoud oordeelde het Hof dat er geen schending was van Artikel 2 van Protocol Nr. 4.
      • De weigeringsbeslissing was 'voorzien bij wet' en had 'legitieme doelen' (nationale veiligheid en openbare orde).
      • De aangevoerde motieven (aanwezigheid van een Daesh-vlag in zijn huis en risico op terugkeer naar Syrië) werden als relevant en voldoende beschouwd.
      • De reikwijdte van de beperking was niet overmatig, aangezien hij nog steeds met een identiteitskaart kon reizen naar het Schengengebied en andere landen.
      • De duur van de beperking was niet buitensporig, mede gezien de mogelijkheid om een nieuwe aanvraag in te dienen en het feit dat hij in 2021 een nieuw paspoort kreeg.
      • De rechterlijke toetsing door de Raad van State was effectief, aangezien deze toegang had tot het gehele administratieve dossier, inclusief de vertrouwelijke documenten.
      • De substantie van de motieven die ten grondslag lagen aan de weigering van het paspoort, was aan de verzoeker meegedeeld (via de e-mail van OCAM en de interne nota van het SPF Buitenlandse Zaken). Het feit dat hij geen toegang had tot het volledige OCAM-rapport van 26 februari 2016 tastte de kern van zijn procedurele rechten niet aan.
  • Betreffende Artikel 13 van het Verdrag:
    • Op de inhoud oordeelde het Hof dat er geen schending was van Artikel 13 van het Verdrag.
    • Het Hof achtte dat de verzoeker niet kon stellen dat hij een effectief rechtsmiddel ontzegd was. Hij had namelijk geen gebruik gemaakt van alle middelen die hem ter beschikking stonden in het nationale recht om de vertrouwelijkheid van het OCAM-rapport van 26 februari 2016 te betwisten. Hij verzette zich niet tegen de geheimhoudingsaanvraag van de Belgische Staat en had de administratieve procedure voor toegang tot het rapport niet voortgezet .